Het wereldbeeld van Job Cohen

Job Cohen treedt af

Job Cohen treedt af als fractievoorzitter en politiek leider van de PvdA.

Lees hieronder ‘Susser’. Het wereldbeeld van Job Cohen uit De Groene Amsterdammer van 17 maart 2010.

Susser

Job Cohen heeft het imago van de man die anderen de ruimte geeft om dingen te doen die hij zelf eigenlijk niet kan. Ook een kwaliteit, vindt hijzelf. En voor het overige wil hij mensen verbinden. Maar hoe dan?

Job Cohen noemt zichzelf een ‘verstokte secularist’. Hij gelooft in de verworvenheden van de Verlichting en bekijkt de samenleving door een humanistische bril. Hij heeft, zo zegt hij zelf, 'niks met geloof’.
Maar toch is het juist Cohen die bij zijn eerste serieuze toespraak als burgemeester van Amsterdam suggereert om de 'religieuze infrastructuur van de stad’ te gebruiken om dialoog tussen bevolkingsgroepen te bevorderen. Oftewel: moskeeën kunnen een goede manier zijn om mensen met elkaar te verbinden en integratie te bevorderen.
Het lijkt lastig te rijmen. Hoe kan iemand die zo sterk gelooft in de scheiding van kerk en staat nu juist religie een rol toebedelen? Maar het is typerend voor Cohen en zijn wereldbeeld. Hij bouwt zijn eigen brug, stapt over zijn eigen schaduw heen om een hoger doel te bereiken.
Wanneer Cohen in zijn nieuwjaarsboodschap in 2002 de rol van religie benadrukt breekt er een storm van kritiek los. Of hij helemaal gek is geworden, door religie opnieuw op een voetstuk te willen zetten. En of hij zich niet realiseert dat juist religie een splijtzwam in de samenleving is?
Cohen komt er in de jaren daarna, in verschillende lezingen, op terug en blijft telkens hetzelfde benadrukken: religie groeit misschien niet in Nederland maar wel in de rest van de wereld, je moet rekening houden met de groei van het aantal gelovigen in de steden. Religie is, zo zegt hij tijdens een conferentie, nu eenmaal een factor van belang voor veel mensen. Het is een ankerpunt, een sociaal vangnet, een perspectief - die woorden gebruikt hij.
Ook dat typeert Cohen: hij wordt bekritiseerd om zijn softe houding, zijn moskeebezoek en zijn motto de boel bij elkaar te willen houden. Zijn reactie is er een schepje bovenop te doen en zijn visie op verschillende podia en fora te herhalen en verder uit te bouwen.
Kritiek op zijn ideeën over de rol van religie? Hij zet uiteen dat in een samenleving van vreemden mensen op zoek moeten naar gemeenschap, en dat religie… enzovoort. Zijn boek met verzamelde toespraken uit september 2009 noemt hij Binden. En hij laat niet na te noemen dat het woord 'religie’ stamt van het Latijnse religare en dat betekent, inderdaad, 'binden’.
Uit het boek doemt een beeld op van Job Cohen als een man die de afgelopen jaren steeds sterker in zijn eigen woorden is gaan geloven. Misschien werd hij eind 2001 nog overvallen door alle hoon over zijn 'boel bij elkaar houden’ - in de jaren daarna is hij stevig gaan werken aan het verzamelen van argumenten om zijn wereldbeeld kracht bij te zetten en zijn gelijk te onderstrepen.
Het begint met zijn Cleveringa-lezing, eind 2002. Daarin zet hij voor het eerst uiteen hoe hij tegen Nederland aankijkt en laat hij doorschemeren dat hij eigenlijk vindt dat veel verworvenheden van de jaren zeventig te ver zijn doorgeschoten. Individualisering heeft geleid tot anonimiteit en een vermindering van sociale controle en binding. Democratisering heeft mensen wel mondig gemaakt, maar misschien een beetje te veel: autoriteit wordt niet meer erkend, regels worden bewust overtreden omdat men het er niet mee eens is. Privatisering heeft gezorgd voor een hard maatschappelijk klimaat, waar voor achterblijvers geen plek meer is. Globalisering roept weerstand op, onder meer omdat er angst en onbehagen ontstaat over de eigen cultuur en de vrees dat banen naar het buitenland verdwijnen. En tot slot heeft secularisatie geleid tot 'een vacuüm op het gebied van het uitdragen en overbrengen van normen en waarden’. Geen enkele instantie is in staat dat gat te vullen, aldus Cohen.
Het klinkt ietwat sentimenteel - een hang naar de eenheid en eenvoud van de jaren vijftig, een bijna cda-achtige visie op de rol van het maatschappelijk middenveld in de samenleving, een oproep tot normen en waarden.
Die grote ontwikkelingen van de afgelopen jaren leiden, volgens Cohen, tot onzekerheid, een gebrek aan houvast, onbekendheid en onbehagen. Onbehagen over de verhoudingen van Nederland tot de rest van de wereld, maar ook over de verhoudingen in de buurt en tussen buren. Mensen staan steeds meer 'als vreemden tegenover elkaar’ - dat is het beeld van Cohen over Nederland. We staan als vreemden tegenover elkaar.
Het is in diezelfde lezing dat Cohen voor het eerst weggeeft hoe zijn eigen geschiedenis hem leidt. Hij schetst het beeld van een jonge joodse vrouw aan het begin van de oorlog. Opgegroeid in een verdraagzaam land, niet religieus maar wel liberaal joods, onbekend met het gevoel plotseling uitgesloten te worden. Ze luistert hoe de decaan van de juridische faculteit, Rudolph Cleveringa, het ontslag van tien joodse docenten kritiseert en het opneemt voor zijn collega’s. 'Ik hoor erbij’, verwoordt Cohen het gevoel van zijn moeder.
Vrijwel alle standpunten van Cohen zijn terug te voeren op dat Leitmotiv: iedereen moet erbij horen, anders gaat het mis. Of het nou om minderheden gaat, om minder bedeelden of om mensen die zich minder bedeeld of gefrustreerd voelen. Voor hem is democratie niet alleen de macht van de meerderheid.

