Jong in Marokko, oud in Nederland

Vorige zomer keerde Kees Beekmans (51) terug uit Marokko om een jaar bij De Groene Amsterdammer te gaan werken. Het was het jaar waarin hij zich oud begon te voelen - niet zozeer lichamelijk, vooral geestelijk.

Toen ik nog niet zo lang in Marokko woonde, zei een kennis eens: ‘Men verblijft niet ongestraft onder palmen.’ Die zei er overigens eerlijk bij dat hij dat niet zelf had bedacht maar het van Goethe had. Goethe heeft inderdaad zoiets gezegd, zie ik op internet. Ik weet niet of de grote dichter ooit zelf ‘onder de palmen’ heeft verbleven. Maar ik vond het een mooie uitspraak, waaruit ik begreep dat het, eenmaal terug in Nederland, nog wel eens moeilijk voor me zou kunnen worden. Omdat het indertijd nog lang nog niet zover was, haalde ik er mijn schouders over op: dat zou ik dan wel weer zien. Ik heb het inmiddels gezien.

Een antropoloog die een tijdlang veldonderzoek had gedaan bij een ‘primitieve’ stam in Indonesië, wiens lezing ik onlang bijwoonde, zei ongeveer hetzelfde als Goethe, al gebruikte hij de woorden culture shock. Hij zei dat het ‘bekend was’- maar het was relatief nieuw voor mij - dat de échte cultuurshock pas komt als je weer terugkeert naar je eigen land. Ach, daar in het buitenland, zei hij laconiek, daar is alles nieuw en spannend, daar valt veel te ontdekken, en bovendien stel je je erop in dat het er allemaal anders zal zijn, daarom ging je er juist heen. Nee, dan kon je toch niet van een cultuurshock spreken - de echte aanpassingsmoeilijkheden kwamen pas thuis. In het zaaltje werd links en rechts instemmend geknikt.

Ik had, na vijfenhalf jaar Marokko, misschien niet nog naar Senegal moeten gaan. Indertijd had ik even genoeg van de grote stad, van Rabat, vooral van de herrie overal, met name vlakbij mijn huis, waar ze aan het bouwen waren, zoals overal in Marokko, en eigenlijk had ik ook even genoeg van le plus beau pays du monde zelf. In Senegal woonde ik een paar maanden in een eenvoudig bungalowtje - wel met internet - op een steenworp afstand van de zee, helemaal in het zuiden, in de Casamance. Vroeg in de ochtend zochten gieren op het strand naar aangespoelde vissen. Tegen zonsondergang kwam een groep jonge mannen en vrouwen er de traditionele dansen van de regio instuderen, begeleid door djembé’s. Het enige wat je er ‘s avonds laat hoorde, was de generator, die aansloeg als de stroom uitviel. Fijne maanden, waarin ik eigenlijk altijd buiten was, alleen binnen sliep, maar ze maakten de overstap naar Amsterdam, en meer specifiek: naar de redactie van De Groene Amsterdammer, groter dan de jaren in Marokko al hadden gedaan.

Het regende ook alleen maar, die eerste zomer terug in Amsterdam - ik heb het over vorige zomer. In Senegal had ik geen druppel regen gezien. Daar zat ik weer, voornamelijk binnen, in het huis dat ik zes jaar geleden had verlaten, met mijn oude spullen weer om me heen, die daar altijd waren blijven staan. Ik had ze in Marokko niet gemist. Het was een beetje alsof ik me in een oud fotoboek bevond. Vanwege een prijsuitreiking was ik teruggekeerd op 1 juni, dat gaf me dan ook de tijd om aan Nederland te wennen, had ik bedacht, want ik zou pas op 1 september bij De Groene beginnen. Maar de prijs kreeg ik niet, die ging helaas naar Joeri Boom, mijn collega, terwijl ik er wel op gerekend had, ook op de tienduizend euro. Het hielp om het huis maar te gaan schilderen. Dat kostte me een maand en een hoop geld maar het had een therapeutisch effect. Kijken naar de Dog Whisperer op National Geographic Channel had dat ook, waarom weet ik niet.

IK HEB ME in die maanden wel afgevraagd, en meer dan eens, waarom ik eigenlijk was teruggekeerd, waarom ik niet in Marokko had willen blijven. Het leven was daar toch niet slecht geweest. Ik wist het eigenlijk niet goed. Ja, het idee straks weer collega’s te hebben, sprak me aan, niet meer altijd zo in isolatie te hoeven werken, wat je toch doet als correspondent. Ik voelde ook wel dat ik ver van Nederland begon af te drijven, niet alleen van familie en vrienden, ook van de politiek, de tijdgeest. Het leek me dat De Groene me zou dwingen me daar weer mee vertrouwd te maken.

Maar waren dat redenen om terug te keren? Redenen om het leven dat ik in Marokko had opgebouwd, de vrienden die ik er had gemaakt, de rug toe te keren? Dat voelde als een amputatie. Naarmate ik er langer over nadacht, realiseerde ik me meer en meer dat ik vooral terug naar Nederland had gewild omdat ik me nooit had voorgenomen permanent in Marokko te blijven. Dus om een idee, in mijn hoofd: de hardnekkige gedachte dat dit tijdelijk was. Misschien had ik daardoor niet willen erkennen hoezeer ik me toch thuis was gaan voelen in dit islamitische land. Ieder jaar had ik me afgevraagd of ik niet weer terug moest, en ieder jaar had ik gedacht: welnee, ik blijf nog een jaartje. Tot ze na vijfenhalf jaar naast mijn woning begonnen te bouwen.

