Johan Goudsblom, 11 oktober 1932–17 maart 2020

Ongemak is wat tot denken aanzet, wat tot kennis leidt; hoogleraar sociologie Johan Goudsblom was er zelf het levende bewijs van.

Op 17 maart 2020 overleed Johan Goudsblom, tijdens (maar niet als gevolg van) een mondiale crisis die hem in betere tijden zeker geboeid had. Die dag herlas ik zijn inleiding bij Mensen en hun plagen, William McNeills boek over epidemieën in de mensheidsgeschiedenis. ‘Er zijn nog steeds sceptici die beweren zich onder zoiets algemeens als de mensheid niets te kunnen voorstellen’, schreef Goudsblom. Dit boek ‘kan hen misschien op weg helpen om iets meer van de realiteit die dit soortbegrip aanduidt te beseffen’.

Johan Goudsblom was een onderwijzerszoon uit Krommenie. Hij studeerde sociale wetenschappen aan de Gemeente Universiteit en was redacteur van Propria Cures, met onder anderen Renate Rubinstein, Aad Nuis en, kortstondig, Frits Bolkestein (‘die vonden we eigenlijk niet goed genoeg’, vertrouwde hij me later toe). Als student ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Maria Oestreicher, met wie hij twee kinderen kreeg: Clara en Frank (de namen verraden zowel taalgevoel als levenshouding). Hij promoveerde in 1960 op Nihilisme en cultuur, een even radicaal als redelijk boek over het ‘waarheidsgebod’, Nietzsche en nihilisme, van Socrates tot 1960. In zijn memoires Geleerd (2016) beschrijft Goudsblom hoe hij min of meer toevallig aan de universiteit kwam te werken. Hij bleef zijn hele leven aan, en met, de Universiteit van Amsterdam verbonden.

Goudsblom werd hoogleraar sociologie in 1968, het jaar van de studentenrellen in Parijs en de eerste Maagdenhuisbezetting. Met een soort gestileerde onnozelheid hield hij zich staande in deze roerige tijden. Zo gaat het verhaal dat hij radicale studenten die zijn colleges verstoorden met kritische vragen over het burgerlijke karakter van de sociologie zo geduldig te woord stond dat ze afdropen. Toen eind jaren zeventig het stof was neergedaald was de oude orde verdwenen, inclusief Goudsbloms promotor A.N.J. den Hollander. Maar Goudsblom was er nog, en had zich met een groep jongere collega’s georganiseerd rond de historisch-vergelijkende figuratiesociologie van Norbert Elias.

‘Sociologie is een vorm van betweterij’, luidt de openingszin van Balans van de sociologie (1974). Goudsblom bespreekt daarin de sociologie in het licht van vier criteria: systematiek, reikwijdte, precisie en relevantie. Bijna iedere socioloog schiet tekort. Maar niet Elias, die sociale ontwikkelingen met elkaar verbond en verklaarde uit constant verschuivende afhankelijkheden tussen mensen. Uitdijende afhankelijkheden sinds de late Middeleeuwen noopten mensen tot beheersing, ofwel: civilisatie.

‘Twijfel ik?’ was zijn levensmotto

In de jaren negentig ging hij ‘Elias voorbij’. In Vuur en beschaving (1992) maakte Goudsblom Elias’ programma tegelijkertijd groter en simpeler: beheersing en macht als drijvende krachten van de mensheidsgeschiedenis. De beheersing van vuur gaf mensen steeds meer macht, over andere dieren, en over mensen zonder vuur. Maar deze beheersing vergde ook beheersing: van zichzelf, en van sociale relaties. Zo werden mensen steeds afhankelijker van steeds meer andere mensen. Aan deze verbondenheid werden we de afgelopen weken hardhandig herinnerd.

Voor Goudsblom was de sociologie evenzeer levenshouding als vakgebied. ‘Egocentrisme, etnocentrisme, ideologie, sociologie – vier vormen van oriëntatie in de samenleving, opeenvolgende stadia van onthechting, distantie’, luidt een van zijn aforismen. Vanuit deze alomvattende sociologische levenshouding schreef hij even vanzelfsprekend over milieu, epidemieën, of de ‘uitdijende antroposfeer’, als over schaamte, taal, of ‘het raadsel van de mannenmacht’. Hij onderzocht alles in precieze, bedrieglijk simpele zinnen, wars van jargon of moralisme. ‘Wie al zijn zekerheid van de waarheid verwacht, komt bedrogen uit.’ ‘Schaamte is sociale pijn.’ ‘Net als alle leven bestaat menselijk leven uit materie en energie, gestuurd door informatie.’

Goudsbloms door en door sociologische wereldbeeld doordrong hem van het belang van leren. In zijn afscheidsrede uit 1997 zei hij: ‘Ons leven is één aaneenschakeling van leren en het geleerde onthouden en doorgeven en toepassen.’ Hij vormde generaties studenten en wetenschappers, en begeleidde 29 promovendi, van wie ik de jongste (maar niet de laatste) ben. Ik beschouw Goudsblom als mijn leermeester. Een ongemakkelijk, ouderwets woord, en daarom precies goed. In 1995 leerde ik hem kennen, twee jaar voor zijn emeritaat. Een precies formulerende, tengere man met een verzorgde dictie, altijd correct gekleed, met echte kunst aan de muur van zijn universiteitskantoor. ‘Zeg maar Joop.’

Joop Goudsblom werd een stem in mijn hoofd. Deze stem denkt en leest mee, en laat regelmatig weten dat ik tekortschiet. ‘Onsociologisch.’ ‘Wanzin.’ ‘Dit klinkt mooi, maar ik weet niet wat het betekent.’ Goudsblom leerde me dat schrijven een methode is; een manier om beter te denken. Dat het doel van schrijven is om dingen zo simpel en helder te zeggen dat de lezer denkt dat hij het zelf bedacht heeft. Zoals wel vaker bij Joop, weet ik niet zeker of deze verdoezeling van de eigen ontdekking en inspanning nu heel bescheiden is, of juist verschrikkelijk arrogant. Wat hij mij ook leerde is dat kennis te maken heeft met ongemak. Joop Goudsblom was een van de ongemakkelijkste mensen die ik ken: vol schaamte, aarzeling en twijfel. ‘Twijfel ik?’ was zijn kortste aforisme, en zijn levensmotto. Ongemak is wat tot denken aanzet: wat moet ik hiermee? Uit die vraag komt kennis voort. Juist sociologische kennis, die immers gaat over onze verhouding tot mensen en andere dieren.

Kennis is gestold ongemak, zo precies mogelijk opgeschreven. Dit is de les van Goudsblom, die ik onthoud, doorgeef, en dagelijks toepas.