Democraten zoeken een echte kerel naast Kerry

John McCain, een echte kerel

In de Amerikaanse politiek bestaat een grote kloof tussen de stem van de vrouw en die van de man. De man stemt liever op een macho. Jammer voor de Democraten, die daarom senator John McCain proberen te paaien als running mate van John Kerry.

«De camera zou nu wapperende palmen in beeld moeten brengen», grapte de Amerikaanse senator John McCain vorige week in het veel bekeken programma Meet the Press. Hij verwees naar een merkwaardig incident eerder in het jaar, toen Colin Powell vanuit het Midden-Oosten in de uitzending was en er plotseling, na een lastige vraag, palmen waren te zien in plaats van het gepijnigde gelaat van de minister van Buitenlandse Zaken. Een adviseur had de camera opzij geduwd om de bewindsman uit het zicht te krijgen.

McCain zei dit in reactie op de vraag of hij zou overwegen als tweede man van de Democratische partij de verkiezingen in te gaan, indien presidentskandidaat John Kerry hem dat zou vragen. Speculaties daarover doen al weken de ronde. Daardoor staat McCain in deze presidentscampagne weer midden in de aandacht, net als vier jaar geleden. Toen probeerde hij de Republikeinse presidentskandidatuur in de wacht te slepen. Hij leverde destijds een fel gevecht met George Bush junior, die een veelvoud van McCains campagnegelden tot zijn beschikking had. De markante senator uit Arizona versloeg de telg uit de oliedynastie in New Hampshire, de eerste staat waarin kiesmannen waren te vergaren. De McCain-Train, een heuse locomotief met wagon waarmee McCain door het land reisde, liep aanvankelijk gesmeerd. Uiteindelijk dolf McCain toch het onderspit tegen de door multinationals — waaronder Exxon — gesponsorde zoon-van.

Aan zijn verlies en aan de keiharde aanvallen uit het Bush-kamp hield McCain een paar forse frustraties over: de familie Bush en de president in het bijzonder, en het systeem voor campagnefinanciering. Hij nam dat systeem op de schop met een geslaagd voorstel tot wets wijziging. Bush ondertekende na tegen stribbelen de wet, maar gunde het de senator niet daarbij aanwezig te zijn.

Nu staat John McCain in de belangstelling van de pers als mogelijke vice-president. De gedachte komt niet uit de lucht vallen. McCain werkte jaren geleden al intensief samen met John Kerry, onder meer in een commissie die de laatste nog levende, in Vietnam vermiste soldaten probeerde op te sporen. In maart van dit jaar verdedigde McCain de Democratische presidentskandidaat toen het kamp-Bush suggereerde dat Kerry weke knieën heeft als het aankomt op defensie. «Als je vrienden in het nauw komen, hoor je voor ze op te komen, anders heeft de politiek je verziekt», zei McCain.

Kerry had hetzelfde vier jaar eerder gedaan, toen McCain constant onder vuur werd genomen door het Bush-kamp. Niemand was dan ook verbaasd toen Kerry afgelopen week Republikein McCain noemde als mogelijke opvolger van Rumsfeld. Kerry zegt frequent aan de telefoon te hangen met zijn «beste vriend in de senaat».

Het flirten met McCain blijft niet beperkt tot Kerry en begon al in de eerste dagen van de voorverkiezingen. Er ging toen nauwelijks een dag voorbij dat kandidaat Joe Lieberman niet sprak over «zijn zeer goede vriend» McCain. Lieberman liet zelfs twee verkiezingsclipjes maken voor de voorverkiezingen in New Hampshire waarin zijn politieke verbond met McCain centraal stond. Toenmalig kandidaat Gephardt had volgens hemzelf «de strijd voor de hervorming van het systeem van campagnefinanciering geleid aan de zijde van senator John McCain». John Edwards had, naar eigen zeggen, «schouder aan schouder» gestaan met McCain om een bill of rights voor patiënten door de senaat te loodsen. Zelfs Howard Dean, die publiekelijk door McCain werd geschoffeerd, liet een artikel op zijn website zetten met de kop: «De McCain van Vermont».

