Jong en energiek

Patti Smith, Just Kids . € 18,95

Just Kids van zangeres Patti Smith is een verhaal over een onverwoestbare vriendschap én een lofzang op het verdwenen New York.

’“Wij hebben nooit kinderen gehad”, zei hij spijtig. “Ons werk was onze kinderen.”’ In deze opmerking tegen het einde van het boek, als Robert Mapplethorpe ernstig verzwakt is, ligt de essentie van Patti Smith’ memoir Just Kids. Het is een boek over onvoorwaardelijke liefde en vriendschap. Een boek ook over leven in dienst van de kunst. En de prijs die je daarvoor betaalt. In Mapplethorpe’s geval een vroegtijdige, kinderloze dood. Hij werd 42. In het geval van Patti Smith het verlies van talloze vrienden die zich aan rock-‘n-roll-excessen te buiten gingen, inclusief haar echtgenoot Fred 'Sonic’ Smith.
Maar ook is Just Kids een ooggetuigenverslag van bohemien New York in de late jaren zestig en begin jaren zeventig, de gewichtloze periode tussen hippie en punk, toen de in verval rakende stad zoveel opwindende kunst voortbracht, van Taxi Driver tot Lou Reeds Transformer, en Smith en Mapplethorpe als twee naïeve kids uit de provincie hun weg zochten in de artistieke wanorde. Ze begonnen in de marge, een smerig pand in Brooklyn, zonder een cent, en eindigden in het hart van bohemia, in de wereld van Chelsea Hotel en Andy Warhols Factory. Zo is Just Kids behalve het verhaal over een onverwoestbare vriendschap ook een lofzang op het verdwenen New York - pre-aids, pre-yuppificatie, pre-Giuliani-zero tolerance.
Wat direct opvalt is de heldere stijl. Waar Smith zich in haar gedichten nogal eens te buiten gaat aan lyrische uitspattingen beschrijft ze de Werdegang van haar en Mapplethorpe opvallend ingetogen. De zinnen zijn kort en beeldend, de beschrijvingen pakkend, met veel aandacht voor kleding. Dat Mapplethorpe een ijdeltuit was, wisten we wel dankzij zijn exhibitionistische zelfportretten. Maar dat Smith qua pauwengedrag niet voor hem onderdeed is nieuw. Aanvankelijk kleedt ze zich als een hippie, maar als iemand in de Factory denkt dat ze een folkzangeres is, wijzigt ze haar uiterlijk. Zwart wordt de kleur, het haar een getoupeerd kraaiennest. De hogepriesteres van punk is geboren.
Het is opvallend hoe respectvol Patti is over alle andere artiesten en kunstenaars; eenzelfde welgevalligheid die Bob Dylan tentoonspreidde in zijn memoir Chronicles. Smith heeft die New Yorkse bitchiness, die zo bepalend was voor de scene rond Andy Warhol en vroege punk, helemaal afgezworen. Ze ontpopt zich bovenal als fan en bewonderaar. Zelfs de name dropping - Jimi Hendrix, Bob Dylan, Johnny Winter, Janis Joplin, Gregory Corso, William Burroughs, Allen Ginsberg, ze komt ze allemaal min of meer toevallig tegen - irriteert niet. Ze beschrijft de ontmoetingen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Goh, daar heb je Jimi ook. Waarschijnlijk was dat ook zo. Celebrities bestonden wel, maar waren nog niet zo vals en ongenaakbaar als nu. Dit was de stad waar de beats, post-hippies, pre-punks, homo’s, junkies en gelukzoekers elkaar tegenkwamen in louche bars, tweedehandsboekenzaken, 24-uurs koffieshops en galerieën, op poëzieavonden in St. Mark’s Church en later in cbgb’s, een langgerekt hol naast de daklozenopvang op de Bowery, waar Smith midden jaren zeventig actief deelnam aan de geboorte van de New Yorkse punk.
Patti en Robert leven als proto-bohemiens. Ze zwalken door downtown Manhattan. Op een laatzomerse dag staan ze bij de fontein op Washington Square, tussen quasi-revolutionairen die pamfletten uitdelen, schakers, hondenuitlaters en bongospelers. Een vrouw stoot haar man aan en maant hem het tweetal op de foto te zetten. Het zijn vast beroemde kunstenaars. 'Ga weg’, zegt de man. 'They’re just kids.’
Ze zuigen het allemaal op, al die invloeden, al die excentriekelingen die dag en nacht de straten afschuimen. Vooral Patti ontpopt zich als een spons. Behalve voor de bekende helden als Arthur Rimbaud en Jim Morrison blijkt ze ook gevoelig voor de Hopi-indianen, Perzische juwelen, zwanen, de bijbel, Noord-Afrikaanse verhalen en hindoeïsme. Ze zit, in haar eigen woorden, 'vol verwijzingen’. Zo geobsedeerd door Rimbaud is ze dat ze op een gegeven moment naar Ethiopië wil reizen om daar een verloren manuscript van de Franse dichter op te sporen. Mapplethorpe brengt haar op andere gedachten door haar bang te maken met hyena’s.
Haar eerste openbaring komt als ze twaalf is, bij een Picasso-tentoonstelling in Philadelphia. Ze ziet de verwrongen figuren in ongebruikelijke kleuren en begrijpt meteen dat 'kunstenaars dingen zien die anderen niet zien’. Zij en Mapplethorpe verzamelen talismannen, maken hun eigen juwelen, geven elkaar een eindeloze reeks cadeautjes en kennen waarde toe aan voorwerpen die een ander in de vuilnisbak zou mieteren.
