24 december 1922 – 23 januari 2019

Jonas Mekas

Als berooide Litouwse vluchteling in New York ontwikkelde hij zich tot de centrale figuur van de New American Cinema, filmmaker Jonas Mekas. Maar naast die carrière was hij een begenadigd schrijver en dichter, van bundels vol weemoed over het Litouwse platteland.

Jonas Mekas was filmmaker, schrijver, dichter en criticus, en spin in het web van de onafhankelijke en experimentele film, de New American Cinema uit de jaren vijftig en zestig, die vooral New Yorks en anti-Hollywood was. Die filmcarrière is zo omvangrijk en zo invloedrijk dat die hier alleen maar heel summier kan worden aangestipt. Mekas was in 1949 in New York gearriveerd met zijn jongere broer, Adolfas, als berooide stateloze vluchtelingen. De legende wil dat ze vrij kort na aankomst een Bolex-camera kochten, waarmee Jonas alles begon vast te leggen wat hem voor de lens kwam. In de zeventig jaar dat de broers zich zo door New York bewogen bevriendden ze zich met iedereen die ook maar enigszins tot de avant-garde behoorde – Andy Warhol, Nam June Paik, Salvador Dali, John Lennon en Yoko Ono, Nico, Allen Ginsberg, Jack Kerouac, Lou Reed, Jacqueline en Caroline Kennedy, Miles Davis, de Fluxus-clan rond George Maciunas – en belangrijke alternatieve filmmakers als Stan Brakhage, Kenneth Anger, Bruce Baillie en Jack Smith. Mekas was (mede-)oprichter van een heel stel belangrijke instellingen die de alternatieve film bevorderden, bespraken, vertoonden en bewaarden: het blad Film Culture, het distributienetwerk The Film-Makers’ Cooperative en de Anthology Film Archives, een bibliotheek, museum en archief. Hij schreef jarenlang een column in Village Voice.

Onder die rijke carrière ging een tweede schuil. Mekas was een schrijver en dichter van formaat, misschien wel de belangrijkste van zijn oude thuisland, Litouwen, en zijn merkwaardige taal. In 1942 ontvluchtten Jonas en zijn broer hun dorp, Semeniškiai, en reisden op een vals studentenvisum door Europa. Ze belandden in een werkkamp en daarna jarenlang in kampen voor ‘displaced persons’, in Wiesbaden en Kassel. In dat niemandsland schreef Mekas een weergaloos mooi dagboek, uitgegeven als I Had Nowhere to Go, en veel gedichten in zijn moedertaal. Het is de poëzie van de balling: zijn bundels gaan over de herinnering aan het Litouwse platteland, waar hij opgroeide, het werk op de akkers, de routine van het boerenbedrijf, de dieren, planten, bomen en bovenal: de geuren en geluiden daarvan.

Er is meer dan alleen weemoed over wat verloren ging, want niet alleen miste Mekas zijn oude thuisland, het ontbrak hem ook aan een nieuw. Niets van wat hij later in ballingschap zou leren kennen zou ooit daarin kunnen voorzien. Een bundeling van zijn gedichten uit 1996 is getiteld There Is No Ithaca – er is geen terugkeer mogelijk. Het maakt dat zijn I Had Nowhere to Go universele waarde heeft voor de ervaring van de ontheemde:

‘New York, December 1951: Ik blijf hier een vreemde. Er is afstand tussen mij en elk gebouw, elke straat, elk gezicht. (…) Ja, zelfs de geluiden die ik hoor hebben een andere betekenis, voor mij. Die roepen geen herinneringen op. De trucks van de stadsreiniging, of de auto’s. De beweging, de stemmen, uitdrukkingen, vormen. Ik zie ze, maar ik begrijp ze niet. Ze roepen geen echo’s op in de diepe vezels van mijn lichaam. Ik loop dag en nacht door deze stad zonder hem te begrijpen. Er schuilt in dat alles geen enkele betekenis, het gebeurt gewoon, het bestaat gewoon, en zo ben ik ook – maar wij zijn als twee vreemdelingen.’

Niet alleen miste Mekas zijn oude thuisland, het ontbrak hem ook aan een nieuw

In 1972 keerde hij terug naar Litouwen, en legde het bezoek aan zijn ouderlijk huis, zijn broers en zijn stokoude moeder vast in Reminiscences of a Journey to Lithuania. Na de onafhankelijkheid ging hij nog af en toe terug, meestal om te worden gelauwerd. Ik sprak hem in 2010, in Vilnius, op een terras. Een vriend wees me op hem: daar zit-ie, een kabouterachtige reus, met een stoute grijns en een mal hoedje. Mijn bagage was ergens in Polen blijven hangen, ik had niets bij me, was geheel onvoorbereid, maar ik ging maar even kennismaken en vragen of hij misschien ergens in de dagen daarna tijd had voor een interview. ‘Doe dat maar nu meteen’, zei Mekas, ‘Ik ben al 87, weet u, dus ik zou er niet tot morgen mee wachten.’ Zijn dochter, Oona, leende me haar telefoon, om het gesprek op te nemen.

Litouwen zei hem weinig meer. ‘Ik ken hier natuurlijk niemand. Ze zijn allemaal dood. Alleen mijn oudere broer is er nog, maar het dorpje waar we woonden en op forel visten is verdwenen. De Russen hebben al die dorpen vernietigd.’ Hij herinnerde zich hoe hij met zijn broers en niets meer dan een hengel en ‘een ui en een stuk spek en een fles wodka’ dagenlang in de bossen kon verdwalen.

Terwijl we spraken haalde hij uit een tas een homp vet spek te voorschijn, en een mes. Hij sneed er met oude vaste hand een plak af. Of ik ook een stukje wilde? ‘Eh, is dat spek?’ zei ik bleu. Mekas deed quasi-verontwaardigd: ‘Spek? Dit is niet zomaar spek! Dit is uitzonderlijk spek! Het allerbeste spek dat er is! Nergens op de wereld bestaat zulk spek!’

Ik begreep het net op tijd. Spek is spek, zout en vet. Daar moet je iets bij drinken. Ik bestelde.

Dezelfde avond zag ik Jonas Mekas weer, voor een tjokvolle zaal in een hip broedplaats-kunstcentrum in de stad. Hij improviseerde voor een publiek van jongeren die de sovjettijd al niet meer hadden meegemaakt en niets wisten over het landelijke, vredige Litouwen, een Ithaka dat ooit, voor de Tweede Wereldoorlog, had bestaan. Hij zong, met krakende vrolijke stem, een kinderliedje over drie duiven, die uit drinken gaan.