John Weiss, The Politics of Hate

Jodenhaat als grondtoon

Antisemitisme is een altijd klinkende toon in het muziekstuk van de Europese geschiedenis geweest. Maar het blijft ongrijpbaar en moeilijk te verklaren.

In 1946 opende Jean-Paul Sartre een discussie die tot op de dag van vandaag onbeslist is. In Réflexions sur la question juive reageerde de Franse denker — terwijl zijn landgenoten de overwinning van het Franse verzet vierden — op de vervolging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Sartre ontnam de ontwortelende werking van het gelijkheidsbeginsel mensen hun plaats in de samenleving en maakte het de mens gelijk aan een willekeurige ander. De jodenhater kon volgens Sartre niet omgaan met de maatschappelijke vrijheid die het gelijkheidsbeginsel in zich heeft en verlangde terug naar de periode waarin de samenleving verticaal was gestructureerd en ieder zijn vaste stek op de hiërarchische ladder kende.

Anderen volgden in de jaren erna. Zo verscheen in 1951 Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism. Volgens de filosofe bood het antisemitisme van de nazi’s een universeel verklaringssysteem in een voor velen ongrijpbare wereld: alles is terug te leiden op de schuld van de joden. Later werden in Duitsland voortdurend pogingen gedaan het verleden een plek in de maatschappij te geven, met name via de Sonderweg-discussie van begin jaren zestig en de Historikerstreit uit het midden van de jaren tachtig.

Zonder Sartre of Arendt te noemen werden deze oude discussies nieuw leven ingeblazen door de publicatie van Daniel Goldhagens bestseller Hitler’s Willing Executioners (1996). Hij nam het — overigens niet nieuwe — standpunt in dat de Duitsers, gegrepen door een virulent antisemitisme, Hitler aan de macht brachten. Dit in tegenstelling tot auteurs die kort gezegd meenden dat Hitlers antisemitisme verantwoordelijk was voor de holocaust, niet de Duitsers.

De discussiebereidheid zal wellicht nooit afnemen. Onderzoekers blijven hun leven wijden aan het ongrijpbare van antisemitisme en holocaust en blijven hun ondervindingen in lijvige boeken neerpennen.

John Weiss, niet joods zoals zijn naam wel doet vermoeden, heeft het grootste gedeelte van zijn werkzame leven besteed aan de studie van het nazi-regime. Rond de tijd van het debat dat zich rond Goldhagens boek vormde, verscheen ook een werk van zijn hand, The Ideology of Death. Weiss nam een aan Goldhagen verwant standpunt in, maar The Ideology of Death kreeg niet de golf van reacties die Goldhagen ontving. Centraal in dat boek staat de constatering dat het antisemitisme gezien moet worden tegen het licht van de strijd die verschillende groepen in de Duitse en Oostenrijkse politiek vochten tegen het democratisch liberalisme, de economische modernisering en de roep om sociale hervormingen.

Deze constatering is ook het uitgangspunt van Weiss’ nieuwste boek The Politics of Hate: Anti-Semitism, History, and the Holocaust in Modern Europe. In het antisemitisme van de negentiende en twintigste eeuw ligt de verklaring voor de holocaust — die wel uniek mag heten maar niet onverklaarbaar is. Weiss wil antisemitisme echter niet verklaren zoals Sartre en anderen. Hij pleit voor een benadering vanuit de politieke geschiedenis. Op welke manier kwamen radicale racistische groepen aan de macht?

In het antwoord op die vraag ligt de verklaring van de holocaust, volgens Weiss, want racisme en antisemitisme waren gemeengoed in de westerse wereld: in Duitsland en Oostenrijk zowel als in Frankrijk (neem de Dreyfuss-affaire) en zelfs Amerika. Maar in Duitsland zijn antisemieten aan de macht gekomen en zijn zij in staat gesteld hun verschrikkelijke plannen ten uitvoer te brengen. Met name Oostenrijkers deden vrijwillig beulswerk voor de Duitsers.

