John maynard keynes

Wat zou er van de naoorlogse economie terechtgekomen zijn zonder Keynes? Toch was John Maynard Keynes slechts een amateur op het gebied van de staatshuishoudkunde. Want: ‘Het belangrijkste doel in het leven is de liefde.
VOLGENS EEN beroemde monografie uit de jaren dertig, The Strange Death of Liberal England, stierf het Britse liberalisme in 1914 een plotselinge dood. Het politieke bolwerk van de hogere middenklasse - opgetrokken uit vooruitgangsgeloof, common sense en verlicht eigenbelang - bezweek onder de stormloop van stakende mijnwerkers, suffragettes en Ierse opstandelingen waarmee de nieuwe eeuw opende. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog deden de rest.

Maar de nakomelingen van een historisch tijdperk belichamen zijn waarden soms beter dan de grondleggers. Het Britse liberalisme heeft enkele briljante erfgenamen voortgebracht, en de briljantste was ongetwijfeld John Maynard Keynes, gentleman van beroep, amateur op het gebied van economie, journalistiek, homoseksualiteit, wiskunde, literatuurkritiek en een hartstochtelijk verzamelaar van veelbelovende schilderijen en aandelen. Keynes stierf vijftig jaar geleden, wat op zich geen reden is om aandacht aan hem te besteden, ware het niet dat zijn economische denkbeelden pas in de halve eeuw na zijn dood hun waarde hebben bewezen. Van pakweg 1945 tot ver in de jaren tachtig was zijn standaardwerk The General Theory of Employment, Interest and Money verplichte lectuur voor economen en beleidsmakers. De auteur zelf was echter heel wat minder doctrinair dan zijn volgelingen.
KEYNES WERD geboren in Cambridge op 5 juni 1883, drie maanden na de dood van Karl Marx. Beiden waren econoom, maar overigens is er geen groter verschil denkbaar dan tussen de knorrige Rijnlandse systeemdenker met zijn eeuwige geldzorgen en de zachtaardige, artistieke Cambridge don die geld als water verdiende. Die onthechte superioriteit dankte Keynes in de eerste plaats aan zijn ouderlijk milieu. Zijn vader was lector in de economie, zijn moeder een fervent voorvechtster van vrouwenrechten en de eerste vrouwelijke wethouder van de stad. Dank zij een vrijzinnige opvoeding ontwikkelde Keynes al vroeg een zekere excentriciteit. Als beursstudent op Eton had master Maynard bijvoorbeeld de gewoonte om met zijn medeleerlingen contracten te sluiten. Een leerling, aan wie hij een grote hekel had, bewaarde contractueel vijftien meter afstand tot Keynes in ruil voor de wekelijkse bezorging van een bibliotheekboek.
Na zijn eindexamen schreef hij zich in bij het King’s College in Cambridge, waar hij zijn intellectuele experimenteerdrift ten volle kon uitleven. Binnen een jaar was hij lid van The Society (een dispuut waarvan de leden, apostelen geheten, het zoeken naar waarheid verenigden met homoseksuele genietingen) en van de Midnight Society, waar men elke zaterdagavond om klokslag twaalf uur toneelteksten declameerde. Uit die tijd dateren ook zijn vriendschappen met de schrijvers, wetenschappers en critici van de Bloomsbury Group, wier verachting voor conventies hij deelde, getuige zijn geruchtmakende verhouding met de schilder Duncan Grant. Terugkijkend op die periode schreef hij: ‘Het belangrijkste doel in het leven was de liefde, gevolgd door de creativiteit, het genot van de esthetische ervaring en het verwerven van kennis. Van al die zaken was de liefde veruit de belangrijkste.’
Na zijn studie was Keynes het liefst een eigen bedrijf begonnen, maar omdat hij over onvoldoende geld beschikte, zat er niets anders op dan te solliciteren naar een overheidsbaan. Tijdens zijn korstondige verblijf op het Indian Office (waar zijn belangrijkste ambtsdaad bestond uit het verschepen van een fokstier van Engeland naar Bombay) werkte hij aan een proefschrift over kansberekening. Het werd zo goed ontvangen dat zijn alma mater hem als docent aanstelde.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog weigerde Keynes dienst - niet om dat hij het gebruik van geweld verwierp, maar omdat hij de beslissing om het te gebruiken niet aan een ander wilde toevertrouwen. Hij bracht de oorlogsjaren door op het ministerie van Financien, waar hij volgens sommigen meer bijdroeg aan de overwinning dan enige andere burger. Terwijl de Dikke Bertha de Parijse boulevards beschoot, bestreed Keynes de vijand aan het deviezenfront. Op een dag wilde het ministerie een Spaanse transactie uitvoeren. Men vroeg aan Keynes of er nog peseta’s in kas waren. 'Jawel, maar die heb ik verkocht’, zei hij tot ieders ontsteltenis, 'ik ga de markt opblazen.’ Aldus geschiedde, waarna het ministerie de goedkope peseta’s voor het oprapen had.
