Jong

‘Want weet je wat het met mannen is’, zegt de vrouw tegenover mij in de trein, ‘de boosheid waarmee ze alles doen.’ Ze tilt haar tas op schoot en begint erin te rommelen, alsof ze bewijsstukken voor haar standpunt zoekt.

Ik kijk naar buiten. We rijden stapvoets langs een bedrijventerrein; vrachtwagens, pakhuizen, laadplatformen. De vrouw tegenover me haalt een zakdoekje te voorschijn en snuit haar neus. ‘Jij bent jong’, zegt ze. 'Maar laat je niets wijsmaken. De wereld verandert maar de mannen niet. Ze scheren zich alleen gladder.’

De trein is tot stilstand gekomen naast een ijzeren hek. Daarachter staat een grote opslagloods, het rolluik is omhoog. In de kale, betonnen ruimte staat een groep naakte vrouwen, als verstijfd in het zonlicht. Poppen. Etalagepoppen. Sommige dragen blonde of donkere pruiken, andere zijn kaal. Aan de zijkant van de loods zijn twee mannen bezig een pop in een doos te laden, de een houdt haar enkels vast, de ander haar schouders. Ik schiet in de lach. Als iemand dit had kunnen filmen, precies zoals het eruitziet, dan was het misschien kunst geworden. Het zou niet moeilijk zijn om hier een belangwekkende boodschap aan te koppelen, denk ik. Iets over vrouwenhandel. Oorlog. Commercie.

'Mannen zijn nooit boos’, zegt de vrouw nu, 'ze zijn alleen bang. Je hoeft het Journaal maar aan te zetten. Al die gezichten, al die bezwete overhemden. En ze praten niets uit. Ze willen niet praten. Vechten, dat willen ze. Maar ja, jij bent nog jong.’ Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, ik ben de draad van haar betoog eigenlijk al kwijtgeraakt toen we nog bij Schiedam waren. 'Misschien is bang beter dan boos’, probeer ik. Ze schudt haar hoofd en kijkt nu ook naar buiten, naar de opslagloods waar de etalagepoppen staan. De mannen met de doos zijn uit het zicht verdwenen. 'Zo zien we er helemaal niet uit’, zegt de vrouw. 'Zo glad en mager.’ Ze perst haar lippen op elkaar en kijkt afkeurend naar de loods. Bang, denk ik. Bang en boos. Het valt niet uit te praten.