12 december 1942 – 20 juli 2013

John Casablancas

De legendarische oprichter van modellenbureau Elite maakte van zijn modellen sterren die groter werden dan het merk.

De zonden van de vader zijn niet die van de zoon. Maar toch. Alleen Julian Casablancas had aan het begin van het nieuwe millennium, als iel mannetje van amper twintig, kunnen uitgroeien tot de belangrijkste frontman van een rockband. Waren de rocksterren van de jaren negentig nog flamboyant stoer op een we will rock you-_achtige manier, Casablancas’ The Strokes waren volledig onverschillig. Tijdens hun optredens zeiden ze zelden iets tegen hun publiek, ze stonden daar, in zichzelf gekeerde tergend hippe verschijningen, in All Stars en skinny jeans voordat de wereld wist wat skinny jeans waren. Geen ellenlange barokke gitaar­solo’s, maar afgemeten, bijna ritmische gitaarriffs. Altijd van die songteksten als _You Talk Way too Much en Don’t Waste My Time, terwijl je toch echt niet het idee had dat de jongens dringender zaken te doen hadden. Casablancas kende zijn bandleden van de exclusieve privé-scholen waarop ze hadden gezeten: het Lycée Français de New York en Institut Le Rosey in Zwitserland, de duurste school ter wereld, scholen vol verveelde rijkeluiskindjes die bij gebrek aan iets beters op hun vijftiende, zestiende al alcohol- en drugsverslavingen opdeden. Julian had heel vroeg alles al gezien, en juist dat maakte hem de perfecte frontman voor de perfecte wat-kan-het-ons-schelen rockband.

In interviews was en is Julian grappiger en levendiger dan je zou verwachten, al was er altijd één onderwerp taboe: zijn vader John Casablancas, de legendarische oprichter van modellenbureau Elite. Hoewel ze tot Johns dood, afgelopen zaterdag, altijd contact hebben gehouden, gaf Julian zijn vader steevast de schuld van al zijn slechte karaktertrekken. Eens vertelde hij een grap die zijn vader hem had verteld, over een groep stieren: een stier zei dat hij tien keer op een dag seks kon hebben, een andere zei dat hij het twintig keer kon doen, een derde stier zei dat hij het minstens vijftig keer kon, waarop de vierde stier zei: ‘Ja, maar niet met dezelfde koe.’ Het was geen heel grappige grap, zei Julian. Maar hij had het idee dat er een levensles in verborgen zat, of dat het in ieder geval iets openbaarde over hoe zijn vader in het leven stond.

John Casablancas, een bonk van een vent, was niet de eerste die een modellenbureau in Parijs oprichtte, in 1972, maar het grote verschil tussen hem en zijn concurrentie, zei hij zelf, was ‘dat alle andere agenten vrouwen waren of homo’s’. Tot dan toe hadden grote modellenbureaus, zoals Ford, ervoor gezorgd dat er een fatsoenlijke werkethiek was in de modewereld: modellen kregen vaste tarieven, de werktijden werden gereguleerd. ‘In veel opzichten was hun aanpak superieur aan die van mij’, zei Casablancas, maar hij behandelde zijn modellen niet als modellen, ‘maar als vrouwen’.

En mooie vrouwen mochten diva’s zijn. In een wereld waarin een model voor een merk werkte, draaide Casablancas dat om: hij maakte van zijn modellen sterren die groter werden dan het merk. Cindy Crawford, Naomi Campbell, Linda Evangelista, Claudia Schiffer, Iman, Heidi Klum. Je zag op de reclamefoto eerst het model en daarna pas voor welk merk ze daar eigenlijk stond. De modefeesten werden uitbundiger, de persaandacht werd overweldigender. De omzet van Elite steeg naar de honderd miljoen per jaar. Ford probeerde Casablancas aan te klagen wegens het ‘stropen’ van meisjes die al bij hem een contract hadden, Casablancas won de rechtszaak. Dit waren de jaren, begin jaren negentig, toen Linda Evangelista in Vogue zei: ‘Voor minder dan tienduizend dollar per dag komen wij ons bed niet uit.’ Dit was de wereld waar een kleine Julian zo blasé van werd.

En ondertussen had Casablancas de tijd van zijn leven. Of tenminste, zijn huwelijk met Jeanette Christiansen, de moeder van Julian, knalde in 1983 nadat Casablancas een hele serie affaires had gehad met piepjonge modellen, met name met Stephanie Seymour; hij was 41, zij 15. In dat uitbundige succes zat natuurlijk al de kiem van de ondergang. In 1999 toonde de bbc een undercover-reportage waarin allerlei Elite-managers opschepten over hun seksuele escapades met modellen. En hoewel Casablancas in de documentaire niet werd beschadigd, was voor hem de lol eraf. Een jaar later stapte hij op. ‘Mijn grootste spijt’, zei hij toen, ‘is dat ik het supermodel heb uitgevonden (…) En de meisjes hebben me er nooit voor bedankt.’

Toch is het maar de vraag of zijn creatie hem nu zal overleven. Het supermodel is niet meer de nucleus van glamour die het ooit was: ooit stonden modellen op de cover van Vogue en gingen dan schnabbelen als presentatrice bij mtv, begonnen een eigen kledinglijn of probeerden – en faalden en masse – als serieuze actrice aan de gang te gaan. Nu is het omgekeerd: het afgelopen jaar stonden er maar één of twee keer fotomodellen op de cover van Vogue. Op alle andere nummers was hun plaats ingenomen door actrices en zangeressen. In een interview met een modeblog vorig jaar voegde Casablancas daaraan toe: ‘En als je ziet wie de modellen zijn die nog op de cover mogen, dan zijn dat vrouwen van dertig jaar oud, soms zelfs veertig.’ Met andere woorden, nog steeds de topmodellen van vroeger; nieuwe aanwas is er niet.

Hetzelfde modeblog vroeg Casablancas of hij ergens spijt van had. Hij was toen al ziek. Zijn antwoord was eerlijk, het antwoord van iemand die niets te verliezen heeft: eigenlijk had hij heel veel fout gedaan. Hij was met de verkeerde mensen in zee gegaan, hij had technische ontwikkelingen niet zien aankomen, had de teneur van mode niet goed ingeschat. En, zei hij: ‘Ik had nooit moeten roken.’

‘Voor minder dan tienduizend dollar per dag komen wij ons bed niet uit’