Komend uit Marokko, hier op bezoek om familie en vrienden te zien, was ik Nederland in de loop der jaren rijker en rijker gaan vinden, er kwamen ook steeds meer terrassen bij, en de nadruk leek steeds meer op uiterlijk en uiterlijkheden te gaan liggen: de fietsen kregen er dikkere frames, er was geen kapsalon meer die niet hairshop heette. Ik vond vooral de jeugd er ongelofelijk welvarend en verzorgd uitzien. Aan al die dingen ergerde ik me, ik begon Nederland een verwend land te vinden, en vooral de jeugd, die alles, iPhone en MacBook, in de schoot geworpen kreeg. Het contrast tussen Nederland en Marokko, Nederland en Senegal, was groot.

Maar ik was inmiddels ook vijftig geworden - en misschien had mijn misnoegen daar toch meer mee te maken. Voor het eerst in mijn leven begon ik me oud te voelen. In Marokko had ik me nooit oud gevoeld. Pas dit jaar, terug in Amsterdam, begon dat gevoel me te bekruipen. Niet eens lichamelijk oud - hoewel er geen cassière is die geen meneer tegen me zal zeggen. Het leek vooral iets dat in mijn hoofd zat.

ZO BEN IK me oud gaan voelen in de Amsterdamse café’s, omdat die worden gedomineerd door de jeugd. In Marokko kunnen jongeren en studenten het uitgaansleven niet domineren omdat ze geen geld hebben. Alleen mannen met banen zijn in staat de betrekkelijk hoge prijs van drank in een bar te betalen. Mannen jonger dan vijfentwintig kom je dus ook niet zo snel tegen in de Marokkaanse horeca, vaak een aangename mengeling van restaurant, bar en disco - een genre dat we in Nederland helaas niet kennen. Het is niet vreemd daar mannen van over de zestig aan de bar te zien staan, of daar te zien dineren, alsof ze daar alle recht toe hebben, wat natuurlijk zo is. De vrouwen zijn er van alle leeftijden, ook heel jonge, die natuurlijk niet zelf voor hun drankjes betalen, in Marokko doen mannen dat. De schaarse keren dat je twintigers aantreft in een bar in Casablanca, Marrakesj of Rabat, heb je te maken met jeunesse dorée, kinderen van puissant rijke ouders.

In Nederland kun je op je vijftigste niet meer tussen een stel kinderen gaan staan, die zich met een smartphone in de hand staan te bedrinken, en wie zou dat ook willen. Het uitgaansleven is hier streng gesegregeerd, er zijn een paar enclaves waar voornamelijk ouderen zich laten vollopen, vaak kroegen met een journalistieke of literaire reputatie, waarvan het interieur uit de jaren zeventig stamt. Eigenlijk gaat de Nederlander niet meer uit zodra hij een gezin en kinderen heeft - ja, naar het theater, met een seizoensabonnement. Hoeveel dynamischer is Marokko! Ouders vergeten daar niet dat ze ook zelf nog een leven hebben. In Marokko staan geen schotten tussen de leeftijden, net zo min als er schotten staan tussen de verschillende genres uitgaansgelegenheid. Iedereen praat er met iedereen en iedereen vermaakt zich prima, want dat is waar men voor komt. In Nederland bleek mijn plek plotseling daar waar de mastodonten heengingen. Die houden je, en ze kunnen er natuurlijk ook niks aan doen, een spiegel voor.

Tweede plek waar ik me snel oud ging voelen, was op de redactie van De Groene Amsterdammer. Dat komt door de bijdehandte types die er rondlopen, kinderen bijna nog, die op hun 28ste niettemin alles lijken te weten, of dat in ieder geval doen voorkomen, en door de buitenwereld 'jonge denker’ of ‘jonge dichter’ worden genoemd - ik zou er zelf ook van naast mijn schoenen gaan lopen. Er zijn natuurlijk ook redacteuren van mijn leeftijd, maar ook die zijn behoorlijk bijdehand. En ikzelf ben dat eigenlijk ook wel, ik denk ook dat ik alles altijd beter weet, maar mijn bijdehantigheid moest het toch afleggen tegen die van hun.

Ik was op eigen verzoek een jaar lang aan de redactie ‘toegevoegd’ - wat toch betekent dat je een soort van meerwaarde zou moeten hebben. Wel, daaraan begon ik snel te twijfelen: die vijftiger, ik dus, die hier in Nederland zo ontheemd rondliep, wat kon die eigenlijk meer, of beter, dan deze jonge (en oude) denkers en dichters? Had ik me oud wíllen voelen, gedwongen plaats te maken voor de nieuwe ‘aanstormende’ generatie, dan had ik geen betere plek kunnen uitkiezen.

Pas nu ik het opschrijf, bedenk ik: misschien dat ik daarom weer naar het onderwijs terugkeer. En weer uit Nederland verdwijn, op naar Aruba. Het is beslist een deel van de waarheid.