Ook het stoffelijke eigent Patti zich probleemloos toe. Als ze als zestienjarige bij een busstation in Philadelphia Rimbaud met hooghartige blik op het omslag van Illuminations ziet staan, weet ze dat ze dat boek moet hebben, ook al ontbreken de benodigde 69 cent. Dus verdwijnt Illuminations, hup, in haar tas, om een leven als talisman te gaan leiden.
Het is die liefde voor ongebruikelijke schoonheid en esthetiek die Smith en Mapplethorpe bindt. Ze komen elkaar bij toeval tegen, nadat Patti na geestdodend lopendebandwerk in 1967 heeft besloten om het kleinburgerlijke milieu van Pennsylvania te verruilen voor New York, op zoek naar vrijheid. 'I’m free, I’m free’, mompelt ze, terwijl ze verloren door de straten loopt, op zoek naar onderdak en eten.
Mapplethorpe blijkt haar redder, als ze in Tompkins Square Park niet weet hoe ze een perverseling moet afschudden. Ze ziet hem voorbij lopen, herkent hem van een eerdere ontmoeting en klampt hem aan, om meteen jarenlang bij hem te blijven. Aanvankelijk als geliefden, bezeten van elkaar zoals dat maar één keer in je leven voorkomt. Ze overleven in Brooklyn op koekjes, oud brood en melk. Ze bezitten een handvol lp’s die ze zo vaak draaien dat ze elke gitaarwending en drumroffel kunnen dromen.
Als Robert te kennen geeft dat hij homoseksueel is, is dat aanvankelijk een klap voor Patti. 'I was less than compassionate’, schrijft ze. Maar ze overleven de crisis en blijven met elkaar verstrengeld, nu als zielsverwanten, slaven van de muze. Patti wil aanvankelijk net als Robert beeldend kunstenaar worden. Maar gaandeweg wordt het woord belangrijker. Haar eerste rockgedichten schrijft ze in 1969 in Parijs, als ze leest dat ex-Rolling Stone Brian Jones is overleden.
Aan de tijd van onschuld komt een einde als ze hun intrek nemen in het Chelsea Hotel, dat met zijn ruim honderd kamers een vergaarbak is voor kunstenaars, muzikanten en excentriekelingen. Chelsea Hotel werd bezongen door Leonard Cohen en was de plek waar Sid en Nancy in 1978 hun trieste lot bezegelden. Patti noemt het 'een poppenhuis in de twilight zone’, waar iedereen druk met van alles is en iedereen constant blut is. 'Zelfs de meest succesvolle bewoners verdienden maar net genoeg voor een bestaan als extravagante zwervers’, schrijft ze.
Kort daarna dringen ze ook door tot de inner circle van Max’s Kansas City, de club waar de door Mapplethorpe zo bewonderde coterie van Andy Warhol rondhangt. Maar de oude Warhol-scene is op z'n retour, de jaren zestig naderen hun einde en Smith en Mapplethorpe voelen dat er iets nieuws in de lucht hangt. Ze worden allebei 23. Jong en energiek zijn ze. Ze geven elkaar cadeaus met beeltenissen van de Maagd Maria en zeven doodskoppen. 'Dit wordt ons decennium’, voorspelt Mapplethorpe.
Hij krijgt gelijk. Mapplethorpe vindt uiteindelijk een rijke weldoener in de oudere kunstverzamelaar Sam Wagstaff, die onder de indruk is van Roberts talenten (en uiterlijk). Hij wordt wereldberoemd dankzij zijn foto’s: donker, exhibitionistisch, vol taboedoorbrekende sadomasochistische taferelen. Smith legt zich op haar beurt toe op poëzie in combinatie met rock-'n-roll. In gitarist Lenny Kaye vindt ze een gelijkgestemde, later sluit ook pianist Richard Sohl zich aan. In 1974 nemen ze een single op, hun interpretatie van de sixties-klassieker Hey Joe, met op de B-kant het profetische Piss Factory, waarin Patti vol passie aankondigt dat ze die klerebaan in die fabriek in South Jersey achter zich laat. 'I’m gonna be somebody, I’m gonna get that train, go to New York City/ I’m gonna be so bad, I’m gonna be a star, and I will never return.’
Het boek stopt bij Horses, de eerste lp van Patti Smith, met die onvergetelijke zwartwitfoto op de hoes, gemaakt door Mapplethorpe, met een androgyne Patti in een wijdvallend wit overhemd en een colbert nonchalant over haar schouders, vastgehouden door benige vingers. Een iconisch beeld waarvan Patti zegt: 'Als ik er nu naar kijk zie ik nooit mezelf. Ik zie ons.’
Ze pakt de draad weer op in 1986 als ze als muzikant lange tijd niks meer van zich heeft laten horen omdat ze zich in Detroit met haar echtgenoot wijdde aan het ouderschap. Ze hoort dat Mapplethorpe aids heeft en pendelt tussen Detroit en New York. Het boek eindigt met zijn pijnlijke dood en een kort gedicht van Patti. En een prangende vraag van Mapplethorpe op zijn doodsbed aan Smith: 'Patti, did art get us?’
'I don’t know, Robert. I don’t know.’

Patti Smith
Just Kids: From Brooklyn to the Chelsea Hotel, A life of Art and Friendship
Bloomsbury, 304 blz., € 26,95