En Dennis Kucinich, de geestigste maar ook meest kansloze kandidaat (paar keer gescheiden, veganist, twee turven hoog en een sterke gelijkenis met VVD’er Frank de Grave), maakte een geintje tegen een journalist: «Ik heb ook nog ergens een foto waar ik samen met McCain opsta. Die ga ik snel zoeken. Want ook ik zie mezelf als vriend van McCain.»

Moet de roep om McCain serieus worden genomen? Afgelopen week berichtte The New York Times dat zelfs invloedrijke Democraten die genoemd zijn als running mate — onder wie Bill Nelson (Florida) en Bob Kerrey (Nebraska; ook een gedecoreerde Vietnam veteraan) — hopen op het «droomduo». De krant zette het nieuws op de voorpagina. Maar hoewel in Meet the Press duidelijk bleek dat McCain opnieuw geniet van de aandacht, heeft hij het plan categorisch afgewezen. Hij zei onlangs zelfs dat hij op Bush zal stemmen «omdat ik denk dat hij de natie met kracht en helderheid heeft geleid sinds 11 september». Juist die afwijzing maakt interessant hoe het geflirt met McCain kon uitgroeien tot zo’n luidruchtige kwestie.

Het heeft alles te maken met de geringe aantrekkingskracht van Democratische presidentskandidaten op blanke Amerikaanse mannen. Blanke mannen maken maar liefst 39 procent uit van de Amerikanen die daadwerkelijk stemmen. Helaas voor de Democraten ziet slechts één op de vijf blanke mannen zichzelf als Democraat. Die partij moet het hebben van vrouwen van ieder ras en van zwarte mannen. Slechts 26 procent van de blanke mannen denkt in november op Kerry te stemmen. Een recente Newsweek-opiniepeiling leert dat alle mannen tezamen — zwarten, Hispanics, Aziaten, blanken en indianen — Bush met negen procent voorsprong een monsterzege zouden bezorgen. Als alleen vrouwen toegang tot de stembus zouden krijgen, kan Kerry rekenen op een overwinning met maar liefst twaalf procent van de stemmen. Er bestaat in de Amerikaanse politiek een grote kloof tussen de stem van de vrouw en die van de man. En zeker tussen de blanke man en de rest van het electoraat.

Deze cijfers maken begrijpelijk dat de Democratic Leadership Council in de afgelopen jaren het «blanke-mannen-probleem» tot onderwerp van veel conferenties heeft gemaakt. Want filmmaker Michael Moore mag de ene na de andere prijs in de wacht slepen, hij staat voor een klein deel van het stemvolk. Natuurlijk is hier een verborgen variabele in het spel die weinig te maken heeft met de macho-uitstraling van Republikeinse presidentskandidaten: de blanke man doet het economisch gezien niet slecht. Slechts achttien procent van de blanke mannen verdient minder dan 30.000 dollar per jaar en één derde verdient zelfs meer dan 75.000 dollar. Amerikanen met een goedgevulde beurs stemmen vaker Republikeins. Ook wapenliefhebbers zijn voor het grootste deel blanke mannen. Als je wilt dat er geen enkele concessie wordt gedaan aan de vrijheid om rond te lopen met wat voor wapen ook, dan moet je niet op een Democraat stemmen.

Maar in de voorkeur voor Republikeinse presidentskandidaten speelt meer dan huishoudelijke calculatie en het verlangen een fallisch uithangbord mee te torsen onder de broekriem. Uit peilingen blijkt dat de mannelijkheid van de kandidaten veel blanke mannen het Republikeinse kamp in jaagt. Dat verklaart de Democratische neiging McCain het hof te maken. Want het moet gezegd: McCain is een kerel. Hij heeft acht jaar in Noord-Vietnamese gevangenschap verkeerd. Hij heeft gevoel voor (ook lompe) humor. Hij praat rechttoe, rechtaan. En hij heeft de krachtige gezichtsuitdrukking van een mannetjesputter die zich door niets van de wijs laat brengen.

