‘jodenstreken’

Joden en geld - Hadassa Hirschfeld van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (Cidi) kent ze goed, de stereotypen die daarmee spelen: ‘Het vooroordeel luidt dat joden altijd aan geld denken, overal een handeltje in zien en oneerlijke zakenmensen zijn.’ Het antisemitische stereotype van de joodse handelaar komt volgens Hirschfeld op verschillende niveaus tot uiting. ‘Ik vond in ons archief uit 1987 een tekst van een scheurkalender: “Wat is een optimist? Iemand die iets koopt van een jood en hoopt het met winst te kunnen verkopen.” Ronnie Naftaniel kreeg onlangs een brief met de tekst: “Een jood blijft een jood en geld blijft nummer een.” Dat nemen wij dan voor kennisgeving aan.’

Bij het Cidi komen maar af en toe meldingen binnen die specifiek over joodse geldzucht gaan. ‘Het heeft met gewenning te maken’, veronderstelt Hirschfeld. 'Als joden horen “Vuile rotjood, ze hebben je vergeten te vergassen”, geven ze dat aan ons door. Maar als iemand zegt: “Joden en handel, he, altijd kijken of je nog wat kan verkopen”, gaan joden over tot de orde van de dag. Je hoort het zo vaak, je bent eraan gewend. Vaak zijn dat soort teksten afkomstig van mensen die zich thuisvoelen in het gezelschap van joden en willen laten zien dat ze denken te weten hoe het er in joodse kring toe gaat.’
Het vooroordeel dat joden alles gebruiken om geld uit te slaan, speelt ook een rol in de bewijslast van het revisionisme. Hirschfeld: 'De revisionisten, de ontkenners van de holocaust, bepleiten dat joden beweren vervolgd te zijn om zodoende Wiedergutmachung te incasseren. Het financiele aspect vindt altijd wel een plekje in de redenering van dergelijke mensen. There’s no business like shoah-business, en alle varianten hierop. Leon de Winter die zijn identiteit uitvent, is een Nederlandse variant daarvan.’
In 1995 maakte het Cidi twee zaken aanhangig waarin een antisemitische relatie werd gelegd tussen joden en geld. Een man uit Kortenhoef schreef dit voorjaar tot twee maal toe in een column in het plaatselijke huis-aan- huisblad van ’s-Graveland een volstrekt onbegrijpelijk artikel over joden, waarin hij onder meer het verschil tussen echte en valse joden uitlegde. De valse joden bleken te vinden te zijn 'overal waar winst en eer te behalen is en waar de overheidskassa rinkelt’. Het Cidi tekende protest aan bij de Raad voor de Journalistiek en won. Ook de burgemeester van ’s-Graveland distantieerde zich openlijk van het blad.
Een andere kwestie in 1995 betrof de uitgave van een woordenboekje getiteld De taal van Haaksbergen. Daarin worden onder het lemma 'Jorre’ (jood) Twentse uitdrukkingen genoemd als 'Je mot ni jodn’ voor 'Je moet niet afdingen’, “k loa mi ni bejodn’ voor 'ik laat me niet bedriegen’ en 'ne roomse jorre’ voor 'een katholiek die niet eerlijk is’. Op verzoek van het Cidi legt uitgever De Twentse Academie nu een inlegvel in het woordenboek met de tekst dat deze uitdrukkingen kwetsend zijn.
Wat vindt de gemiddelde Nederlander nu van joden? In 1991 deed P. L. H. Scheepers een onderzoek naar meningen van Nederlanders over joden. Scheepers, inmiddels hoogleraar maatschappelijke vooroordelen in Nijmegen, confronteerde de proefpersonen in zijn enquete met standpunten over joden. De geenqueteerden moesten zeggen of zij het helemaal eens, eens, eens noch oneens, oneens of helemaal oneens waren met het standpunt. De uitspraak 'Met joden zaken doen, is oppassen geblazen’ werd onderschreven door achttien procent van de deelnemers. 'Joden zijn financieel machtig’ klopte volgens veertien procent en dat 'joden uit zijn op geld’ vond twaalf procent van de geenqueteerden een juiste stelling. De overgrote meerderheid antwoordde op de drie stellingen overigens 'helemaal mee oneens’ of 'mee oneens’.