Ouders vinden zit- en vraatzucht normaal

Jong te dik is oud te dik

Kinderen komen thuis van school, ploffen neer voor de televisie of Playstation en blijven maar snacken. En de ouders vinden het normaal

Alle alarmbellen zouden moeten rinkelen. Indringend en schel. Er waart een gevaarlijke ziekte over de wereld rond die zich snel uitbreidt. In de vakliteratuur wordt zelfs gesproken van een epidemie. Op één punt voldoet deze ziekte echter niet aan de definitie van een epidemie. Die heeft namelijk de eigenschap na verloop van tijd geheel of gedeeltelijk te verdwijnen. Dik-zijn doet dat niet.

Tien jaar geleden waren er wereldwijd tweehonderd miljoen mensen veel te dik, in het vak jargon obees genoemd. Vijf jaar later was dat aantal al gestegen tot driehonderd miljoen.

Het meest verontrustend is dat overgewicht en obesitas ook bij kinderen met sprongen toenemen. Volgens de International Obesity Taskforce was in 1980 tien procent van de kinderen in Europa te dik. Midden jaren negentig was dat percentage gestegen naar zestien, om in 2002 al uit te komen op 24, een percentage waarvan men enkele jaren geleden nog dacht dat dit pas in 2010 zou worden bereikt. In Italië is 36 procent van de negenjarigen te dik. En in een stad als Den Haag constateren jeugdartsen dat van de ongeveer 6500 kinderen die ze jaarlijks zien er twaalfhonderd lijden aan overgewicht en obesitas. Dik-zijn op jonge leeftijd belooft niet veel goeds voor de toekomst. Uit onderzoek blijkt dat wie op jonge leeftijd obees is, dat op oudere leeftijd ook is.

Mieke Houdijk is kinderarts in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag, waar sinds kort een speciaal spreekuur is voor dikke kinderen. Daar ziet ze elfjarigen die al honderd kilo wegen. Officieel werken artsen met de Body Mass Index (BMI). Iedereen kan die voor zichzelf berekenen door zijn gewicht te delen door het kwadraat van zijn lengte. Is de uitkomst hoger dan 25, dan is sprake van overgewicht, ligt dat cijfer boven de dertig, dan wordt gesproken van obesitas. Volgens Houdijk worden bij kinderen min of meer dezelfde grenzen gehanteerd, al ligt dat wat ingewikkelder om dat kinderen nog in de lengte groeien.

Volgens officieel onderzoek vindt de obesitas-epidemie niet zijn oorsprong in een verandering van onze genen. Het tijdsbestek waarin de toename van het aantal dikke mensen zich voordoet, is te kort voor een genetische verandering. De oorzaak moet worden gezocht in veranderingen in de samenleving. Toen de mens massaal voor de televisie ging hangen en in auto’s ging rijden, vloog de gemiddelde BMI omhoog. Houdijk hoort op haar spreekuur van kinderen dat ze thuiskomen van school, op de bank neerploffen voor de televisie of Playstation en maar blijven snacken. Die kinderen gaan niet met de fiets naar school. Zelfs als ze maar tien minuten hoeven te lopen om op school te komen, gaan ze met de auto of de tram. Na schooltijd buiten spelen is er ook niet bij.

Houdijk verbaast zich over de onwetendheid bij ouders over voeding: «Veel mensen vinden het heel normaal dat hun kind een hele trommel koekjes leeg eet. Of ze denken dat croissantjes die ze bij de warme bakker halen wel gezond zullen zijn. Als ik ze vraag waarom ze er dan meteen twee geven, zeggen ze: och, dokter, dat vinden ze zo lekker. De kern van het probleem is dat we blijkbaar niet weten wat gezond en normaal eten is.»

Op haar spreekuur ziet ze kinderen uit allerlei milieus langskomen. Toch heeft de grootste groep een achtergrond die als sociaal-economisch zwak bestempeld kan worden.

Ook de ouders zijn vaak te dik. Bij ouders die obees zijn is de kans op dikke kinderen twee keer zo groot als bij ouders met een normaal gewicht. De epidemie mag dan geen genetische oorsprong kennen, bij elk mens afzonderlijk zou het wel mogelijk kunnen zijn dat genetische factoren de gevoeligheid voor obesitas bepalen.

Houdijk: «Op ons onderzoeksterrein wordt gekeken naar wat het eetgedrag beïnvloedt en waarom bij de een het verzadigingsgevoel veel eerder wordt bereikt dan bij de ander. Misschien is dat wel genetisch vastgelegd. Ook wordt onderzocht wat het effect is van het toegeeflijk zijn met borstvoeding, het te eten geven als troost vanaf het moment dat het kind geboren is.»

