Obama vs Romney: De Republikeinse kiezer

Joe and Suzie

De diepgelovige christen, de overtuigde ­markt­fundamentalist, de ouderwetse zuiderling, de boze anti-intellectueel. Wie zijn de mensen waar de Republikeinse Partij altijd weer op kan vertrouwen?

Het is voor sommigen moeilijk om Republikeinse kiezers in hun directe omgeving te vinden. Zelf hoef ik daarvoor nooit ver te zoeken. Mijn zwager stemt Republikeins, net als zijn vrouw en een aantal van mijn beste vrienden, stuk voor stuk intelligente, verstandige mensen. Wat bezielt hen?

Neem mijn zwager Mike. Hij woont in New Jersey, is ingenieur en werkt als manager bij een groot liftenbedrijf, meestal aan projecten op Manhattan. Niet iemand uit de krochten van de plattelandsafdeling van de Republikeinse Partij, waar ze onder stevige sociale druk schattige meisjes op de lokale high school een chastity marriage opdringen met hun vader en zelfs bij incest abortus willen verbieden. Nee, mijn zwager komt niet uit de boondocks.

Nou ja, New Jersey. New Yorkers kijken neer op hun buurstaat, maar Mike woont er al decennia. New Jersey is een staat met hoge belastingen die vele min of meer corrupte Democratische gouverneurs kende. Mike heeft weinig op met Democraten. In zijn evangelisch-christelijke gemeenschap zijn er maar weinig mensen die Democratisch stemmen. Niet vanwege die corruptie of de belastingen, maar gewoon omdat ze sociaal-conservatief zijn. Democraten, dat zijn van God losgezongen losbandige lieden, die ook nog eens de overheid gebruiken om allerlei ongure types te helpen op de bonnefooi te leven.

Zoals dat gaat in modern Amerika: over geloof of sociale waarden praat ik niet met Mike. Eigenlijk al niet meer sinds zijn bruiloft, lang geleden, toen ik op een alcoholloos met Jesus-rock gelardeerd feest als enthousiast maar onbeschoft reporter zijn vrienden doorzaagde over hun conservatieve waarden. Het werd terecht niet gewaardeerd en later die avond, toen ik met Mike’s vader, mijn latere schoonvader, boven aan de bar een whisky dronk, vroeg ik me af wie er nu gek was: ik met mijn gezeur en behoefte aan een borrel, of die mensen beneden die daar gewoon gezellig dansten. Ik kan me Mike’s reactie voorstellen op de _Maarten for President-_programma’s en Maarten van Rossems luid verkondigde overtuiging dat minstens de helft van Amerika volstrekt geschift is. Hij zou vragen: wie was hier nou eigenlijk de malloot?

Mike’s vrouw was jarenlang onderwijzeres van achterstandskinderen. Ook born again, rechter in de leer dan haar man, maar altijd betrokken bij het onderwijs. Ze vond het soms moeilijk om de harde Republikeinse lijn te volgen op dit gebied, dat gemeenschappen het zelf maar moeten uitzoeken, en ze voelde zich vaak beledigd als Republikeinen riepen dat leden van de onderwijzersvakbond zelfzuchtige klaplopers zijn. Maar vanwege de conservatieve waarden en haar kritische houding tegenover de overheid, en vooral vanwege de irritante kijk-mij-eens-beter-zijn-houding van progressieve Democraten, stemt ze Republikeins.

Ik kan ook vertellen over Republikeins stemmende kennissen op het platteland die zelden een Democraat in het wild ontmoeten. Die op hun autoradio luisteren naar radio­terrorist Rush Limbaugh en ’s avonds bij Fox News alleen maar wild ogende liberals zien die zich uitsloven om van Amerika een Europese socialistische heilstaat te maken. Of over Andrew, mijn studievriend in New York, een expert in de buitenlandse politiek met een rijke clientèle op Wall Street. Hij vindt Democraten sissies, onbetrouwbaar en ongerechtvaardigd zachtmoedig. En hij betaalt liever minder belasting.

Republikeinse kiezers. In onze Hollandse geborneerdheid neigen we ertoe, mede aangevuurd door Van Rossem – voor een gratuit bon mot altijd welkom aan onze nationale borrel­tafels – om deze Amerikanen te zien als vreemde wezens, zo niet van Mars afkomstig dan toch uit Kansas of Nebraska, wat bijna net zo ver weg is. Mafketels, dommeriken of erger. Deze visie is, laat ik er geen doekjes om winden, net zo onzinnig als het idee van sommige Amerikanen dat Obama een typisch Europese socialist is.

Zo’n 45 procent van alle opgekomen kiezers stemt altijd Republikeins, zoals ook 45 procent zonder nadenken Democratisch kiest. De tien procent ertussenin beslist de verkiezingen. Maar die Republikeinen, wie zijn dat?