Als topambtenaar werd hij in 1918 gedetacheerd bij de vredesbesprekingen in Versailles, maar hij nam ontslag omdat de wraaklust van Clemenceau jegens Duitsland de overhand kreeg boven de verzoeningsgezindheid van Wilson. In een toornig pamflet, The Economic Consequences of the Peace, schreef hij dat de monsterlijke herstelbetalingen die de Geallieerden aan Duitsland oplegden, de Europese economie blijvend zouden ontregelen en 'een nieuwe, nog barbaarsere oorlog’ uitlokken. Hij zou binnen twintig jaar gelijk krijgen.
Terug in Cambridge verwierf hij zich in korte tijd een fortuin met aandelen en trouwde hij met de Russische balletdanseres Lydia Lopokova, de ster uit Diaghilevs ballets russes en een spectaculaire schoonheid, wier opzwepende cancan door de jonge Picasso in een aantal schetsen is vereeuwigd. Hun 'kleinburgerlijke’ huwelijk was aanleiding tot een forse ruzie met de Bloomsbury Group, maar Keynes onderging de bijtende spot van Virginia Woolf c.s. in stijl, dat wil zeggen zonder een wenkbrauw op te trekken. Hij had al gauw belangrijker zaken aan zijn hoofd. De depressie van de jaren dertig bracht hem op het idee voor zijn grote werk, de General Theory, waarin hij korte metten maakte met de opvatting der klassieke economen dat crises vanzelf overgaan - een opvatting waarvan iedereen de onhoudbaarheid inmiddels zelf had kunnen vaststellen.
In het kort kwam Keynes’ theorie erop neer dat economische stagnatie wordt veroorzaakt door onderbesteding. Als mensen hun geld oppotten in plaats van het uit te geven aan produkten, zullen ondernemers minder investeren. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: afname van de investeringen leidt tot werkloosheid, werkloosheid leidt tot vermindering van koopkracht bij de burgers, en verminderde koopkracht leidt weer tot een verdere afname van de investeringen en meer werkloosheid. Als oplossing beval hij het scheppen van werkgelegenheid door de overheid aan, ook als daardoor tekorten op de begroting ontstonden. Die tekorten zou men weer kunnen aanvullen zodra de economie aantrok.
Keynes’ voorstel voor een grotere overheidsbemoeienis werd door klassieke economen aanvankelijk als ketterij beschouwd en door marxisten als bedrieglijk en zelfs fascistisch afgedaan. Maar zijn opvattingen wonnen geleidelijk terrein door het voorbeeld van president Roosevelt, die met zijn op overheidsstimulering gebaseerde New Deal de ergste uitwassen van de crisis wist te bestrijden. Gedurende de oorlogsjaren, met hun van staatswege gestimuleerde volledige werkgelegenheid, moesten ook de hardnekkigste tegenstanders Keynes’ gelijk erkennen. Ondanks een hartaanval vervulde hij tijdens de oorlog talloze regeringsopdrachten, had hij een belangrijke vinger in het Beveridge Report dat de grondslag legde voor de naoorlogse sociale zekerheid en lanceerde hij op de conferentie van Bretton Woods met succes zijn idee voor een stelsel van vaste wisselkoersen, ondersteund door een wereldbank en monetair fonds. Toen hij als gevolg van een tweede hartaanval in 1946 overleed, was zijn invloed niet meer weg te denken.
Toch bleef Keynes tot op het laatst een amateur in de beste betekenis van het woord. De pretentie waarmee de neoklassieke modellenbouwers en volautomatische cijferklutsers van tegenwoordig hun voorspellingen doen, was hem volkomen vreemd. Toen critici tegenwierpen dat zijn theorie op de lange duur problemen veroorzaakte, antwoordde hij laconiek: 'Op de lange duur zijn wij allemaal dood.’
Die uitspraak zouden ook de laatste verstokte keynesianen ter harte moeten nemen. Keynes had niet de pretentie om de gebreken en problemen van de vrije markt tot in alle eeuwigheid op te lossen. Zijn bestedingstheorie was een nuttig instrument in handen van regeringen om de slingerbewegingen van de conjunctuur te beheersen, zoals de naoorlogse groeicurve van de westerse industrielanden aantoont. Maar de lezer zoekt in zijn werk tevergeefs naar oplossingen voor de structurele problemen van de jaren negentig: de onverenigbaarheid van economische groei en milieubehoud, de massawerkloosheid als gevolg van de automatisering, en de toenemende tegenstellingen tussen arm en rijk, stad en platteland en eerste en derde wereld. En de waarheid gebiedt te zeggen dat Keynes, als hij nu leefde, de eerste zou zijn om dat te erkennen.