Johhny Jordaan op tv

«Johnny heeft nooit een vuist gemaakt»

Binnenkort zendt de VPRO de serie «Bij ons in de Jordaan» uit, over het leven van Johnny Jordaan. «Jiskefet»-acteur Kees Prins ontving een Gouden Kalf voor zijn vertolking van de zanger. «Je zou Johnny meer lef hebben toegewenst.»

«Er is altijd een scène in mijn hoofd blijven hangen», zegt Kees Prins. «Arjan Ederveen stelde voor dat hij mij achterna zou zitten met een drol op een stokje. Dat ging mij nou nét een stapje te ver. Dat grote verschil is er nog steeds: Arjan denkt vanuit het oogpunt van een drol op een stokje. Dat is uiterst geestig, maar te melig. Ik vind dat je dan twee stappen verder moet denken, zodat het een extra betekenis krijgt.»

Prins zwijgt even en zucht diep: «Ja, krijg je dát weer. Ga ik het hebben over oppervlakkige en diepe lagen. Het is zo moeilijk te verwoorden waar humor over gaat.» Hij schuift onrustig met zijn stoel en steekt nog een sigaret op: «Kijk. Iemand begint met een idee en een ander komt met iets waardoor het ineens naadloos in elkaar grijpt. Dan wordt het uiteindelijk nog steeds een drol op een stokje maar dan met de Vijfde van Mahler eronder. Nu ik er zo over nadenk… Misschien hadden we het achteraf toch moeten doen, met dat stokje.»

In de werkruimte van Jiskefet, gelegen in het hartje van de Jordaan, vertelt Kees Prins over zijn tijd op de kleinkunstacademie. Samen met Arjan Ederveen had hij De Duo’s opgericht. Een samenwerking die zes jaar in stand bleef, totdat Prins er genoeg van had en wilde regisseren. «Toen ik zei dat ik ermee ophield vond Arjan dat niet leuk», zegt Prins. «Dat heeft hij me achteraf pas verteld. Op het moment zelf deed hij er iets te stoer over. Maar hij heeft wel een jaar lang met zijn ziel onder zijn arm gelopen. De vriendschap heeft er niet onder geleden. In augustus volgend jaar ga ik zijn nieuwe theaterprogramma regisseren.»

Het is doodstil in het kantoor. Er huppelt geen luidruchtige Michiel Romeyn rond en ook Herman Koch is nergens te bekennen. Vandaag geen nieuwe opnamen voor Jiskefet. Wel zijn overal tekenen zichtbaar van het komende tv-seizoen. In een tussenruimte hangt een kleurrijke bundel vreemdsoortige kleding. Pruiken en andere rekwisieten slingeren in het rond. Een muur is volgeprikt met kaartjes waarop de ideeën voor de komende acht afleveringen in enkele woorden zijn samengevat: De John Travolta’s, Kabouterette Festival, Kaaswinkel, Tennisdames, Kabouters op brommers.

Het trio bestaat bijna tien jaar en nog altijd ontspruiten bizarre grappen aan het gezamenlijke brein. Vanaf december zendt de VPRO weer acht afleveringen uit. Maar er is nog een andere aanleiding om de rust in het kantoor te verstoren. Zo'n vijf jaar geleden las Kees Prins voor het eerst de biografie van Johnny Jordaan door Bert Hiddema. Het tragische levensverhaal ontroerde hem: er moest iets mee gebeuren. Samen met vriend Frank Ketelaar besloot Prins een scenario te schrijven. Het resulteerde in een driedelige dramaserie over het leven van de volkszanger. Voor de regie wisten ze Willem van de Sande Bakhuyzen te strikken, bekend van de serie Oud geld. Afgelopen september werd Bij ons in de Jordaan door de jury van het Nederlands Filmfestival in Utrecht bekroond met een Gouden Kalf voor het beste tv-drama. Kees Prins kreeg voor zijn vertolking van Johnny Jordaan een Gouden Kalf voor beste acteur.