Om te beginnen is Amerika als geheel conservatiever dan West-Europa. Amerikanen zijn geloviger, niet alleen in God maar ook in Amerika. Ze menen dat burgers zelf verantwoordelijk zijn voor succes of falen en dat de sociale mobiliteit in de Verenigde Staten groter is dan waar dan ook. Dit laatste is een misvatting die mede leidt tot de enorme kloof tussen arm en rijk, maar de werkelijkheid is dat ook arme Amerikanen er zo over denken. Marx zou het vals klassenbewustzijn noemen, Amerikanen noemen het de American Dream. Bovendien denken alle Amerikanen, of ze nou driehonderdduizend of dertigduizend dollar verdienen, tot de middenklasse te behoren. Dat maakt de communicatie soms wat lastig.

Politiek wordt het Amerikaanse conservatisme versterkt door een oververtegenwoordiging van dunbevolkte plattelandsstaten in het Congres en het kiescollege. Dankzij de deal die in 1776 werd gesloten tussen de dertien oorspronkelijke staten (klein en groot) heeft elke staat twee senatoren, of het nou om Californië gaat met zijn 37 miljoen inwoners of om het vrijwel lege Alaska. De Senaat is een conservatief bolwerk. In het kiescollege met zijn kiesmannen, gebaseerd op het aantal Congresleden, zet zich deze conservatieve oververtegenwoordiging voort. De Republikeinse Partij is daardoor erg machtig. In de dunbevolkte staten zijn de kiezers niet alleen conservatiever, ze gaan ook vaker stemmen. Arme sloebers in Detroit, Californië’s Central Valley of de Appalachen komen minder vaak naar de stembus dan arme plattelanders.

Voor een goed begrip van de Republikeinse psyche moeten we vooraf vaststellen dat de twee grote partijen in de VS in de twintigste eeuw programmatisch van rol verwisselden. De Republikein Theodore Roosevelt, aangetreden in 1901, was activistisch, zette veel sociale en reguleringswetgeving op en hij deed een (zwakke) poging om wat aan de segregatie van zwarte burgers te doen. Zijn verre neef Franklin, begonnen in 1933, was nog activistischer, maar hij deed niets aan de segregatie, want hij was een Democraat en dat was destijds de partij waar de racisten in het Diepe Zuiden zich bij thuis voelden. Roosevelt had hen nodig voor zijn grote coalitie.

Die kiezers, yellow dog Democrats – ze stemden altijd op een Democraat, ook al was het een yellow dog – vertrokken na de burgerrechtenwetgeving van de jaren zestig naar de Republikeinen waardoor er weinig sociaal-conservatieven overbleven in de Democratische Partij. Sindsdien is de Republikeinse Partij de dominante partij in het Zuiden, in de suburbs en op het platteland. De Democraten domineren de kusten en de steden. In het Midden-Westen hangt het erom.

Richard Nixon haalde de zwijgende ­meerderheid over om Republikeins te ­stemmen en hield ze bij de partij, geholpen door de Vietnam­oorlog, seks- en drugskwesties en dirty tricks tegen George McGovern. Het netto ­resultaat was dat de basis van de Republikeinse Partij behoorlijk werd verbreed. Alleen Jimmy Carter kon daar in 1976 doorheen breken door Gerald Ford te verslaan, de opvolger van de wegens het Watergate-schandaal afgetreden Nixon.

De jaren zestig bleken een veel dieper reikende splijtzwam, met name vanwege de groeiende cultuurverschillen. Toen in 1973 het Supreme Court vaststelde dat een vrouw zelf over een abortus mocht beslissen kwamen de cultuuroorlogen aan de oppervlakte. Het Amerika van links, tegen de Vietnamoorlog en met libertijnse en rekbare sociale waarden, werd de vijand van de patriottische, met de bijbel zwaaiende, puriteinse en strikt levende Amerikanen. Met de groei van de overheid en een sociaal vangnet waarvan de middenklasse het gevoel had nauwelijks te profiteren, namen de afkeer van big government en de blije, vaak naïeve verheerlijking van de vrije markt toe.

De Republikeinse Partij werd in die jaren de partij van klassieke kapitalistische ideeën en extreem onliberale opvattingen over persoonlijke vrijheid. Omgekeerd werd de Democratische Partij de partij van de bemoeizucht met de ­economie, van ongegeneerd jaren-zestig­hedonisme en een onbeperkt recht op privacy. Het zijn clichés, maar ze bevatten genoeg waarheid om in grote lijnen de partijscheidingen te traceren.

