Bevis Hillier, New Fame, New Love

John Betjeman, de laatste snik van de Nineties

Bevis Hillier

John Betjeman: New Fame, New Love

John Murray, 736 blz., £ 25.-

(herdrukt als paperback, £ 9.99)

Wie over boeken schrijft, moet zien dat hij dat doet in niet te lange zinnen, liefst met woorden van één of hooguit twee lettergrepen. Ai! Het blijkt nu al weer: dat valt niet mee. Het advies ontleen ik aan de manier waarop de Engelse dichter John Betjeman (1906-1984) jarenlang boeken recenseerde voor de Daily Herald, destijds een Labourkrant. Betjeman noemde zichzelf apolitiek. Nota bene tijdens de Suez-crisis liet hij de lezers van zijn column in The Spectator plompverloren weten dat hij «the political stuff» in dat conservatieve weekblad ongelezen liet.

In feite was Betjeman apolitiek op een hoogst militante wijze. Los van zijn poëzie is hij vooral bekend geworden door optredens op televisie, en als «telly star» bleek hij tot de rand gevuld met meningen. Meestal gingen die over de fysieke aanblik van zijn land: het Engelse landschap, dat niet verder mocht worden verpest door industriëlen en projectontwikkelaars, de Britse architectuur, die wat deze geboren excentriek betrof haar hoogtepunt beleefde in dorpskerken en Victoriaanse gebouwen.

Een voorkeur voor het verleden komt ook tot uitdrukking in Betjemans poëzie. «Ik hou van buitenwijken en gaslichten en gothic- revival-kerken en mijnsporen, provincie steden en tuinsteden», meldde hij in de inleiding tot Old Lights for New Chancels. Die bundel verscheen in 1940, toen men in de buitenwijken en tuinsteden van Engeland iedere nacht moest vrezen met bommen te zullen worden bestookt. Overigens was de bard vrijwillig lid van een luchtbeschermingsdienst.

Veel van Betjemans gedichten zijn eerst en vooral vormvast, in hun trouw aan oeroude wetten van rijm en dreun. Dit, gevoegd bij hun thematiek (heimwee naar de kindertijd, prille liefdes, een nostalgisch bekeken Engeland), heeft zijn werk een grote populariteit bezorgd. De laatste twaalf jaar van zijn leven was hij zelfs de officiële hofdichter van Groot-Brittannië. Toch overstijgen deze verzen dat wat ze bij een allereerste aanblik misschien wel eens aankleeft: het «gewone», het insulaire. Zeker, Betjeman was zo Engels als nierpastei. De lezer herkent de winkelketens, de spullen op de ontbijttafel, de protocollen van «tea», de kerkklokken en het gedoe op de bushalte. Maar onder de oppervlakte van deze op papier gestolde stukjes merry old England heersen maar al te vaak verdriet en pijn, schuld en boete, dood en gemis. Uit een gedicht dat Croydon genoemd is, naar de Londense voorstad:

The laurels are speckled in Marchmont Avenue

Just as they were before,

But the steps are dusty that still lead up to

Your Uncle Dick’s door.

Pear and apple in Croydon Gardens

Bud and blossom and fall,

But your Uncle Dick has left his Croydon

Once for all.

Tijdens een voordracht als gastschrijver in Amerika noemt Betjeman zich de erfgenaam van schrijvers als Oscar Wilde en Ernest Dowson: «Ik was de laatste snik van de Nineties.» Uit de ruïnes van die periode, toen zich in de Engelse literatuur rondom het tijdschrift The Yellow Book een «decadent» geheten stroming aftekende, bouwt de dichter een breekbare eigen wereld, die in niets lijkt op het Waste Land van T.S. Eliot of op de marxistische utopia’s van andere tijdgenoten als W.H. Auden en Stephen Spender.

