Niet de auteur van één boek

John Rawls, religie en nulleer

Van de invloedrijke Amerikaanse filosoof John Rawls, 24 november op 81-jarige leeftijd overleden, is in Nederland merkwaardig genoeg nauwelijks iets in vertaling beschikbaar. Zijn recente werk biedt een boeiende theorie over de gespannen relatie tussen godsdienst en samenleving.

John Rawls is niet de auteur van één boek, zoals in necrologieën wel wordt gezegd. In zijn oeuvre verschuift gaandeweg de focus op de rechtvaardige verdeling van sociaal-economische goederen naar een pragmatische aandacht voor de relatie tussen een seculiere democratische staat en conflicterende religieuze opvattingen in de samenleving. Gaandeweg, want hij placht eerst via een aantal artikelen en lezingen een idee te ontwikkelen, voor hij het geheel na een tijdje uitwerkte tot een boek. Vervolgens ontwikkelde hij die ideeën verder via weer nieuwe artikelen en lezingen die hij ook weer bewerkte tot een boek. Aan deze werkwijze danken we A Theory of Justice (1971), Polical Liberalism (1993) en The Law of Peoples (1999). Dit hele fascinerende proces valt vanaf 1951 vrijwel op de voet te volgen in de dikke Collected Papers (1999; gere digeerd door Samuel Freeman).

In 1995 hield John Rawls een lezing waarin hij een aantal elementen over de rol van godsdienst in de samenleving uit Political Liberalism verder ontwikkelde. Die lezing groeide uit tot een lijvig artikel dat twee jaar later verscheen onder de titel The Idea of Public Reason Revisited. Niet alleen de laatste substantiële publicatie van Rawls, maar volgens hemzelf ook de culminatie van zijn gedachten over «hoe redelijke burgers en volkeren vreedzaam zouden kunnen samenleven in een rechtvaar dige wereld».

Een van de kernbegrippen in Rawls’ oeuvre is de «overlappende consensus». Daarin gaat hij uit van een sociaal contract tussen de staat en de burgers waarin men het over de basisstructuur van de samenleving eens is. Die structuur geldt overigens alleen voor het publieke domein, want Rawls maakt onderscheid tussen een directe en indirecte manier waarop instituties als het gezin en de kerk onderhevig zijn aan politiek recht. Zo kan de staat niet eisen dat katholieke bisschoppen democratisch worden gekozen. Wat de staat echter nooit of te nimmer zal doen, is ketters een strobreed in de weg leggen, laat staan straffen. Wel kan de staat katholieken bestraffen die intolerant optreden in de openbare ruimte. Of echtgenoten straffen die hun vrouw allerlei burgerrechten onthouden. Of individuele burgers het recht van exit uit een religie waarborgen.

Ook de manier waarop burgers met elkaar communiceren, dient aan zo’n consensus te beantwoorden. Rawls gaat hierbij uit van godsdienstige en wereldlijke doctrines die zelf een alomvattend systeem hanteren, maar in een rechtsstaat via een vertaling daarvan met anderen communiceren. De toespraken van Martin Luther King — de bekendste is de «bergrede» uit 1963 — gelden voor Rawls als een goed voorbeeld daarvan. King gebruikte zowel bijbelse verwijzingen en metaforen als algemene referenties aan gelijkwaardigheid die een breder publiek aanspraken.

Wie een handzame en heldere introductie wil over Rawls’ opvattingen over religie, leze Daniel A. Dombrowski’s Rawls and Religion: The Case for Political Liberalism (2001). De lezer moet echter een kleine beperking voor lief nemen: de katholieke oriëntatie van de auteur. Als het gaat om zaken als de openbare expressie van geloven, heeft Dombrowski de neiging Rawls’ hele hand te nemen. Ook fulmineert hij tegen agnosten die bezwaar maken tegen elke vorm van openbare expressie van geloof, alsof dat in het God Bless America van Bush een probleem is! Rawls’ wat speelsere collega Richard Rorty wees er in Religion As Conversation-Stopper (1994) op dat pas in 1967 Amerikaanse openbare ambten werden opengesteld voor atheïsten en voegde daar onmiddellijk de observatie aan toe dat «no uncloseted atheist is likely to get elected anywhere in the country».

Onjuist is vooral Dombrowski’s suggestie dat volgens Rawls fundamentalisme en politieke islam binnen de consensus kunnen vallen. Zo zien ook progressieve godsdienst wetenschappers als Heiner Bielefeldt en Wilhelm Heitmeyer in Politisierte Religion (1998) in Rawls’ ideeën ten onrechte een uitnodiging tot een ostentatieve openbare aanwezigheid van gelovigen. Net als Boris Slijper van het Amsterdamse Instituut voor Migratie en Etnische Studies, die in 1999 suggereerde dat Rawls voor een extreme aanpassing aan islamitische wetten en regels zou pleiten.