Een rotsvaste Republikeinse basis vormen de diepgelovige evangelische christenen en de in Amerika erg conservatieve belijdende katholieken. Zij stemmen Republikeins vanwege hun sociale waarden, ook als de Republikeinse Partij hun belangen verder in geen enkel ander opzicht vertegenwoordigt. Voor deze kiezers zijn een strikte opinie over abortus (nooit), euthanasie, schoolgebed, homohuwelijk en creationisme absolute markeringspunten. Zij wensen dat de bijbelse normen letterlijk worden gehanteerd. Zij willen dat op scholen niet alleen de evolutietheorie wordt onderwezen maar ook het creationisme, een ‘concurrerende theorie’ die stelt dat de wereld is geschapen volgens het werkplan in de bijbel. Ze gunnen geen ruimte aan mensen die hun geloof niet delen. Het liefst zouden ze hun waarden aan iedereen opleggen, via schoolboards en het Supreme Court. Als dictatoriale puriteinen passen ze in een Amerikaanse traditie: de Pilgrim Fathers met hun theocratie in Massachusetts gingen hen voor.

Deze diepgelovigen vormen geen meerderheid, maar zijn zo fanatiek dat ze binnen de Republikeinse Partij meer dan evenredig veel macht hebben. Ze dwingen Republikeinse kandidaten in de voorverkiezingen naar hun pijpen te dansen. Michelle Bachman, de afgevaardigde die homo’s met behulp van bijbellezen en therapie wilde genezen, en de katholiek Rick Santorum die voorbehoedsmiddelen een bedreiging van de moraliteit vond, waren hun favorieten. Hoewel hun kandidaten vaak falen, juist omdat ze politiek zo rigide zijn, dwingen ze de _middle of the road-_politici om hun naar de mond te praten. Vandaar de flipfloppende Romney die nu weer probeert het midden op te zoeken.

Daarnaast is er een grote groep kiezers die conservatieve economische waarden aanhangen. Sinds Ronald Reagan betekent dat: veel marktwerking en zo min mogelijk regulering. Zie Reagans onzinnige maar effectieve oneliner: ‘The government is not the solution. The government is the problem.’

Maar intussen is er een grote overheid, niet alleen omdat linkse mensen daarmee leuke dingen willen doen, maar omdat het nu eenmaal deel is van een complexe moderne samenleving. En vooral ook omdat veel rechtse mensen leuk profiteren van die overheid, denk aan landbouwbedrijven, de olie-industrie, de geredde banken en auto-industrie, plus elke werknemer met een ziektekostenverzekering die zijn werkgever deels kan financieren via overheidssubsidies. En niet te vergeten de rijken die profiteerden van de belastingverlagingen die president Bush in 2001 doorvoerde.

Je zou ze bijna marktfundamentalisten noemen, maar dat is te veel eer. Het zijn pragmatische kiezers die gevoelig zijn voor de traditionele Amerikaanse retoriek van zelf doen, zelf verantwoordelijk zijn. Niks vangnetten en hulp. Anti-overheid is misschien de beste noemer om deze kiezers onder te vangen.

De cynische afdeling van deze Republikeinse kiezers wordt vertegenwoordigd door The Wall Street Journal, het vlaggenschip van het Murdoch-imperium in de VS, met zijn conservatieve opiniepagina’s en zijn ideologische steun voor supply side-_beleid en _Laffer-curves (de stelling dat hogere belastingen lagere overheidsinkomsten opleveren). Dit zijn kiezers die van oudsher eerder tot het establishment behoren, burgerlijk rechts, aangevuld met nieuw rijke bankiers en papierschuivers op Wall Street. Vroeger werden ze silk stocking Republicans genoemd, nu valt iedereen eronder die denkt dat vrij ondernemerschap hem rijk zal maken en dat de overheid daarvoor een hinderpaal is. Om politiek tactische redenen zijn deze kiezers ook felle tegenstanders van begrotingstekorten, ook al veroorzaken Republikeinse politici meestal grotere tekorten dan Democratische.

De libertarians van Ron Paul vormen een deelgroep van deze economisch georiënteerde Republikeinse kiezers. Zij geloven diep in de heilzame werking van de markt en spreken van ‘de terreur van de overheid’. Hun bijbel is Atlas Shrugged, de omvangrijke roman van hun heilige Ayn Rand. Zij zouden de overheid zo ongeveer willen afschaffen en gaan daarin zo ver dat ze mogelijk niet eens op een Republikein willen stemmen.

Buitenlandse politiek is niet erg stembepalend. Binnen het Republikeinse kiezersbestand zitten zowel isolationisten als rabiate interventionisten. Meestal denken de kiezers hier weinig over na, behalve als er oorlog wordt gevoerd, want dan zijn Republikeinen onversneden patriottisch. Een oorlog beginnen in Iran, zoals sommige adviseurs van Romney willen, spreekt hen niet aan, maar het zal ze er niet van weerhouden om Republikeins te stemmen. Bij deze verkiezingen is het geen determinant.

