Jong geleerd

Het is een ‘hot’ onderwerp: jongeren en democratie. Want houdt de oververtegenwoordigde oudere generatie wel voldoende rekening met de jongere generatie? En hebben jongeren het nu echt zwaarder dan vroeger?

Het absurdste voorstel is van Barbara Baarsma, hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Om jongeren meer invloed te geven op de democratische besluitvorming moet ouderen het stemrecht worden ontnomen als ze de gemiddelde levensverwachting van een Nederlander bereiken minus achttien jaar. Voor de ouderen van nu zou dat dan gelden vanaf ongeveer hun 64ste. Argument: jongeren mogen de eerste achttien jaar ook niet stemmen. Je jaagt er alle boomers mee tegen je in het harnas. Mij ook, als het serieus bedoeld zou zijn. Baarsma noemde het voorstel echter zelf al absurd. Ze kwam ermee om ons aan het denken te zetten over jongeren en democratie, een onderwerp dat bij vlagen ‘hot’ is op en rond het Binnenhof.

De aanleidingen om met dit thema bezig te zijn kronkelen door elkaar heen. Zo is door de sterke vergrijzing het aantal jongeren relatief geslonken. Houden die ouderen wel voldoende rekening met hen? En het klimaatprobleem gaat in de toekomst vooral de jongeren van nu raken. Moeten ze daarom niet juist meebeslissen over de toekomst? Ook zou van de huidige jongeren veel meer worden gevraagd dan van hun ouders of grootouders toen die jong waren, waardoor de huidige jongere generatie meer last zou hebben van stress. Zouden ze ook dáárom niet meer invloed op de politiek moeten hebben?

De eerste twee aanleidingen om met het onderwerp bezig te zijn, gaan uit van ouderen die nogal egocentrisch voor hun eigen belang zouden stemmen. Zo van: hup, de pensioenen omhoog en dan: hoera, nog een vliegvakantie naar een ver en zonnig oord – na ons de zondvloed, letterlijk in dit geval. Een eigenbelang in het oog houden zal een mens niet vreemd zijn, maar dan is het tegenargument dat ook jongeren alleen uit eigenbelang stemmen. Het is een denkrichting die niet helpt het belang van beide groepen te verzoenen, maar die groepen juist tegen elkaar opzet.

Dat huidige jongeren meer stress zouden ondervinden dan vorige generaties wordt tegengesproken door wetenschappelijk onderzoek. Daar moet wel bij gezegd worden, dat het in dit geval onderzoek was onder alleen studenten. De voormalig hoogleraar Peter van de Velden zei over de door hem uitgevoerde studie dat je niet kunt concluderen dat studenten meer psychische problemen hebben dan tien jaar geleden: ‘Op geen enkel aspect wijken de groepen af.’

Maar de jongeren zelf zien dat anders. Op een ochtend praat ik met een aantal van hen hierover in de hal van de Tweede Kamer. Allen zijn betrokken bij Coalitie-Y, een samenwerkingsverband tussen tal van jongerenorganisaties en tv-presentator Tim Hofman; initiator was de ChristenUnie. Ze vertellen me over hoe ze het gevoel hebben dat ze alle mijlpalen in het leven – huis kopen, partner vinden, kinderen krijgen – moeten uitstellen. Hoe gemakkelijk lenen is geworden door het studieleenstelsel. Hoe de spelregels, bijvoorbeeld voor studiebeurzen, veranderen tijdens hun leven.

Huidige jongeren ondervinden niet meer stress dan vorige generaties

Coalitie-Y heeft een tien-wensenplan ingeleverd bij de politiek. Twee zijn reeds ingewilligd. De politiek heeft al een generatietoets toegezegd, zodat kan worden nagegaan hoe de overheidsmaatregelen bij belangrijke beleidsbeslissingen uitpakken voor de verschillende generaties. Ook krijgen jongeren na volgende parlementsverkiezingen de kans aan de formatietafel hun zegje te doen, net als andere ‘lobby’-organisaties. Nog acht wensen te gaan dus, zoals over het leenstelsel, de prestatiedruk die ze ervaren en een schone en leefbare toekomst.

Het bevreemdt mij niet dat de leden van deze Coalitie-Y weinig zien in een jongerenparlement zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken voornemens is te installeren. Kijk eens wie wij vertegenwoordigen, zegt een van hen, wij zijn allemaal aangesloten bij studentenorganisaties, politieke jongerenorganisaties of bij een vakbond. Wie vertegenwoordigen de jongeren uit dat parlement, voor wie praten zij eigenlijk, hoe zijn zij er lid van geworden? Het is de altijd weer terecht terugkerende vraag als het gaat om politieke vertegenwoordiging. Zoals ook terecht de vraag opkomt wat de politiek gaat doen met de adviezen van het jongerenparlement. Kritiek is er al: het kan toch niet zo zijn dat jongeren dan twee keer invloed hebben, een keer via het stemrecht en dan ook nog via hun eigen parlement.

Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur heeft zich gemengd in de discussie over jongeren en democratie. Zij stelde voor te gaan experimenteren met het verlagen van de stemgerechtigde leeftijd, van achttien naar zestien jaar. Jong geleerd, oud gedaan, meent de Raad. Maar zou die leeftijdsverlaging wel zin hebben als de opkomst bij de stembus onder jongeren tussen de achttien en 25 jaar nu al beduidend lager is dan die onder 65-plussers?

De staatscommissie die afgelopen jaar het kabinet adviseerde over democratie en ons parlementair stelsel ging dan ook niet zo ver. Wel geeft de staatscommissie het advies om onder andere bij de locaties van stembureaus beter rekening te houden met verschillende doelgroepen, dus ook met jongeren. ’s Nachts stemmen in het uitgaanscentrum, bij scholen of op voetbalclubs?

Er zijn adviezen en plannen te over. Coalitie-Y werkt ondertussen gestaag door. De leden lobbyen om hun eisen ingewilligd te krijgen. En om dat goed en effectief te kunnen doen, moeten ze met elkaar én met derden overleggen. Juist dat is een wezenlijk kenmerk van onze democratie. Dat is pas echt jong geleerd, oud gedaan. Als je dan tenminste op oudere leeftijd nog meetelt en stemrecht hebt. Gelukkig was dat een ‘absurd’ voorstel.