Weiss toont aan dat in Duitsland maar ook in Oostenrijk en Polen antisemitisme door (politieke) elites werd gebruikt als middel hun achterban aan zich te binden of los te weken van niet-antisemitische groe peringen. In Oostenrijk bijvoorbeeld was antisemitisme zo’n wezenlijk onderdeel van de politiek geworden dat het een electorale doodslag betekende het voor joden op te nemen. Daarom maakten de socialisten — eenmalig, dat wel — tijdens de verkiezingen van 1923 op campagneposters gebruik van typisch joodse uiterlijkheden om kapitalisten af te beelden. Bijna tachtig procent van het leiderschap van de socialisten was joods en de partij nam officieel een standpunt in tegen antisemitisme. Maar de samenleving was doordrongen van antisemitisme en die haat was onmisbaar in de politieke strijd.

Weiss’ boek dringt een verschrikkelijke constatering aan de lezer op. Antisemitisme is een constante in de Europese geschiedenis, een altijd klinkende toon in het muziekstuk van de Europese geschiedenis. Een grondtoon die op een allesverwoestende manier het nationaal-socialisme aan de macht bracht. De holocaust wordt zo verklaard door het Europese antisemitisme, maar het antisemitisme zelf blijft daardoor ongrijpbaar.

Het boek van Helmut Walser Smith (zie pagina 39) richt zich juist op die verklaring van het antisemitisme. Het maakt gebruik van de verklaringskracht van het detail: geschiedenis in miniatuur. Door een «antisemitische woeling» rond 1900 tot in de kleinste details uit te pluizen, probeert Smith een verklaring te leveren. Volgens deze, eveneens Amerikaanse historicus is de verklaring van het Europese antisemitisme te vinden in wat hij noemt «het proces». Zijn beschrijving van het proces van opbloeiend antisemitisme in het Duitse provinciestadje Konitz kan — op bijna antropologische wijze — gelden als verklaringsmodel voor uitbarstingen van antisemitisme elders en op andere momenten.

In tegenstelling tot Smith heeft Weiss met zijn boek het antisemitisme niet willen verklaren. Integendeel, uiteindelijk ligt de verklaring van de holocaust niet in de bestudering van het antisemitisme, maar in de politieke geschiedenis van de betrokken landen. Hij stelt zich daarmee, overigens niet met zoveel woorden, tegenover Sartre en bijvoorbeeld Arendt, Foucault en Finkielkraut, die in de Verlichting een verklaringsgrond zochten voor het antisemitisme en vervolgens de holocaust.

En Weiss doet meer. Hij presenteert zijn boek als les voor de toekomst, iets wat historici door de bank genomen als faux pas bestempelen. Hij meent dat historisch onderzoek naar de oorzaken van de holocaust het eigentijdse «ethnic cleansing» zoals we dat kennen uit voormalig Joegoslavië en Afrika, begrijpelijk maakt.

Volgens Weiss is het voor Europeanen heel moeilijk de aanloop naar het antisemitische geweld van de holocaust te bevatten. Aanhangers van antisemitisme en extreem rechts in Europa zijn nu laag- of ongeschoolden die aan de onderkant van de samenleving een marginaal bestaan leiden. Maar voor de Tweede Wereldoorlog was bijna iedereen, ook leden van elites, doordrongen van jodenhaat, zo redeneert Weiss. Die constatering is van belang om geweldsuitbarstingen elders in de wereld te kunnen verklaren. Want volgens Weiss was voor de nazi’s een open, tolerante en humane samenleving de grootste vijand en is dat voor de verantwoordelijken van hedendaagse ethnic cleansing ook zo. Daarom vindt hij het een vergissing als de grote fouten van onze tijd vanuit de Verlichting worden verklaard.

The Politics of Hate is meer dan een boek over de holocaust en Duitse gruweldaden. Het is een verdediging van moderne westerse liberale waarden en de poging van een Amerikaans holocausthistoricus met zijn eigen tijd in het reine te komen.

John Weiss

The Politics of Hate: Anti-semitism, History, and the Holocaust in Modern Europe

Uitg. Ivan R. Dee (Chicago), 246 blz., € 33,60