Dan is er nog de Tea Party, een verzameling Republikeinse kiezers die vooral bestaat uit blanke wat oudere mensen uit de lage middenklasse. Zij zijn niet alleen conservatief in de traditionele zin en anti-overheid in de wat radicalere Amerikaanse zin, ze zijn vooral tegen immigratie en tegen investeringen in onderwijs, sociale voorzieningen en infrastructuur. Wat hen betreft hadden banken, verzekeraars en autobedrijven niet gered hoeven te worden. Dit zijn de angry baby boomers. Zij willen niet betalen voor voorzieningen die nu gaan naar een diverse, etnisch meer gemengde samen­leving dan zij gewend zijn of plezierig vinden. Met andere woorden, ouderen hebben geen zin om solidair te zijn met andere generaties.

Een belangrijke groep Republikeinse kiezers, deels overlappend met de Tea Party, zijn mensen die zich met de nek aangekeken voelen door elitaire, hoogopgeleide Democraten met normen en waarden die niet de hunne zijn. Ze vinden Democraten condescending, neerbuigend. De koele (niet coole) Obama is hun grootste steen des aanstoots. Alle geklaag over het onvoldoende Amerikaans zijn van Obama, en soms het onversneden racisme, komt uit deze hoek, onweersproken door de Republikeinse elite. Zij ergeren zich aan zelfverzekerde, hoogopgeleide mensen als Clinton en Obama met hun selfmade succesverhalen. Clinton mocht een aardige vent zijn, het gerommel met Monica Lewinsky bevestigde niet zozeer dat hij immoreel was, maar vooral dat hij een jaren-zestighedonist was. Obama is voor hen zelfs nog erger. Die mag selfmade zijn, hij ging naar Columbia en Harvard University (zij denken met een voorkeursbehandeling) en was professor. Pointy-headed intellectuals werden altijd al gewantrouwd door de gewone man. Obama is een urban intellectual bij uitstek, heel anders dan Bubba I-feel-your-pain Clinton, en hij mag dan de sociaal werker uitgehangen hebben, hij heeft weinig voeling met de gewone man in verlopen stadjes in de rust belt. Deze Republikeinen wijzen op Obama’s uitspraak in 2008 dat hij wel kon inzien waarom mensen die hun baan, status en hoop hadden verloren zich wentelden in verbittering en hingen aan hun god, hun geweren en hun haat. Een correcte sociologische analyse, maar niet echt overlopend van mededogen.

Er is iets vreemds aan de hand met dit soort ressentiment. Van Bush met zijn rijke achtergrond en Yale- en Harvard-opleiding, McCain met zijn vijf huizen en Romney (Stanford University) met zijn miljoeneninkomen en talloze auto’s accepteren Republikeinen een elitair leven, van Democraten niet. Ook hier lijken de in de jaren zestig begonnen cultuurtegenstellingen de verklarende factor. Met andere woorden, rijk en neerbuigend mag, als je maar dezelfde conservatieve waarden zegt te hebben als de kiezers. Een bijkomstigheid is dat ouderwetse zuiderlingen zich nog altijd met de nek aangekeken voelen door progressieven omdat ze hun segregatie moesten opgeven.

Een niet gering deel van deze kiezers heeft zich ervan laten overtuigen dat Obama een socialist is die Amerika zoals zij het kennen wil omvormen tot een heilstaat Europese stijl. Dat praat en denkt makkelijker. Socialisme is een term die ze historisch nauwelijks kunnen plaatsen, maar het ouderwetse liberal geeft niet goed genoeg aan hoe erg Obama wel niet is.

Je kunt deze bloedgroepen en hun soms wankele samenhang lang en breed analyseren, maar het enige wat de Republikeinen op dit moment verenigt, is het diepe verlangen om Obama naar huis te sturen. Ze vormen de basis van de 45 procent van alle kiezers waarop Romney kan vertrouwen. Het zal van de laatste paar campagneweken afhangen of Romney de noodzakelijke vijf procent extra weet over te halen om op hem te stemmen.

De Republikeinse kiezers die ik ken hebben hun stem al bepaald. Daarvoor hoeft Romney niets meer te doen, zij zijn de vaste aanhangers. Geen malloten, maar keurige en aardige mensen met een andere kijk op de wereld. Henk en Ingrid op z’n Amerikaans. Joe and Suzie.

Van Frans Verhagen verscheen onlangs Van George Washington tot Barack Obama: Alle presidenten van Amerika, Veen, 240 blz., € 9,93

zie groene.nl voor

Dossier Amerikaanse verkiezingen 2012