Joegoslavische sprookjes kennen geen happy end

Ondanks alle bewijzen van het tegendeel gelooft de westerse publieke opinie nog altijd in een Joegoslavisch sprookje met goede afloop. Zij wordt op haar wenken bediend door een hoopvolle berichtgeving over de vrede van Dayton en de volksopstand in Belgrado, waardoor minder geruststellende feiten op de achtergrond raken.

De vrede van Dayton blijkt inderdaad bestendig, maar het is de vrede van het kerkhof waarbij elk zich verzoent met de eigen doden, niet met zijn vijanden. De protesten in Belgrado, hoewel bemoedigend, zijn niet te vergelijken met de Praagse of Roemeense revoluties. En een westers diplomatiek offensief van het soort dat de democratische omwenteling in Oost-Duitsland begeleidde, is Servië evenmin gegund. Daarvoor heeft het westen Milosevic - anders dan Honecker - veel te hard nodig.
Het feit dat de massale protesten in Belgrado worden aangevoerd door de welbespraakte, westers opgeleide filosoof-zakenman Zoran Djindjic (de ‘Servische Kennedy’), wil niet zeggen dat ze democratisch gemotiveerd zijn. De Serviërs zijn uitgeput door de oorlog, de VN-sancties en het economische wanbeleid van hun opeenvolgende regeringen, maar veel demonstranten weigeren in die rampen iets anders te zien dan de hand van de gehate Milosevic. Ze eisen een aandeel in de macht, geen fundamentele verandering van de wijze waarop die macht wordt uitgeoefend of gelegitimeerd.
Het dringt nog niet tot hen door dat de nederlaag compleet is, schrijft de Belgradose politicoloog Pribicevic. Servië is kleiner, armer en geïsoleerder dan vijf jaar geleden. De wellustige ondergangsfantasieën van fatalisten als Vojislav Seselj en Dobrica Cosic - niemand houdt van ons, wij zijn te goed van vertrouwen, het Servische volk is gedoemd om oorlogen te winnen en de vrede te verliezen - gaan ogenschijnlijk in vervulling. Rusland, de panslavistische hoop en toeverlaat sedert Peter de Grote in 1711 zijn mislukte veldtocht langs de Proetrivier ondernam, heeft het Servische broedervolk 'verraden’. Ook de vertrouwde vijanden uit de geschiedenisboekjes staan weer voor de poorten. De Turken (de Servische scheldnaam voor Bosnische moslims) hebben met internationale steun een eigen staat verworven, de Kroaten hebben met Duitse en Amerikaanse militaire hulp de Servische 'aanwezigheid’ in Kroatië weggevaagd en het moederland is overstroomd met vluchtelingen. De internationale sancties hebben het vervolgens economisch op de knieën gedwongen, resulterend in een gierende werkloosheid en een ernstig gedaalde levensstandaard.
Te oordelen naar de gebrekkige informatie uit straatinterviews, communiqués en commentaren in de oppositionele Servische media weigeren veel protesterende Serviërs de hand in eigen boezem te steken. Ze kunnen niet aanvaarden dat de nederlaag het gevolg is van een mislukt politiek project waarvoor ze zelf evengoed verantwoordelijkheid dragen, en niet enkel Milosevic met zijn buitensporige ambities en intriges. Als Pribicevic zijn mededemonstranten eraan herinnert dat ze nog maar kort geleden nationalistische leuzen riepen en enthousiast voor een groot-Servië betoogden, kijken ze hem verbaasd aan en antwoorden dat ze nooit nationalist zijn geweest.
Toch is het nog maar drie jaar geleden dat de verenigde oppositie alle leuzen van Milosevic overnam. De Democratische Partij (DS) pleitte onverbloemd voor de samenvoeging van alle 'Servische’ gebieden in voormalig Joegoslavië, inclusief de Kosovo en de Republika Srpska van Radovan Karadzic. De gewapende opstand van Servische nationalisten in Kroatië en Bosnië werd toegejuicht, het internationale embargo veroordeeld als inmenging in de binnenlandse omstandigheden. Vuk Draskovic, de aanvoerder van de Democratische Alliantie (Depos), noemde Milosevic een verrader van de Servische zaak als hij de Bosnische moslims meer dan drie procent van het Bosnische grondgebied toestond. En de leider van de Burgerbeweging zei tegen de pers: 'Bij de vorige verkiezingen hadden we nog ons eigen programma: tegen elk nationalisme, voor democratie, voor de vrede, maar we werden vernietigend verslagen. Daarom is onze strategie nu dat eerst Milosevic hoe dan ook ten val moet worden gebracht. Vandaar de nationalistische leuzen, want die trekken stemmen.’ Deze redenering met zijn twee kolossale denkfouten verklaart in a nutshell waarom Milosevic de laatste presidentsverkiezing wederom heeft gewonnen.
Ook de internationale gemeenschap is verstrikt in zijn eigen drogredeneringen. Vijf jaar geleden, toen Slovenië en Kroatië hun eerste schreden op weg naar de politieke onafhankelijkheid zetten, oefende het Westen grote druk uit om Joegoslavië bij elkaar te houden. Na het uitbreken van de eerste schermutselingen werd alle hoop gevestigd op de bemiddelingspogingen van de Europese 'buitenland-trojka’. Zij dwongen het zogenaamde Akkoord van Brioni af, waarin Servië en Kroatië definitief hun geschillen bijlegden. Twee dagen later was het oorlog. Sindsdien streefde de internationale diplomatie naar de vestiging of bestendiging van steeds kleinere staatkundige eenheden op een steeds exclusievere etnische basis, resulterend in het Dayton-akkoord waarvoor de steun van Milosevic onontbeerlijk is.
Nu Milosevic’ positie in eigen land omstreden is, kan diezelfde internationale gemeenschap niet met overtuiging aan zijn val meewerken. Na een beleefd protest uit de westerse hoofdsteden tegen Milosevics besluit om de gemeentelijke verkiezingsuitslag te annuleren, bleef het oorverdovend stil. Begin deze week dreigde de scheidende Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Christopher voor het eerst met nieuwe sancties als Milosevic de uitslag blijft negeren, maar hij onderschreef uitdrukkelijk niet de eis van de oppositie dat hij moet aftreden. Men ziet liever dat Milosevic de oppositie gedoogt en opneemt in zijn regime, zodat dat aan legitimiteit wint. In dat geval is de verzoening compleet. De verdrongen schuld van zo'n regime aan de excessen van de laatste vijf jaar sluit immers naadloos aan bij het verdrongen verraad van de internationale gemeenschap aan haar eigen beginselen. Het kan het begin zijn van een mooie, etnisch zuivere vriendschap waarvoor niemand zich hoeft te schamen.