Maar ondertussen ziet hij een samenleving die steeds verder uit elkaar splijt, die lijdt onder te veel vrijheid. Neem de vrijheid van meningsuiting. Volgens sommigen absoluut - je moet alles kunnen zeggen wat je wilt en je moet kunnen beledigen wie je wilt. Volgens Cohen heeft dat laatste, beledigen, niets te maken met meningsvrijheid maar alles met onbeschoftheid en gebrek aan respect. 'Ordinair geschreeuw’, noemt hij het. En dat werkt alleen maar averechts.
In zijn Van Randwijk-lezing in 2007 schetst hij hoe hij aankijkt tegen die vrijheid en Nederlandse identiteit. Wat de gevolgen zijn van het individualisme en secularisme die hij eerder benoemde en de overmaat aan liberalisme die hij in de jaren daarna zag. Volgens Cohen leidt het tot angst. Veel Nederlanders zijn bang te midden van een 'Boze Grote Wereld’, ze voelen zich niet meer thuis. Hun binding met familie, vereniging of kerk is verdwenen en ze zijn bang voor veranderingen, bang voor de ander.
Het komt volgens hem voort uit onbekendheid. In een samenleving waar iedereen langs elkaar heen leeft, iedereen zijn eigen ding doet, niemand elkaar kent, er zonder respect tegen elkaar wordt geschreeuwd, ontstaat onbehagen. Iedereen wil zichzelf blijven en meent daar recht op te hebben. Maar het botst soms. Een imam die geen handen schudt, gescheiden zwemles, respect voor homoseksualiteit. En onbekend maakt onbemind.
Of het onbehagen terecht is laat Cohen opvallend genoeg in het midden. Hebben die autochtone Nederlanders in oude wijken gelijk als ze klagen? Cohen wekt in zijn verschillende lezingen regelmatig de indruk dat hij vindt dat Nederlanders wel erg veel zeuren. Ze moeten eens kijken naar wat er wél goed gaat, in plaats van de hele tijd op alle slakken zout leggen. 'We zijn knap in het benoemen van dingen die níet goed gaan en gaan voorbij aan de dingen die wel goed gaan’, zegt hij in De Groene Amsterdammer.