Ziekte en ongeluk beheersten het bestaan van de zanger van het Jordaanse levenslied. Op jonge leeftijd verloor hij een oog, verscheidene hersenbloedingen volgden en hij kreeg suikerziekte. De in 1989 overleden kunstenaar was een kwetsbare, sentimentele man met een gouden stem en een gat in zijn hand. Iemand die zijn roem door zijn vingers zag glippen en die door zijn intolerante omgeving werd afgestraft voor zijn homoseksuele geaardheid. Kees Prins neemt een stevige trek van zijn sigaret en zegt: «Je zou hem meer lef hebben toegewenst. Hij liet het allemaal maar gebeuren. Nooit heeft hij een vuist gemaakt. Over zijn seksuele geaard heid zei hij: God heb me zo gemaakt. En aan zijn hele zangcarrière heeft hij geen cent overgehouden. Hij strooide met geld. Hij had bijna een ton belasting schuld omdat zijn manager Denijs van Roon, beter bekend als ome Nijs, nooit belasting had afgedragen. Wim Sonneveld heeft toen bij zijn advocaat nog een afspraak voor hem geregeld. Maar toen ze daar samen zaten te wachten op ome Nijs zei Johnny: ‹Ik doen het niet. Die man heb ook een moeder gehad.› Hij liep gewoon weg. Op zo'n moment denk je: man, het gaat toch om de centen!»

In 1955 deed Johnny Jordaan mee aan een concours voor Jordaan-zangers in Krasna polsky. Hij bracht het lied De parel van de Jordaan ten gehore en won de finale. In een klap was hij beroemd. Volgens Kees Prins stijgt Johnny nog altijd huizenhoog boven alle andere Jordaan-zangers uit: «Hij zong volkomen vanuit zichzelf. Anderen hoor je het Jordaan-jargon zingen, maar Johnny heeft het uitgevonden. Willy Alberti had bijvoorbeeld zangles genomen. Hij wou zo snel mogelijk van het Amsterdamse accent af, anders zou hij geen plaatjes verkopen. De Jordaan was immers een arme buurt en in die tijd not done. De Vara heeft de platen van Jordaan lange tijd verboden omdat de teksten te platvloers zouden zijn.»

In de eerste jaren van zijn succes werd Johnny Jordaan op handen gedragen. Maar zo gemakkelijk als de volksheld door de zangminnende Jordanezen werd omarmd, zo snel lieten ze hem ook weer vallen toen hij zijn homoseksuele geaardheid niet meer kon verbergen. Prins: «Hij schrok er zo van dat hij zei: ik zou mijn linkerarm wel willen geven als het niet zo was. Hij zat er vreselijk mee. Uiteinde lijk heeft hij het aan zijn vrouw en kinderen moeten vertellen en ze in de steek gelaten.» Van de ene op de andere dag werd Jordaan als een paria bejegend. De vrijpostige Jordanezen bleken in hun hart reactionair. «Een homo werd met een scheef oog aangekeken», zegt Prins. «Misschien dat ze ‹zo'n man› in het café nog wel een biertje gaven. Maar je vrouw en kind in de steek laten, zoiets deed je niet. Het gezin was alles in die tijd.»

Bij ons in de Jordaan is een fictieve verbeelding van het levensverhaal van Johnny Jordaan. De biografie van Bert Hiddema is niet naar de letter gevolgd. Zo voert de film een tweede fictieve hoofdpersoon op. Jacob Derwig speelt neef Arie, die als de persoonlijke chauffeur van Johnny getuige is van de geheime liefdesaffaire tussen de volkszanger en Wim Sonneveld. Of die affaire daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, wordt betwist. Prins: «In een interview met de Gay Krant gaf Sonneveld toe dat hij een verhouding heeft gehad met Johnny. Maar de ex van Sonneveld ontkent het weer. Als je het leven van iemand gaat dramatiseren, doe je ingrepen die niet kloppen. Op een gegeven moment hebben we besloten om te handelen naar de geest van het verhaal. Het ging uiteindelijk om Johnny en de Jordaan. Maar het punt was dat de Jordaan een vage, grijze plek is. Daarom hebben we de persoon van neef Arie in het leven geroepen. Als zijn privé-chauffeur heeft hij als geen ander zicht op Johnny’s leven. De verwijdering die tussen die twee ontstaat, symboliseert de verwijdering tussen Johnny en de Jordaan.»

Het zingen van de levensliederen bleek geen gemakkelijke opgave. In het begin van de opnamen probeerde Prins de zangstijl van de volkszanger exact na te doen. Dat mislukte. «Op een gegeven moment besloot ik: het gaat niet om het imiteren, er moet iets opnieuw geschapen worden. Daarmee viel een last van mijn schouders.»

