Jong Amerika

John Updike schreef zijn verhalen om zin te geven in een zinloze wereld. In het niets verdwijnen was voor hem een onverdraaglijke gedachte.

John Updike, De tranen van mijn vader. Laatste verhalen. Vertaald door Auke Leistra, € 18,95

In Eindpunt, de laatste dichtbundel van John Updike (1932-2009), trof mij de parlandoachtige overpeinzing over de ligging van het paradijs: ‘Wie weet/ bevindt de hemel zich aan het begin,/ niet aan het eind van het bestaan.’ Komen we misschien uit een hemel en is dit leven het voorgeborchte van… ja, van wat?
Tegelijk met Eindpunt verscheen Updike’s laatste verhalenbundel: De tranen van mijn vader. Het zijn de tranen van een man die zijn enige zoon - plattelandsjongen uit Zuidoost-Pennsylvania - naar de grote stad en de universiteit ziet vertrekken. Waar andere schrijvers pagina’s voor nodig hebben weet Updike in twee zinnen te vatten: 'Ik ging ergens heen, hij zag me gaan. Voor mijn gevoel groeide ik, voor hem werd ik kleiner.’ Dit titelverhaal, dat meer dan een leven samenvat en becommentarieert, verwijst niet alleen naar Updike’s mythologische middelbare-schoolroman en vader-zoonvertelling The Centaur (1963) maar ook naar de zogenaamde Olinger Stories, achttien verhalen over opgroeien in landelijk-luthers Amerika (zie de Ballantine-uitgave uit 2004 van The Early Stories 1953-1975). Als De tranen van mijn vader gaat over oudere memento mori-mannen die weinig toekomst voor zich hebben maar nog wel de ondernemende jongens met zich meedragen die ze vroeger waren, dan zouden het voorspelbare schema volgend de Olinger Stories moeten gaan over carpe diem-knapen voor wie de wereld wenkt. Dat is gelukkig niet waar. De angst voor de dood in al zijn vormen is veel groter in de Olinger Stories dan in Updike’s laatste verhalen: 'de dood die als een uitwaaierend leger oprukt’ en 'onze gezichten zijn dammen die rimpelen onder de spanning’ zijn maar twee beelden uit vele tientallen. 'Hoe nu niet denken aan de dood?’ vraagt de dichter zich af (Eindpunt). De ouderdom gaat juist met toenemende onzekerheid gepaard.
In het niets verdwijnen is altijd een onverdraaglijke gedachte geweest voor Updike. In De tranen van mijn vader vraagt een man op leeftijd, die niet echt gelooft in zijn eigen veroudering, zich af waarom de mens zich zo druk maakt als alles vervalt, wegzinkt of bezwijkt onder de terreur van tijd en chaos. Tekenen en schrijven werden voor hem pogingen dingen en mensen vast te houden. In het Paris Review-interview uit 1968 zegt hij daarover: 'Het gevoel dat we mensen zowel in de tijd als in de ruimte verlaten, haast met opzet, en daardoor schuld op ons laden en daarom aan de doden, de achtergelatenen op zijn minst een eerbetoon verschuldigd zijn ze in een beschrijving vast te leggen.’ Het simpelweg bestaan, de menselijke existentie, het blijven leven, het koppig in leven blijven; die toestand roept op zich al grenzeloze droefheid op. Schrijven wordt dan bewaarbare orde en bescherming en kan die Weltschmerz bij wijze van spreken in honing omzetten. Updike vertelt niet alleen verhalen om zijn doodsangst even te kunnen bezweren en om zin te geven in een zin- en doelloze wereld, hij hecht ook aan het ceremoniële aspect: 'Wij in Amerika hebben ceremonieën nodig, (…) dat is waar mijn schrijven om draait’ (Olinger Stories). Ceremonieën om te kunnen overleven.
Alle oudere mannen in De tranen van mijn vader hebben averij opgelopen, herstellen net van een (echtelijke) breuk, stevenen recht op een breuk af of staan al met één been in de afgrond. Het reizen (Spanje, Marokko) is een vorm van ontsnapping, wetend dat aan de dood (van het huwelijk) niet valt te ontkomen. Of ze wijzer en droeviger zijn geworden valt te betwijfelen. Onhandig zijn ze wel vaak, het geheugen blijkt maar al te vaak een valkuil, en de mannen hebben af en toe last van een huidziekte (psoriasis). Misschien is het woord plankenkoorts het meest accuraat om het typische Updike-personage te omschrijven. In het verhaal 'Persoonlijke archeologie’ slijt een oude, eenzame en terugblikkende man 'zijn onschuldige dagen’ op een lap grond waarop hij dingen vindt van generaties her. In zijn dromen heeft hij altijd hetzelfde gevoel: 'plankenkoorts, het schooljongensgevoel dat wat hij aan het spelen was te groot voor hem was, alsof het allemaal net iets te veel eeuwigheidswaarde had’. Wat stellen God, morele wetten of het paradijs nog voor als we weten dat het universum steeds sneller uitdijt? Dan kunnen we ons beter vastklampen aan het vingerhoedje van grootmoeder (Olinger Stories) of aan andere waardevolle kleinigheden, want 'details are the giant’s fingers’. Het gelach van de goden, ook na 9/11, blijft een raadsel.
