2 januari 1915 – 25 maart 2009

John Hope Franklin

De Amerikaanse historicus John Hope Franklin, kleinzoon van een bevrijde slaaf, trachtte de betekenis van de slavernij voor de Amerikaanse geschiedenis naar waarde te schatten. Martin Luther King liet zich door hem adviseren, president Clinton speldde hem de hoogste burgeronderscheiding op.

E PLURIBUS UNUM staat er in het wapen van de Verenigde Staten. Uit velen één. Al in 1776, toen het tweede Continentale Congres bij elkaar kwam om zich onafhankelijk van Groot-Brittannië te verklaren en het motto in gebruik werd genomen, was het een gotspe en dat is het nog steeds.
Want wat maakt precies alle driehonderd miljoen Amerikanen tot één? De grondwet is het formele antwoord. En elk jaar verschijnt er wel weer een nieuwe vuistdikke biografie van een van de Founding Fathers, waarin geprobeerd wordt uit te leggen hoe we naar die grondwet en de Federalist Papers (1787; een soort handleiding bij de grondwet) moeten kijken. What would George Washington do? wordt in tijden van verkiezingen door elke politicus gezien als een rendabele vraag. Zou James Madison, if he were alive today, een Democraat of een Republikein zijn? De Jefferson-biografie van Joseph J. Ellis, American Sphinx, van tien jaar terug, zette Jefferson neer als een zodanig paradoxaal, onuitgesproken figuur dat elke zin van de door hem geschreven Onafhankelijkheidsverklaring nog eens onder de loep werd genomen. Toen vorig jaar John Adams op tv kwam, een miniserie naar de voortreffelijke biografie van David McCullough over de tweede president, vulden historici iedere dag na uitzending krantenkolommen met commentaar en kanttekeningen. Het debat blijft eeuwig in beweging.
Veel lastiger is het te benoemen wat alle Amerikanen, alle driehonderd miljoen, mentaal bindt. Maar weinig historici durven zich aan zulke mentaliteitsgeschiedenissen te wagen. Feiten lopen al snel vast in het moeras tussen Democraat en Republikein, oostkust en westkust. Het essay dat de meeste invloed had op het debat over de Amerikaanse geest in de twintigste eeuw, kwam van Frederick Jackson Turner, The Significance of the Frontier in American History, een rede uitgesproken in 1893. De Turner-thesis luidde dat het de frontier was, de fysieke aanwezigheid van een grensgebied met de nog onbewoonde, oningerichte wereld, die de Amerikaan van de Europeaan onderscheidde. De frontier Amerikaniseerde de Europese kolonist – ‘De wildernis overmeestert de kolonist. De wildernis treft hem aan in Europese kleding, werkzaamheden, hulpmiddelen, reismethodes en denken, haalt hem uit de treincoupé en zet hem in de berken kano. De beschaafde kleding wordt van hem afgestroopt en hij wordt uitgedost in een jachthemd en mocassins.’
Frederick Jackson Turner schreef zijn beroemde essay nadat het Censusbureau van de overheid in 1880 had geconstateerd dat er geen frontier meer was. Het was diezelfde overheid die deze bewering onwaar maakte, toen ze binnen tien jaar de overgebleven Indianen verdreef uit wat nu Oklahoma is. In een befaamde land run werd achtduizend vierkante kilometer weggegeven aan wie het wilde hebben – en zo kon de frontier nog één keer worden nagespeeld.
Precies uit dat stuk van Oklahoma kwam John Hope Franklin, geboren in 1915, de kleinzoon van een bevrijde slaaf. Franklin groeide op in Rentiesville, een volledig zwarte stad. Op zijn elfde verhuisde hij met zijn familie naar Tulsa, waar hij de zwarte wijken tijdens rassenrellen in de jaren twintig in vlammen op zag gaan. Hij schreef zich in aan de Universiteit van Oklahoma, maar werd vanwege zijn huidskleur geweigerd.
Franklin week uit naar Nashville en studeerde daar af als historicus aan de – opnieuw volledig zwarte – Fisk universiteit. Getekend door de segregatie die hij had meegemaakt, waagde Franklin zich als historicus aan het zwaktepunt van Turners beroemde thesis: de betekenis van slavernij voor de Amerikaanse geschiedenis. Waar Turner zich richtte op de heroïsche verklaring voor het robuuste karakter van de ware Amerikaan, richtte Franklin zich op het intolerante karakter van diezelfde Amerikaan. In The Militant South, 1800-1861 (1956) beschreef hij de hang naar geweld van zuidelijke blanken. Doordat de blanke opgroeide omringd door slavernij, was hij van kinds af aan ‘een soort huiselijke dictator’. In Reconstruction After the Civil War (1961) beschreef hij hoe de zuidelijke normen en waarden van voor de burgeroorlog juist uitvergroot werden na de burgeroorlog, niet alleen in het Zuiden maar ook in het Noorden. Franklin was een van de eerste historici die kanttekeningen durfde te plaatsen bij het sociale belang van de Emancipation Proclamation, Lincolns verklaring die de slaven officieel bevrijdde, maar intussen niets veranderde aan hun situatie.
Hij schreef zijn belangrijkste boeken – de bekendste is From Slavery to Freedom. A history of African-Americans (1957) – precies toen de VS hun grootste mentaliteitsveranderingen doormaakten. Dit was de tijd van de opkomende burgerrechtenbeweging; Franklin was de leidende historicus die slavernij niet benoemde als een historisch fenomeen, maar als iets wat nog steeds in de geest van de Amerikaan was genesteld. Hij adviseerde Martin Luther King en werkte mee aan de rechtszaak Brown vs. Board of Education, die de apartheidsdoctrine ‘seperate but equal’ verbood op scholen. Over zijn vak zei Franklin: ‘Je zou kunnen zeggen dat de historicus het geweten van zijn land is, zolang eerlijkheid en consistentie factoren zijn die dat geweten kunnen voeden.’
Daarna ging de carrière van Franklin over de toppen van de academische wereld; onderzoeksinstituten werden naar hem vernoemd, hij ontving meer dan honderd eredoctoraten en hij leidde een adviescommissie over rassenproblemen voor president Clinton, die hem de Presidential Medal of Freedom toekende, de hoogste onderscheiding voor een burger.
Franklin was een van die zeldzame historici die zijn lezer niet kritischer doet kijken naar het leven van historische figuren, maar naar het leven van hemzelf. Vorige week overleed hij op 94-jarige leeftijd.