Economie

Jokkebrok

Dit zijn geen fijne tijden voor Jan-Kees. In de slagschaduw van Geert Wilders’ neonationalisme moet De Jager populistische Euroscepsis thuis zien te zwaluwstaarten met Eurocratisch pragmatisme in Brussel.

Ga daar maar aanstaan. Een retoriek van ‘geen cent belastinggeld naar de Grieken’ voor de nationale bühne laat zich lastig rijmen met nuchtere uitlatingen over de voordelen van de euro en het geopolitieke belang van Europese integratie. Zeker als je bedenkt dat tegenwoordig ook in Den Haag de luistervinken van Reuters op de eerste rij zitten en binnenlandse uitlatingen dus nooit meer alleen voor binnenlandse consumptie zijn bestemd.

De wortels van De Jagers cognitieve dissonantie reiken mijns inziens verder dan het redden van banken. De vier miljard euro die Nederlandse instellingen in Griekenland hebben uitstaan, zijn stomweg te klein. Nee, het contrast tussen een Jan-Kees die met gestaalde kaken en Eurosceptisch mandaat in Brussel arriveert en een Jan-Kees die het met bezwete rug, besmuikte glimlach en een slappe toezegging dat Franse en Duitse banken zullen meebetalen weer verlaat, riekt eerder naar machteloosheid dan naar berekening.

Natuurlijk schaken politici al sinds het ontstaan van de Europese Unie op twee borden. Tot de vroege jaren negentig was dat echter een koud kunstje. Impliciete electorale steun voor het Europese project stelde nationale politici in staat om te integreren zonder zich veel van het electoraat aan te trekken. Het Verdrag van Maastricht was een electorale struikeldraad die de Europese politiek echter voorgoed veranderde. Politieke integratie via monetaire middelen was het electoraat een stap te ver. Lag de steun voor Europa voor 1992 rond de zestig procent, erna kelderde het tot rond de veertig. Impliciete steun was expliciete scepsis geworden. En alles wat er sindsdien is gebeurd - van het 'nee’ tegen de Europese grondwet in 2005, tot de eurocrisis van 2010 en het opschorten van het Schengen-akkoord in 2011 - is het onbedoelde effect van een Europese elite wanhopig op zoek naar een antwoord.

Nergens is deze wanhoop tastbaarder dan in Nederland. Nergens was de impliciete steun voor Europese integratie namelijk groter en nergens duurde het langer voordat zij wegebde dan bij ons. Pas na de introductie van de euro duikelde het percentage Eurofielen in Nederland naar Europees peil. En pas tijdens het referendum van 2005 - volgens NRC Handelsblad een verlate populariteitspeiling van de euro - kwam de Nederlandse Euroscepsis uit de kast.

Wat euro en referendum koppelden waren de uitspraken van DNB-directeur Henk Brouwer in Het Parool. Brouwer bevestigde wat iedere Nederlander al lang wist: Nederland was met een ondergewaardeerde munt aan de euro begonnen. Daardoor waren huishoudens koopkracht verloren en had de Nederlandse exportsector een eenmalig concurrentievoordeeltje ontvangen. De euro luidde drie jaar matige groei door achterblijvende binnenlandse bestedingen in, terwijl de Nederlandse exportsector recordwinst op recordwinst boekte. Of Brouwer nu gelijk had of niet: zijn uitlatingen sterkten het vermoeden dat de elite onbetrouwbaar was en dat er iets niet in de haak was met de euro. Tot verbijstering van de voltallige politieke kaste verwees de kiezer het 'Grondwettelijke Verdrag’ op 1 juni 2005 naar de prullenbak

Daar kwamen andere Europese spelregels bovenop. Voor 1985 zorgde Frans-Duitse onenigheid ervoor dat Nederland een buitenproportionele invloed op de Europese besluitvorming had. Wat de Nederlandse kiezer vond, was irrelevant: er waren altijd genoeg Europese gelden om klagers te apaiseren. Toen Frankrijk en Duitsland in 1985 een 'grote uitruil’ tussen Duitse hereniging en Europese monetaire integratie langs Franse lijnen sloten, was het uit met de pret: geen Europese douceurtjes meer voor steun aan Duitse of Franse projecten. Gecombineerd met stemverwatering als gevolg van Europese uitbreiding betekende dit een forse verzwakking van de Nederlandse onderhandelingspositie in het Europese machtsspel.

Onder Gerrit Zalm vond Nederland een nieuwe Europese rol als hoeder van monetaire orthodoxie tegen Mediterrane spilzucht. Maar toen in 2003 Duitsland als eerste de criteria van het Groei- en Stabiliteitspact schond, kwam Nederland moederziel alleen te staan. En omdat de Britten niet meedoen met de euro kon Nederland ook niet continent en Britse eilanden tegen elkaar uitspelen. Sindsdien is Nederland veroordeeld tot de rol van bijzit van een wispelturige Merkel, die zelf moet balanceren tussen dwarsliggende rechters, wankele staatsbanken, Eurosceptische media, populistische D-mark-nostalgie en goed Europees burgerschap.

Op twee borden schaken is zeker niet eenvoudig als je een middelgrote Europese staat vertegenwoordigt, die door de terugkeer van kanonneerboten diplomatie en onverwachte uitbreidingen in toenemende verwarring verkeert over haar positie in Europa. Onze Jan-Kees is geen pathologische leugenaar, maar een jokkebrok tegen wil en dank.