Zingen is al jaren een favoriete bezigheid van Prins. Zijn groep Moondogs stierf een zachte dood toen hij besloot zich volledig voor Jiskefet in te zetten. «Ik kreeg ook mensen die naar de band kwamen luisteren en dan na afloop tegen me zeiden dat ze weinig hadden gelachen», schampert Prins. «Het begon te veel door elkaar te lopen.» Vaak als hij een Amsterdams café binnenloopt, wekt hij bij vreemden de verwachting dat het «nu echt leuk gaat worden». Het blijkt voor de buitenstaander moeilijk om de man van de komiek te scheiden.

Ook in Bij ons in de Jordaan werkt het soms bevreemdend om Prins zonder enige vorm van zelfrelativering de nummers van Johnny Jordaan te zien vertolken. In Jiskefet treedt hij immers regelmatig op als volkszanger die met bijbehorende platte tongval liedjes zingt. Had hij daar zelf geen moeite mee?

«Tijdens het spelen ging ik wel eens iets te gemakkelijk naar de relativering toe. Maar dan riep Van de Sande me weer bij de les. Ik vind het overigens een misverstand om te denken dat de rollen die ik in Jiskefet speel niet serieus zouden zijn. Leuk doen betekent niks. Je moet proberen leuk te zíjn. Een grappige rol moet je net zo goed doordenken als een tragische rol.»

Aangezien het nieuwe Jiskefet-seizoen eraan komt, is het verleidelijk te vissen naar wat komen gaat. Zalfman, de man met de eeuwige jeuk in het achterwerk, is er andermaal bij. Ook de legendarische beatgroep The Cards maakt een comeback. De leden van Flegma, een nieuwe kunstbeweging, zullen interessante theorieën over de dichtkunst spuien. Maar niets is nog zeker volgens Prins: «Op dit moment nemen we allemaal losse scènes op zonder dat het meteen wordt uitgezonden. Dat is eigenlijk moeilijker werken. Onder tijdsdruk kleun je er af en toe volkomen naast, maar word je wel gedwongen keuzes te maken. Dat is ook een beetje de rock ‘n’ roll van het programma: hoe beter je probeert het te laten kloppen, hoe minder het wordt.»

De grappen die het Jiskefet-trio bedenkt zijn soms moeilijk te doorgronden. «Vaak komt een scène voort uit een stukje muziek», zegt Prins. « Dan denk ik: wat stel ik me hierbij voor? Misschien wel drie mannen in eendenpakken die de trap af lopen. Het resultaat is dat je dan naar iets kijkt wat intrigeert, zonder dat er een bedoeling achter zit.»

Regelmatig vergaat de toeschouwer na een tijdje het lachen. Een aantal jaren geleden was er een scène waarin de Lullo’s voor het eerst ten tonele verschenen. Op het pleintje van een klein Spaans dorp maken de ladderzatte Koch en Prins de buurt onveilig. In eerste instantie een lollige parodie op de stompzinnigheid van twee corpsballen. Maar op het moment dat Manolo, de plaatselijke uitbater, met geweld uit zijn bed wordt gehaald om de twee heren van drank te voorzien, krijgt de scène iets naargeestigs. Als zijn gitaar aan stukken wordt geslagen en Manolo met zijn kop langdurig in de fontein wordt ondergedompeld, vergaat je het lachen en begint de twijfel. Prins: «Ineens denk je: wat een nare mensen. Dat soort types die op vakantie zijn en zich het hele land toe-eigenen. We wilden echt een statement maken. Aan het eind van de scène werden die ballen neergeschoten. We dachten: ze moeten gewoon dood. Heel moralistisch.»

Toch schuwen de makers van Jiskefet het engagement. «Het is gevaarlijk om zoals Freek de Jonge almaar iets van de kansel te verkondigen», meent Prins. «Van Kooten en De Bie hadden daar ook af en toe last van. Dat moet je niet te veel doen, dat nekt je op een gegeven moment.»

Elk seizoen zeggen Prins, Koch en Romeyn tegen elkaar: dit wordt de laatste keer. «We hoeven niet per se bij elkaar te blijven», meent Prins. «Op het moment dat het niet leuk meer is, houden we ermee op. Ik heb genoeg te doen. Ik wil regisseren of andere programma’s maken. Herman heeft zijn schrijven en Michiel wil de grafische kant op en gaan schilderen. Maar op dit moment gaat het goed. We krijgen ze wel weer vol, die acht.»

Het boek van Bert Hiddema over Johnny Jordaan is deze week in een herziene versie uitgebracht.

De driedelige serie Bij ons in de Jordaan wordt vanaf 19 november uitgezonden bij de VPRO.