Het Juliana Kinderziekenhuis heeft een dikke-kinderenteam, waarin de kinderarts, een diëtiste, een psycholoog en een fysiotherapeut zitten. Houdijk onderzoekt of er bij de kinderen al sprake is van verstoringen die kunnen leiden tot een te hoog cholesterol gehalte of suikerziekte. Vroeger was suikerziekte een ouderdomskwaal. Doordat zo veel mensen al op jonge leeftijd te dik zijn, verschijnen die ouderdomsziektes nu al bij twintig- en dertigjarigen en zelfs bij tieners, al zijn dat nog uitzonderingen.

De kwalen en gebreken komen soms vroeg. Door overgewicht kunnen kinderen al jong last krijgen van knieën, heupen en voeten. Bewegen betekent dan pijn lijden, waardoor ze in een vicieuze cirkel terechtkomen van helemaal niet meer bewegen en nóg dikker worden. Ook dreigen bij kinderen met een dikke nek slaapproblemen, wat overdag tot vermoeidheid leidt met als gevolg dat ze zich op school slecht concentreren en hun geheugen vermindert.

De psychologe in het team kijkt of het kind last heeft van depressiviteit. Een groot aantal te dikke kinderen eet veel omdat ze dat gewoon lekker vinden, maar er zijn ook kinderen die eten uit verdriet.

Niet dat de andere dikke kinderen overigens zo vrolijk met hun gewicht omgaan. Dik-zijn is niet leuk. Een dik kind wekt geen medelijden op zoals een kind dat kanker heeft, weet Houdijk. Een dik kind ontmoet vooral vooroordelen. Zo blijkt dat zesjarigen dik-zijn al associëren met lui, lelijk, dom en vies. En dat studenten nog liever zouden trouwen met een blinde of een drugsverslaafde dan met een dik iemand.

Het groepje dat na de zomervakantie in het Juliana Kinderziekenhuis aan de slag gaat, telt zo’n twaalf kinderen die allemaal obees zijn. Van de lange wachtlijst die het ziekenhuis had, heeft het team twintig kinderen en hun ouders benaderd. Daarvan hebben er acht niet gereageerd, volgens Houdijk naar alle waarschijnlijkheid omdat ze het programma te intensief vinden, vooral omdat ook de ouders mee moeten doen: «Er zijn echt mensen die hopen dat als er iets mis is met hun kind dat met een simpel pilletje te regelen valt. Dat is niet zo. We zijn te dik omdat we te veel op consumeren zijn ingesteld. We leven in een maatschappij van veel is goed, maar meer is beter.»

De kinderen moeten in het najaar met spelletjes en samen koken leren wat een normaal eetpatroon is en ervaren hoe leuk bewegen kan zijn. Het hele gezin moet zich dat gedrag dan wel eigen maken.

Net als bij volwassenen is een gewichtsafname van tien procent het doel. Daarmee heeft een obees kind nog wel overgewicht, maar de ervaring leert dat tien procent afvallen al moeilijk genoeg is. Bovendien is een tweede doel dan makkelijker te realiseren: het handhaven van het nieuwe, lagere gewicht.

Gezien de epidemische vormen die het dik-zijn heeft aangenomen, zal al weer een aantal kinderen obees geworden zijn in de tijd dat het groepje van twaalf in het Haagse ziekenhuis probeert af te vallen. Het lijkt op dweilen met de kraan open. Houdijk weet dat preventie het beste is: «Wij werken met tien- tot twaalfjarigen, maar als het over preventie gaat, moeten natuurlijk de ouders van de allerjongsten aangepakt worden. Die moeten leren wat goede voeding is, maar ook hoe ze regels en grenzen stellen. Dat is echt de verantwoordelijkheid van de ouders. Die kunnen zich er niet achter verschuilen dat een achtjarige al zelf de ijskast kan opendoen om hem leeg te eten.»

Uit onderzoek blijkt dat ouders ook op een ander vlak een belangrijke rol spelen. Wordt aan dikke kinderen gevraagd wat ze graag als beloning zien als ze iets goed doen, dan is niet snoep of een zak patat het antwoord, zoals je zou verwachten. De meeste kinderen zeggen dan dat ze het liefst met papa of mama een spelletje willen spelen. Oftewel gewoon wat aandacht. In moderne termen: dat ouders meer quality time met hun kinderen moeten doorbrengen.

Preventieprogramma’s komen slechts moeizaam van de grond. Een achterliggende reden is het ontbreken van wetenschappelijk onderbouwde kennis over de samenhang tussen dik-zijn enerzijds en gedrag en omgevingsfactoren anderzijds. Zomaar op je gezonde verstand afgaan blijkt niet altijd het juiste. Een gemeente die denkt goed te doen met het aanleggen van stoepen met het idee dat kinderen daarop kunnen spelen, staat raar te kijken als ze hoort dat tussen obesitas en stoepen geen samenhang bestaat. Want dat is nu toevallig wetenschappelijk weer wél aangetoond.