Het is een van de verklaringen voor iets wat Cohen de afgelopen tijd heeft moeten leren: klachten serieus nemen en daadkrachtig over proberen te komen. Proberen, want het is niet zijn eerste natuur. In eerste instantie is hij afhoudend. Laten we het allemaal nog een keer goed onderzoeken, laten we de resultaten dan eens op een rijtje zetten, laten we dat dan allemaal goed bespreken. Het helpt allemaal niet als de buurt in brand staat en het is hem op kritiek komen te staan. Susser.
Maar Cohen is nu eenmaal afstandelijk en analytisch. Als zijn wens om iedereen erbij te laten horen voortkomt uit de persoonlijke geschiedenis van zijn moeder, dan is zijn karakter een erfenis van zijn vader. Dolf Cohen was ondergedoken in de Tweede Wereldoorlog en werd na de oorlog onderdirecteur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod, nu Niod). Desalniettemin was hij in staat de oorlog op een 'afstandelijke en analytische’ manier te benaderen, aldus Cohen.
Hij doet het zelf niet anders. Probeert afstand te bewaren en de analyse te maken. Het geeft hem het imago van de man zonder mening, de man zonder eigenschappen, degene die alleen maar anderen de ruimte geeft om dingen te doen die hij zelf eigenlijk niet kan. Ook een kwaliteit, vindt hij zelf. Maar toch, hij vond dat de dingen waar hij zelf echt in geloofde uitgebouwd moesten worden. Noem het zijn ideologische veren: een land van vreemden verbinden.
Maar hoe? In 2002 klinkt hij nog een beetje als een analyticus met een heilig vertrouwen in het goede van de mens. Hij poneert voor het eerst de term 'burgerschap’: vertrouwen in elkaar, verantwoordelijkheid voor jezelf en het geheel. Een beetje vaag. Hij roept op tot respect. Voor ontspoorde jongeren die er wel 'bij willen horen maar niet weten hoe’. In zulke gevallen moet je volgens Cohen soms je kritiek inslikken om een hoger doel te bereiken. Dat is pas echt tolerant: dingen laten passeren om de boel bij elkaar te houden. Het klinkt wat naïef, het geloof dat wie goed doet, goed ontmoet.

Kan Cohen voorbij de analyse gaan? Hij probeert het wel. In zijn wrr-lezing in 2003, Multatuli-lezing in 2005 en Van Randwijk-lezing in 2007. Hoe hou je nou eigenlijk de boel bij elkaar?
Hij hamert op de rechtsstaat - de politiek bepaalt de spelregels, en iedereen moet zich daaraan houden. Respect voor de wet, regels handhaven, meer toezicht en minder gedogen. Hij wordt daarin telkens harder. Hij pleit voor meer politieke participatie - een burgerinitiatief of referenda. Hij heeft het over investeren in onderwijs - niet alleen om kennis en cultuur over te brengen, maar ook om normen en waarden te beschermen. En hij heeft het over fatsoen, net als tijdens zijn kandidaatstelling voor het lijsttrekkerschap van de pvda. Maar verder dan een suggestie voor stadsetiquette (overgenomen uit andere steden) komt hij niet.
Maar het blijft een beetje een cirkelredenering. Om te zorgen dat de boel bij elkaar blijft, moeten we zorgen dat mensen niet buiten de boot vallen. Om splitsing in het land te voorkomen moet je zorgen dat er geen winnaars en verliezers zijn. Ook hierin blijkt Cohen eerder analyticus dan een bedenker van concrete maatregelen. Maar wel een die heilig in zijn eigen analyse gelooft.