Howard Dean had dit ook, maar vergaloppeerde zich door «unmanly» gekrijs. Bovendien ging hij er prat op een «metroman» te zijn, een modebewuste kosmopoliet die het oogpotlood niet schuwt en een fijne neus heeft voor dure luchtjes en fijnzinnig vormgegeven schoenen. Daarover hoor je McCain niet. Bovendien lijkt de rondborstige Republikeinse rebel niet op «een oude vrouw», een verwijt dat John Kerry wel is gemaakt. In zijn campagne heeft de zestigjarige, één meter negentig lange en broodmagere Kerry nog een wedstrijdje ijshockey gespeeld, maar dat wekte eerder hilariteit dan dat de beelden zijn mannelijkheid oppoetsten. Anders dan Dean lijkt hij niet de man die de «dude-vote» binnen kan halen, de stem van de blanke Amerikaanse man.

Ook een aan mannelijkheid verbonden notie van betrouwbaarheid heeft daarmee te maken. 61 procent van de stemmers gelooft dat Kerry «niet zegt wat hij meent», maar «wat de mensen willen horen». Slechts 39 procent van de stemmers denkt dit van Bush. Vrouwen anticiperen waarschijnlijk op de vermeende onbetrouwbaarheid van Kerry wanneer zij op het enquêteformulier invullen dat Kerry als president eerder een einde aan de oorlog zal maken dan George W. Bush. Kerry’s uitspraken uit het afgelopen jaar wijzen immers niet in die richting. Hij zei in februari dat hij het Bush «niet kwalijk neemt dat hij te veel doet in de oorlog, maar te weinig». En hij meende ook dat zij die nog altijd tegen de oorlog zijn «niet het oordeelsvermogen hebben om president te kunnen zijn, noch over de geloofwaardigheid beschikken om tot dit ambt te worden geroepen». Kerry sprak zelfs over zijn «permanente bereidheid om directe militaire actie te verordonneren», ook wanneer het bondgenoten betreft.

Kennelijk heeft Kerry het nodig om als een grotere havik uit de hoek te komen dan Bush ooit durfde en nodig achtte. Het helpt vooralsnog weinig. Nog in april meende 54 procent van de Amerikanen dat Bush «de situatie in Irak» beter leidde dan Kerry dat zou doen. En zelfs in de peilingen van deze week meent 55 procent dat Bush de betere man is om de strijd tegen het terrorisme te leiden. 38 procent meent dat die oorlog in betere handen is bij Kerry. (Alleen in de economie scoort de Democraat Kerry beduidend hoger dan Bush.)

De succesvolle Texaanse mix van religiosi teit, anti-intellectualisme («they misunderestimate me») en machismo heeft Bush een mannelijk statuur opgeleverd waaraan vooralsnog niet wordt getwijfeld. En juist door het stevige fundament van deze pijlers kan hij wellicht met meer gemak dan Kerry militairen terugtrekken uit Irak. Kerry heeft de schijn immers al tegen.

Wellicht kan alleen een uitgesproken oorlogszuchtige man, het liefst een die met even wijde benen loopt als Bush en McCain, en bij voorkeur uit een even zonnige staat, Kerry helpen als running mate. Voor de opiniepeilers is duidelijk dat Kerry weinig kans zou maken — mochten er nu verkiezingen worden gehouden — als hij Hillary Clinton op het stembiljet opvoert. Veel beter doet hij het met de zuidelijke senator John Edwards. Maar helaas, Edwards voldoet op geen enkele manier aan het signalement dat de Democratic Leadership Council op haar conferenties in elkaar zette. Edwards is een gesoigneerde man die er op 51-jarige leeftijd nog altijd uitziet als dertig. Hij heeft geen cowboylaarzen met zijn naam erop. Hij beschikt niet over een ranch en hij oogt als ideale kinderoppas. Het blanke-mannen- probleem laat zich niet zo makkelijk oplossen.