Johnson en de Jocks

De ‘Jockofobie’ in het hedendaagse Engeland is niet nieuw. Samuel Johnson, denker, essayist en maker van de Dictionary, had ook al een gespannen relatie met Schotland en de Schotten, ‘Jocks’. Engeland viert zijn driehonderdste geboortedag.

Samuel Johnson had een originele definitie voor haver bedacht. ‘A grain’, zo schreef hij in zijn befaamde woordenboek van de Engelse taal, ‘which in England is generally given to horses, but in Scotland supports the people.’ Het was niet de enige keer dat de essayist en lexicograaf zich negatief uitliet over de Schotten. In een discussie met enkele Schotten liet Dr. Johnson zich eens ontvallen dat ‘the noblest prospect that a Scotsman ever sees is the road which leads him to England’. En, o ja, Edinburgh zou het in Engeland goed doen als gevangenis. Schotland, zo kan Johnsons visie worden samengevat, is een slechtere versie van Engeland.
In 1707, twee jaar voor Johnsons geboorte, hadden beide landen een nieuwe staat gevormd, Groot-Brittannië. Het was een verstandshuwelijk, want aan beide kanten van de Muur van Hadrianus heerste argwaan. Voor de Schotten, de ‘Jocks’ zoals ze ook wel worden genoemd, was de eenwording met de Auld Enemy een geschenk. Het veranderde dankzij de vrijhandel binnen het Britse wereldrijk in een welvarende deelstaat. Dat ging gepaard met een levendig intellectueel leven. David Hume, Adam Smith en Robert Burns waren de grote mannen van wat de geschiedenis in zou gaan als de Schotse Verlichting. Voltaire schreef dat men naar Schotland moest kijken voor het beschavingsideaal.
De mening van de Franse Anglofiel werd niet gedeeld voor Johnson en veel van zijn tijdgenoten. Zeker in de jaren zestig van de achttiende eeuw heerste in Londen een ‘Scots Go Home’-sentiment, mogelijk voortkomend uit het gevoel dat de ondernemende Schotten hun succes iets te graag toonden. In haar boek Dr. Johnson’s Londen beschrijft Liza Picard een voorval in een theater aan Drury Lane waar aanwezigen ‘No Scots, No Scots’ riepen toen twee officieren uit het Hooglanderregiment binnenliepen. Op zijn beurt schreef de jonge Schotse advocaat James Boswell in zijn dagboeken over de neerbuigende houding van de Engelsen jegens hem en zijn landgenoten. Hij merkte het overigens vooral bij het veroveren van vrouwen.
Het voorgaande maakt de vriendschap tussen Boswell en de 33 jaar oudere Johnson zo opmerkelijk. De twee hadden elkaar in mei 1763 ontmoet tijdens een tea party bij een boekwinkel aan Russell Street. Johnson maakte meteen een opmerking over de afkomst van de jongeman. ‘Mr. Johnson, I do indeed come from Scotland, but I cannot help it’, verdedigde Boswell zich. ‘That, Sir, I find, is what a very great many of your countrymen cannot help’, spotte Johnson. Over zijn sjofele voorkomen en gebrek aan manieren had Boswell weinig goeds te melden, maar hij hield van Johnsons intelligentie, sarcastische humor en warmte.
De twee liepen vaak arm-in-arm over straat en als een notulist volgde Boswell de vele conversaties waar zijn oude vriend aan deelnam. De aantekeningen zou hij onder meer gebruiken voor The Life of Johnson, de eerste moderne biografie. Boswell was vastbesloten om Johnson, die de hoofdstad zelden verliet, mee te nemen naar Schotland om hem van zijn vooroordelen te genezen. In de nazomer van 1773 maakten de twee een drie maanden durende reis, tegen de klok in, langs de Schotse kust, inclusief de eilanden. Naar hedendaagse maatstaven was het voor de 63-jarige Londenaar, kampend met een zwakke gezondheid, een reis door de Himalaya. Een deel van de reis ging ook nog eens te paard.
Wat Boswell verwachtte, geschiedde grotendeels. Johnson ondervond dat het land zo wild en barbaars niet was. Natuurlijk, in zijn prachtig geschreven reisverslag (‘At our inn we did not find a reception such as we thought proportionate to the commercial opulance of the place; but Mr Boswell desired me to observe that the innkeeper was an Englishman, and I then defended him as well as I could’) mopperde Johnson lustig voort, over het gebrek aan bomen aan de Oostkust, over de gewoonte om de ramen nooit te openen en de ‘kwaadaardige invloed van het calvinisme’. Waarschijnlijk doelend op de bloeiende filosofische cultuur merkte hij op dat de Schotten te veel tijd schonken aan decoratieve, elegante kennis en te weinig aan de praktische kanten van het dagelijks bestaan. Op de Universiteit van St Andrew’s werd, zo schrijft Johnson, zoon van een boekhandelaar, zijn Engelse trots aangetast door een bibliothecaris die beweerde dat geen Engelse universiteit kon tippen aan de verzameling boeken die hij onder zijn hoede had.
