Job in warschau

Zelden zo onthutst geweest over een boekje als over Josl Rakover wendt zich tot God.

Wat heb ik in mijn handen? De jammerklacht van een ten dode opgeschreven jood in het brandende getto van Warschau? Een twintigste-eeuwse bijbeltekst, verwant aan Job maar schokkender? Het propagandistische pamflet van iemand die kort na de oorlog joden ronselde voor het toekomstige Israel? Een Israelische staatshymne in verhaalvorm?
In het Nederlands beslaat Josl Rakovers brief aan God een luttele achttien pagina’s. Uitgeverij Ten Have zette er de Jiddische tekst naast en drukte ook de oorspronkelijk Hebreeuwse versie af.
De tekst onthutst van bladzijde tot bladzijde. Als men in Israel hard wil huilen, leest men elkaar Josls klaagzang voor. Na de moord op Rabin werd er veel uit voorgelezen.
Onthutsend is het lijden van Josl in de laatste dagen van het Warschause getto. Onthutsend is dat hij desondanks innig van zijn God blijft houden. Onhutsend is dat hij dat doet omdat zijn God er een van wraak en vergelding is. Het alleronthutsendst is dat hij zijn lijden als teken ziet van goddelijke uitverkiezing en het jood-zijn als een ‘goddelijke eigenschap’.
Los van die hysterische godsbeleving en dat joodse chauvinisme is het literatuur van een immense intensiteit. Zinderend, schreeuwend proza van een schrijnende schoonheid.
En dat geschreven onder zulke barbaarse omstandigheden!
Maar niet heus.
De auteur is niet Josl Rakover maar Zvi Kolitz. Het is niet het authentieke document waar het in joodse kringen voor wordt gehouden. Het werd geschreven in het najaar van 1946 op een hotelkamer in Buenos Aires. Door een joodse activist die in Argentinië nieuwe burgers wierf voor de toekomstige staat Israel.
Dat staat te lezen in het fascinerende verhaal van de Duitse journalist Paul Badde, eveneens opgenomen in de uitgave van Ten Have.
Badde spoorde Kolitz op in New York. Een elegante Litouwse jood met een wonderbaarlijk leven. Journalist, schrijver, reclamemaker, filmmaker, zakenman, geheim agent en fondswerver voor de staat Israel.
Badde ging ook de grillige gangen na van Kolitz’ Josl-tekst. In de jaren vijftig dook die op in Israel, zonder titel, zonder auteur. Toen begon de tekst aan zijn opmerkelijke loopbaan als religieuze hartekreet uit het getto van Warschau.
Emmanuel Levinas wijdde er een groot essay aan. En Isaac Bashevis Singer. En George Steiner. Op scholen leerden kinderen hem uit het hoofd. Bij menige nationale gelegenheid werd hij voorgedragen. Hij werd opgenomen in de stichtingsoorkonde van Goezj Emoniem, de rechts-radicale kolonistenbeweging.
En telkens wanneer Zvi Kolitz vanuit New York liet weten de auteur te zijn, werd hij voor leugenaar en vervalser uitgemaakt.
En dat is nog een beetje waar ook. Want de tekst die zo beroemd werd, blijkt het resultaat van vele vertalingen, bewerkingen en toevoegingen. De belangrijkste passages stammen niet uit Buenos Aires. Het Argentijnse origineel, zo moest Badde uiteindelijk vaststellen, is niet meer dan een skelet.
Kort nadat hij een kopie van dat origineel had bemachtigd, bereikte Badde schokkend nieuws. Bij een bomaanslag in Buenos Aires was een synagoge totaal verwoest. Er waren vele doden.
In die synagoge lag Kolitz’ originele grondtekst van osl Rakover wendt zich tot God. Die is nu verloren. Begraven onder puin en lijken. Net als in Warschau de mythische tekst van Josl Rakover.