Volgens Rawls is godsdienst echter altijd ondergeschikt aan politiek. Voor veel Amerikaanse gelovigen is het schokkend dat Rawls politieke waarden boven andere stelt en dat hij gelovigen niet als gelovigen ziet, maar als burgers. Hij geeft overigens wel enige aanleiding tot zulke misinterpretaties. Merkwaardig is dat hij in zijn tamelijk afstandelijke oeuvre geen inhoudelijke uitspraken doet over religieuze stromingen, maar in The Idea of Public Reason Revisited opeens met instemming een Nigeriaanse bron uit 1990 aanhaalt, Ali Ahmad, die pleit voor de aanpassing van de sharia aan de vroege soera’s (uit Mohammeds Mekka-periode) omdat die beter bij een moderne samen leving zouden passen. Dat vindt Rawls een goed voorbeeld van een discours binnen de overlappende consensus. Jammer voor Rawls dat er tegenwoordig in Nigeria weer overspelige vrouwen worden gestenigd en dat dezelfde Ali Ahmad nu als sharia-advocaat de praktijk van de sharia zelfs aanbeveelt (NRC Handelsblad, 23 augustus 2002).

Volgens Rawls bestaat de visie op de maatschappelijke orde van burgers uit twee delen: een alomvattende levensbeschouwing en de politieke conceptie van rechtvaardigheid die daaraan valt te relateren. Rawls gaat ervan uit dat iedere burger zowel zo’n politiek concept als een omvattende leer omhelst. Een paar burgers zullen geen omvattende leer hebben, zegt hij in zijn antwoord op Jürgen Habermas’ essay Versöhnung durch öffentlichen Vernunft gebrauch, die zullen een «nul-leer» als agnosticisme of scepticisme aanhangen.

Nulleer. Ik kreeg bij het lezen het gevoel van een koude douche. Moest onmiddellijk denken aan Rawls’ voorbeeld John Locke, wiens tolerantie zich weliswaar uitstrekte tot veel gelovigen, maar niet tot scepticisten en atheïsten. Habermas neemt in Versöhnung durch öffentlichen Vernunftgebrauch dan ook aan dat Rawls werkelijk denkt dat alomvattende religieuze of levensbeschouwelijke doctrines in feite waar kunnen zijn.

Rawls zei dit met zoveel woorden in een (zeldzaam) interview met Bernard Prusak voor het liberale katholieke blad Commonweal (januari 1998; vreemd dat de katholieke Dombrowski daar niet naar verwijst).

Plotseling realiseer je je dat een samen leving als de onze voor Rawls ondenkbaar is. Hij beseft, zo zei Rawls tegen Prusak, dat 95 procent van de Amerikaanse bevolking religieus is. Dat is nu precies wat de beperkingen van zijn overlapping consensus voor ons land aangeeft. Rawls’ opvattingen houden geen rekening met een samenleving waarin niet 95 procent, maar minder dan de helft religieus is. Toen zijn landgenoot Francis Fukuyama tien jaar geleden het einde van de geschiedenis beschreef en de Europese postmodernisten het einde van les grands récits, dacht John Rawls als typische Amerikaan alleen maar aan politieke ideologieën, met name aan het communisme.

Nulleer, je zou het ook als een geuzennaam kunnen beschouwen. Denk aan de volgende uitspraak van Droogstoppel in Max Havelaar: «Er zyn er onder hen, die geen God kennen, onder welken naam ook! Die meenen dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der burgerlyke maatschappy!» Deze observatie van Multatuli kan heel goed gelden voor de manier waarop seculiere Nederlanders de ideeën van Rawls kunnen toepassen. Al geloven we niet meer in de grote verhalen, we vinden inderdaad dat men wetten en regels moet gehoorzamen, naar letter en geest. Daarvoor zijn geen heilige boeken of voorgangers nodig. Omdat we niet over een alomvattende leer beschikken, hoeven we die ook niet te vertalen: ons discours valt letterlijk samen met het door Rawls gewenste discours over de basisinstituties. Meer is niet nodig, al is dat in de ogen van een groot deel van de wereld bevolking, inclusief John Rawls, kennelijk wat kaal.

Grappig is dat we onze situatie kunnen beschrijven in termen uit het oeuvre van Rawls zelf: «het idee van de oerpositie en de sluier van onwetendheid». Rawls introduceerde deze twee begrippen in twee essays uit 1963 en hij werkte ze uit voor A Theory of Justice. Zo belangrijk vond hij ze dat hij ze verder ontwikkelde voor Political Liberalism.

De oerpositie is eigenlijk een rollenspel waarbij we de samenleving helemaal opnieuw mogen inrichten. We hebben daarin geen natuurlijke voorsprong of achterstand (in sekse, leeftijd, sociale of economische positie). Evenmin weten we welke specifieke godsdienstige, filosofische of morele, alomvattende leer we vertegenwoordigen: dat is de sluier van onwetendheid. Welke beginselen zouden dan rationele en redelijke mensen kiezen die tot een faire overeenkomst tussen de vrije en gelijkwaardige burgers leiden?

Rawls kan natuurlijk nooit hebben bedoeld dat wij zijn «oerpositie achter een sluier van onwetendheid» interpreteren als een positie zonder religie of een alomvattende leer. Dit rollenspel is binnen zijn werk relatief het meest bekritiseerd, onder anderen door Habermas en Nozick, terwijl anderen het bij Rawls’ dood zijn belangrijkste idee noemden. Maar het zou een boeiend experiment zijn, louter functionalistische waarden en normen bedenken zonder de hinder van heilige teksten en tradities of een totaaltheorie.

Nederland vormt door zijn seculiere bevolking anno 2002 voor zo’n experiment een uniek land. Misschien even wachten op de verkiezingsuitslag van 22 januari?