Hij toonde zich daarentegen onder de indruk van de vooruitgang en de sociale voorzieningen in het land, gesymboliseerd door het bestaan van een instituut voor doofstommen in Edinburgh. Wat hem vooral trof, was de gastvrijheid. Overal deden de gastheren hun best om het opmerkelijke duo zich op hun gemak te laten voelen. In Aberdeen kreeg Johnson zelfs de Freedom of the City, een soort ereburgerschap. Wanneer Johnson zich, tegen beter weten in, provocerend dreigde uit te laten over de Schotten probeerde Boswell het onderwerp van gesprek snel te veranderen. A Journey to the Western Islands of Scotland is uiteindelijk zo positief en informatief dat het tot op de dag van vandaag het toerisme in Schotland bevordert.
De enige echte aanvaring beleefde Johnson met de vader van Boswell, Lord Auchinclek, een rechter. In zijn eigen reisverslag The Journal of a Tour to the Hebrides schrijft Boswell dat hij Johnson had gevraagd om niet te praten over politiek en religie, wetende dat de Tory en Anglicaan Johnson niets gemeen had met de progressieve gastheer, een Whig en Presbyteriaan. Tijdens het drie dagen durende verblijf, goeddeels binnenshuis dankzij de regen, wisten de twee genoeg andere twistpunten te vinden, zoals de merites van Oliver Cromwell. Als monarchist moest Johnson weinig hebben van deze protosocialist, al zou hij later tijdens de reis moeten toegeven dat Cromwell in Inverness met harde hand voor vrede tussen de verschillende clans had gezorgd, net zoals de Romeinen dat indertijd hadden gedaan in de door hun veroverde gebieden, waar Schotland niet bij hoorde.
Een hoogtepunt was het bezoek aan Flora MacDonald, de Jacobijnse heldin die de opstandeling Bonnie Prince Charlie uit de handen van koning George II had weten te houden na de verloren slag van Culloden. Pikant detail is dat Johnson, ondanks zijn trouw aan het Huis Stuart, sinds 1767 een financiële toelage kreeg van de jonge Hanoveriaanse koning George III, met wie hij goed bevriend was geraakt. Johnsons Jockofobie is bepaald niet eenduidig en hij besefte dat beide landen profiteerden van de eenheid. De vader-zoon-relatie met ‘Bozzy’, zoals hij zijn metgezel en kompaan liefkozend noemde, vormde op zichzelf een bewijs van een nieuwe Britse identiteit.
In het hedendaagse Engeland zal er waarschijnlijk meer aandacht worden besteed aan de driehonderdste geboortedag van Johnson dan aan de verjaardag van de Unie, die twee jaar geleden tamelijk geruisloos voorbij was gegaan. In Engeland leeft nog steeds, of alweer, een Jockofobie. De conservatieve historicus David Starkey noemde het land plagend een ‘feeble litte country’, terwijl de journalist en schrijver Jeremy Paxman mopperde over de heerschappij van de ‘Tartan Raj’ in Westminster. Tegelijkertijd klinkt in Schotland al jaren een roep om hernieuwde zelfstandigheid, al zingen de nationalisten een toontje lager sinds de Royal Bank of Scotland en de Halifax Bank of Schotland door Gordon Brown en zijn minister van Financiën Alistair Darling, Schotten uiteraard, van de ondergang moesten worden gered.
Een verschil met de dagen van Johnson is dat het beledigen van de Schotten niet meer zonder gevaar is. De New Labour-regering heeft bepaald dat Schotten, Ieren en Welshmen net als Pakistani, Indiërs en Jamaicanen etnische minderheden zijn. De politie in Wales verrichtte zelfs onderzoek naar Tony Blair nadat spindoctor Lance Price in zijn dagboeken had geopenbaard dat de premier tijdens woedeaanvallen enkele keren over de ‘F…… Welsh’ sprak. Voor zijn reis Up North vroeg een Schot eens aan Johnson wat hij over Schotland dacht. ‘That it is a very vile country, to be sure, Sir’, luidde het antwoord. ‘Well, Sir!’ wierp de ontstelde Schot tegen: ‘God made it.’ Daarop zei Johnson: ‘Certainly he did; but we must always remember that he made it for Scotchmen…’ Zo’n dialoog zou de Doctor nu mogelijk in het verdachtenbankje hebben gebracht.