In 'De verzorgers’ treedt weer een enig kind op, Lee, dat dankzij zijn tekentalent ontsnapt aan de boerderij en zijn ouders. Vader en moeder bieden wel bescherming in de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog, het kunstenaarschap blijkt toch de ultieme vlucht uit een benard bestaan. En weer verbindt Updike het jongetje met de oude man: 'Toen de ouderdom bezit nam van zijn eens infantiele hersenen, deed hij, als oefening in zelfbewustzijn, af en toe pogingen zich zijn toestand voor de geest te halen zoals hij volgens de wetenschap was.’ Hoe oud hij ook zou worden, zijn ouders bleven in hem een soort DNA-motor vormen. De Updike-mannen op leeftijd zien 'met de schoorvoetende wijsheid van de ouderdom’ in dat het kind maar twee wapens heeft om mee te overleven: optimisme en afhankelijkheid van liefde ('Blauwe liefde’).
Tussen het vroege 'Flight’ (Olinger Stories) en het late 'De verzorgers’ bestaat een innige band. In 'Flight’ zegt de moeder, afkomstig van een boerderij, dat de hele familie daar zal blijven, voor eeuwig, 'behalve jij, Allen’. Allens geboorte valt samen met de economische crisis, de geboorte van de nationale ellende. Zijn vader noemt Allen Jong Amerika. Om de drie jaar heeft Allen last van doodsangst. Hij beseft dat een atheïst als 'lonely rebel’ moedig moet zijn (in De tranen van mijn vader vindt de oudere David dat het atheïsme er in het theïstische Pennsylvania voor zorgt dat 'de mensen lijden met de stille, wijkende gelatenheid van dieren. Hoe intelligenter ze waren, des te minder hadden ze in extremis te melden’). Ontsnapping is zijn lot. De vlucht naar de boom van kennis, naar vrouwen die voor de man 'tegengif tegen de dood’ zouden zijn, maar ook naar een meer menselijke God die de mensen niet zonder meer neermaait. Misschien was de literatuur voor Updike een bescheiden God vol ironie (die relativerende houding was voor Updike’s lievelingsfilosoof Kierkegaard een manier van overleven).
De eenheid in thematiek in bijna alle verhalen is verbazingwekkend. Samengebald in een cursief gezette vraag, geformuleerd in De tranen van mijn vader: 'Wat betekent het allemaal, deze hele gruwel, dat we ooit kinderen waren en nu oud zijn, en in de nabijheid van de dood verkeren?’ Het is een vraag naar de zin van het leven, waar duizend-en-één of nul antwoorden op mogelijk zijn. Misschien zit er in een van de mooiste verhalen, 'Pigeon Feathers’ (Olinger Stories) wel een antwoord verborgen. Na de lectuur van H.G. Wells’ ontnuchterende versie van de Jezus-biografie, die haaks staat op de religieuze mythe (de dood aan het kruis, de wederopstanding), komt de dertienjarige David in een geloofscrisis terecht. Door die ontkenning van Christus’ heiligheid (bestaat de ziel nu wel of niet?) doemt de dood opeens op als een groot gat in de grond. Daar ligt David in, armen vastgebonden. De onbereikbare witte gezichten van de levenden boven hem trekken zich terug. Scheppen aarde vallen op zijn lijf. Daar blijf je dan, voor eeuwig in de grond. 'En de aarde draait maar door, en de zon dooft uit, en onveranderde duisternis heerst waar eens sterren waren.’ De boerderij waar hij met zijn ouders en grootmoeder woont - de band met hen is niet innig - heeft overlast van duiven. Aan David wordt gevraagd op duivenjacht te gaan. Hij schiet er, zonder ethische aarzeling, zes dood. Het bestuderen van hun lijkjes doet hem beseffen dat er schoonheid in de wereld bestaat: de wisselende kleurenpracht van de duivenveren. Dwars door dood en verderf heen gloort de zin van de menselijke aanwezigheid op aarde. Opeens weet hij het zeker, schrijft Updike aan het slot van 'Pigeon Feathers’: de God die zo zijn best had gedaan op deze waardeloze vogels zou zijn hele schepping niet vernietigen door te weigeren David eeuwig te laten voortleven. Het is uiteindelijk de esthetiek die wint, de schoonheid van de woorden, de treffende beschrijving. Maar waren ethiek en esthetiek niet al vanaf het oerbegin van de mensheid innig met elkaar verweven?
Wie weer antwoord wil hebben op deze onmogelijke vraag leze 'The Persistance of Desire’ (Olinger Stories). Niet alleen weet de jonge hoofdpersoon daarin te melden dat alle menselijke cellen elke zeven jaar totaal vernieuwd worden (Stephen Dedalus bouwt daar in Ulysses een hele theorie op), hij voelt zich, ouder wordend, weer een kind in zijn eigen stadje in Pennsylvania, 'waar het leven een vaag avontuur, een gerucht, een altijd naderende vreugde’ is.
Wie Updike’s verhalen leest weet dat de rake details die zijn vertellingen stofferen stuk voor stuk een vreugdevol avontuur waarborgen. Ziedaar de zin, van lezen en leven.

JOHN UPDIKE
THE EARLY STORIES 1953-1975
Ballantine Books, 838 blz., € 22,99
JOHN UPDIKE
EINDPUNT EN ANDERE GEDICHTEN
Vertaling en nawoord Rob Schouten,
De Arbeiderspers, 196 blz., € 20,- (tweetalige editie)
JOHN UPDIKE
DE TRANEN VAN MIJN VADER: LAATSTE VERHALEN
Vertaald door Auke Leistra, De Arbeiderspers, 312 blz., € 18,95