Een bijzondere trek die Betjeman met de schrijvers van de nineties verbindt, is de vlucht in de satire. Neem Max Beerbohm, die aan het eerste Yellow Book een verdediging van de cosmetica bijdroeg. Hij schrok van de reacties en ondertekende zijn bijdrage in het volgende nummer met «D. Cadent», waarmee hij suggereerde dat alles maar een grap was geweest. Toch zijn Beerbohms stilistische middelen zo subtiel dat de vraag of hij iets ook méént er niet toe doet. Precies zo bij John Betjeman. Tom Driberg schreef: «Wat sommige gekken aan Betjeman waarschijnlijk het meest irriteert is dat ze niet weten of ze geacht worden te lachen of niet.» Dat laatste zou kunnen slaan op de verzen waarmee Betjeman een nieuwe verliefdheid celebreert, compleet met naam en toenaam van de aanbeden schone.

Uit zijn biografie blijkt overvloedig dat de dichter de eigenaar was van een licht ontvlambaar hart. Al aan het begin van John Betjeman: New Fame, New Love verneemt de lezer dat de poëet, in 1933 getrouwd met de dochter van een veldmaarschalk, het jaar daarop bij afwezigheid van zijn echtgenote hun huishoudelijke hulp verleidt. (Een ander lid van het personeel, een Duitse dienstbode, meent dat Betjemans voornaam «Shutup» luidt. Want zo spreekt Betjemans vrouw hem steeds aan.)

De verliefdheden komen en gaan in dit dikke boek, evenals de baantjes. Betjeman was (onder meer!) filmcriticus, auteur van reisgidsen in dienst bij Shell, persattaché aan de Britse legatie in Dublin, lid van de propagandadienst British Council en redacteur letteren bij het weekblad Time and Tide. Tussen de bedrijven door leidde hij het hachelijke bestaan van de freelance schrijver. Volgens zijn biograaf wist de dichter nauwelijks hoe hij een zekering moest verwisselen, maar niettemin vulde hij enige tijd een rubriek over huiselijke zaken als «hoe ontstopt men een gootsteen».

De grondige aanpak van biograaf Bevis Hillier zal zelfs bij de meest welwillende lezer nu en dan op enige tegenzin stuiten. Als de auteur je, bijvoorbeeld, deelgenoot heeft gemaakt van het voornemen van Betjeman om naar een Londense huurflat te verhuizen en hij een briefje van de dichter heeft geciteerd over de beide eigenaars van de bewuste flat, dan krijg je daarna prompt anderhalve pagina met bijzonderheden over die twee, gevolgd door drie pagina’s historische en architectonische gegevens betreffende de buurt waar de flat staat. Hoe geïnteresseerd in John Betjeman moet een mens zijn om dit allemaal te willen weten?

De vraag is niet zonder verder strekkend belang, als men nagaat hoeveel biografieën tegenwoordig in verschillende delen verschijnen: Michael Holroyd over Bernard Shaw (vier delen), Norman Sherry over Graham Greene (drie delen), Michael Reynolds over Hemingway (vijf delen). Deze trend — want de opsomming is verre van compleet — schijnt naar ons land te zijn overgewaaid, gezien de beide stevige turven van Léon Hanssen over Ter Braak en die van Harry G.M. Prick over Van Deyssel.

De tendens lijkt weinig gelukkig. De beste biografieën zijn het resultaat van een ontmoeting van twee temperamenten; het streven naar een objectief en allesomvattend beeld zit zo’n ontmoeting in de weg. De wens een objectief en «compleet» beeld van een mensenleven te geven, hoe honorabel ook, is gedoemd te mislukken. Zelfs twintig dikke delen kunnen niet méér bevatten dan geselecteerde momenten en elke selectie is subjectief. Een volgende generatie zal zich een eigen beeld willen vormen van de schrijvers van nu en zal bij de verwerkelijking van dit verlangen alleen maar gehinderd worden door de massieve biografieën van nu, die in zekere zin voor vele jaren de markt bederven.

Een andere bedenking is van minder hooggestemde aard. Vanouds is het bed de ideale plek voor een diepgaande ontmoeting met een medemens. Maar hoe lees je een boek van 736 bladzijden in bed?