Johan schaafsma - ‘de slinger van foucault was het eerst van mij’

Johan Schaafsma, Non dacapo. Vassallucci, 100 blz., f29,90
DEZE MAAND verschijnt Non dacapo, de tweede roman van Johan Schaafsma (Leeuwarden, 1944). Schaafsma debuteerde in 1993 met Ontaarde cirkels. Nadat hij het contract voor zijn debuut had ondertekend, schreef hij in ijltempo drie romans, waarvan het filosofische Non dacapo de laatste is.

Non dacapo geeft een beschrijving van gebeurtenissen in de kleine stad Eswood, waar op een plein een slinger van Foucault staat opgesteld. Tijdens een onweersstorm slaat de bliksem in en klinkt er een stem uit de hemel, die de bevolking oproept na te denken over het doel van het leven. Ambtenaren wijzen uit de bevolking zes vertegenwoordigers aan, die gedwongen worden een reis te maken en een antwoord te formuleren. Elke deelnemer gaat een andere weg: over zand, water, sneeuw, klei, drassig land en asfalt. Als de zes in de stad terugkeren en hun oplossingen laten horen, worden zij door de menigte gelyncht.
SCHAAFSMA: ‘Ik ben pas sinds een paar jaar huisman en schrijver. Ik ben begonnen als chemisch analist en heb daarna twintig jaar gewerkt als leraar wiskunde in Leeuwarden. Ik ben in de richting van de wiskunde gedreven uit een hang naar het abstracte. Wiskunde is clean. Maar ik had ook een filosofische belangstelling. Is wiskunde ontdekt of bedacht? Hangt het in de lucht of is het puur een bedenksel?
Men vond mij een merkwaardige leraar wiskunde. Ik voldeed niet aan het prototype. Ik had gevoel voor humor, dat hoorde niet. Je moest stoffig zijn. Ik gaf mijn eindexamenklassen ook altijd tips voor hun leeslijst Nederlands. Ik had daar plezier in. In zo'n klas ik had toch een soort predikergevoel. Wiskunde hoeft niet droog te zijn: je moet dingen in de war schoppen, je leerlingen in verwarring brengen.
Het werd gaandeweg moeilijker. Regelingen, vergaderingen, fusies. Het werd massaler. Ons eigen schoolgebouw werd een bijgebouwtje. Na twintig jaar in hetzelfde lokaal, met dezelfde populatie van vier en vijf havo, merkte ik dat de leerlingen sommige dingen niet langer wisten. Wat een gemiddelde snelheid is, bijvoorbeeld. Ik ben zelf niet gestopt. Het is mij overkomen. Op de ochtend van 25 januari 1989 kon ik fysiek niet meer verder. Als iemand had gezegd: “Je moet eruit of we slaan je kop eraf”, had ik gezegd “Ga je gang.”
Passie is een trefwoord. Ik kan alleen maar iets doen als ik er helemaal in zit. Ik heb me ooit met hart en ziel op de chemie gestort. Maar er was ook een andere passie, die ik op mijn zestiende opdeed. Een passie voor het lezen, hoewel ik voor mijn zestiende nooit een boek ingekeken had. Ik wist van het bestaan van Dik Trom, verder niet. Ik knutselde, ik timmerde. Op mijn zestiende las ik De walging van Sartre. Ik ontdekte in dat boek wat taal kan. Mijn lezen is daar begonnen. Het is een obsessie geworden. Ik had vroeger nauwelijks geld, maar alles wat ik had is in boeken gaan zitten. Maar het was ook de filosofie. Toen ik in 1964 mijn analistendiploma haalde, kreeg ik van mijn collega’s een boekenbon. Men verwacht dat je dan een detective koopt, maar Johan kocht De mensen contra het menselijke van Gabriel Marcel. Ik wilde wel eens weten hoe een criticus van het existentialisme erover dacht.
Het schrijven. Waar begint dat? Je wilt altijd een verklaring, maar meestal kom je niet verder dan enkele waarschijnlijkheden. Ik heb als kleuter al gefascineerd staan kijken naar hoe de melkboer met een potloodje aantekeningen maakte in een opschrijfboekje. Ik heb altijd respect gehad voor boeken. Ik herinner me nog dat ik in de vijfde klas van de lagere school heb leren kaften. Een boek is kostbaar, zei de meester, dat moet zorgvuldig gekaft worden. Al je boeken gebonden hebben lijkt me mooier dan een zeiljacht. Ik hou van het fysieke boek. Liefde voor het lezen, voor de literatuur, voor de filosofie. Het is bezwaarlijk jezelf een denker te noemen, maar het is een kwaal, je kunt er niets aan doen. Er gaat in je kop geweldig veel om.
Het schrijven is met een droom begonnen. Het begin van Ontaarde cirkels is mij echt overkomen. De galerij waar de hoofdloze monniken lopen, heb ik in mijn droom voor mij gezien. De boodschap was tamelijk duidelijk. Een inventarisatie van wat er aan de hand is in de wereld. En of ik dat maar wil rapporteren. Wat ik heerlijk aan het boek vond, was de totale onbevangenheid.
Er komt in Ontaarde cirkels een zin voor die negen pagina’s lang is. Ik hoefde me niet af te vragen of dat wel kon. Ik houd van rijtjes, opsommingen. Het seriele, het in optocht laten voorbij komen van informatie boeit me. Wij willen zo graag dat het een iets met het ander te maken heeft, dat er sprake is van een structuur. Niet dat ik nu zo'n aanhanger ben van de leer van Empedocles, maar lucht, aarde, water en vuur is in de eerste plaats een rijtje. Evenals het zand, water, sneeuw, klei, moeras en asfalt in Non dacapo.
Toen het contract voor Ontaarde cirkels was getekend, ben ik echt gaan schrijven. Ik ben de volgende dag begonnen aan De kroon op de schepping, dat volgend jaar verschijnt. Dat boek heb ik in vier maanden geschreven. Daarna heb ik twee maanden rust genomen en toen ben ik aan nummer drie begonnen en dat was moeilijk. Mijn uitgever vroeg me of ik niet iets kleins kon schrijven, iets voor een tijdschrift.
Met dat idee in mijn hoofd ben ik aan Non dacapo begonnen. Een aardigheidje, een miniatuurtje. Kennelijk werkt het bij mij zo dat ik op zo'n moment denk: ach wat, laat ik eens een doel voor de mensheid gaan formuleren. Als iets luchtigs, iets kleins. Ik schrok daar zelf niet van.
Ik had het verhaal over de sprekende slinger van Foucault snel geschreven, maar niet met het doel er iets zwaars van te maken. Ik heb de slinger van Foucault altijd het mooiste instrument gevonden. In al zijn simpelheid toont het iets geweldigs aan, het draaien der aarde. Sinds ik ervan gehoord heb, zit hij in mijn hoofd. En dat Eco later zijn boek zo heeft genoemd, ach… het is een slecht boek. Die slinger is al veel langer van mij dan dat boek bestaat.
Voor mij was het een gedachtenexperiment. Je stuurt een willekeurig stelletje mensen op pad en vervolgens zie je het wel. Ik wilde geen kardinalen en theologen, maar een gewoon clubje: Arnold de metselaar, Berend de palingvisser, de bejaardenverzorgster, de boerin. Pierre de filosoof heb ik niet buiten de deur kunnen houden. Die heeft zich een beetje opgedrongen, die had ik er liever niet bij gehad, vanwege de luchtige opzet. Dat Arnold de metselaar een geweldige stem heeft, is een autobiografisch detail uit mijn vroege jeugd. Vroeger kwam er bij ons een bakker langs die zo geweldig zong. De bakker werd een metselaar. De Vox Populi, dat wereldomspannend koor, rolde er vanzelf uit.’
'WAT MIJ BOEIT is de kwestie eindigheid-oneindigheid. Wij leven. Het leven houdt op. De zon houdt er over vijf miljard jaar mee op. Maar wij zeggen: je kunt kinderen krijgen en zo eeuwig doorleven. Wij gaan ervan uit dat er nooit een einde aan komt. Vijf miljard jaar is natuurlijk niet niets, je praat over miljoenen generaties, maar als abstract denker neem ik daar geen genoegen mee. Ik moet denken aan de topologie, een vorm van meetkunde waarin lengte geen rol speelt. Iets kan een centimeter lang zijn, of tien kilometer - het speelt geen rol. Ik weet dat ons bestaan op aarde hoe dan ook eindig is.
De oplossingen in Non dacapo zijn gedachtenexperimenten. Ik ben geen voorstander van de een of de ander, ik ben alleen maar de vragensteller. De uitkomst wist ik tevoren niet. Ik heb de mensen op pad gestuurd, dus moest ik ook zelf op pad.
Ik herinner me nog dat de eerste mens op de maan stapte. Dat was de eerste keer dat de aarde van de maan af te zien was en dat iedereen op aarde opkeek naar dat ene punt. Van die afstand is het hier toch maar een gedoe en een gekrioel. We zouden iets gemeenschappelijks kunnen doen. Daarom misschien dat koor van Arnold. Je moet de therapeutische waarde van het zingen niet onderschatten! Een wereldomspannend koor dat elke vrijdagavond zingt; daar kijk je de hele week naar uit. Dan heb je het toch niet langer over erfeniskwesties, of het belang van het rokzadel?’