Waarom zou je nog volwassen worden?

Jong zijn ís helemaal niet leuk

Volwassen worden is minder een zaak van kennis dan van moed. De moed om, met de rede als metgezel, iets van waarde te creëren en te doen wat je kunt om de wereld meer te laten lijken op hoe ze zou moeten zijn – zonder uit het oog te verliezen hoe ze in realiteit is.

Medium neimann

Als je je maar één regel kunt herinneren die Immanuel Kant heeft geschreven, is dat waarschijnlijk de eerste zin van Wat is Verlichting?: ‘Verlichting is de bevrijding van de mensheid uit haar zelfverkozen onvolwassenheid.’ Het essay is veel beter leesbaar dan Kants wetenschappelijke verhandelingen, wat het des te verbazingwekkender maakt dat zo weinig mensen de moeite nemen om het te lezen of zich meer dan de eerste paar zinnen kunnen herinneren.

Het zijn prachtige zinnen, waarin Kant ons vertelt dat we onze onvolwassenheid aan onszelf te danken hebben, omdat de oorzaak een gebrek aan moed is: niet onwetendheid en domheid, maar luiheid en lafheid weerhouden ons ervan om voor onszelf na te denken. Het is inderdaad heel vaak onze eigen fout: we zijn niet bereid om de energie aan te spreken of de risico’s te lopen – zelfs het risico in verlegenheid te worden gebracht! – die het voor onszelf denken zou vergen. Het is makkelijk te begrijpen waarom dit de boodschap is die Duitse (of andere) docenten graag benadrukken wanneer zij de tekst op school behandelen. We willen toch niet dat de jongeren gaan denken dat er iets mis is met de samenleving wat door een beetje hard werken en enige inspanning van hun kant niet kan worden opgelost? De boodschap van Wat is Verlichting? is zo een liberale mantra geworden die louter de bestaande mantra’s bevestigde: iedere ontevredenheid die je zou kunnen voelen over de wereld om je heen is je eigen schuld. Als je je luiheid en lafheid maar zou kunnen afschudden, zou je verlicht, volwassen en vrij kunnen zijn.

Maar wacht eens! Het is niet echt alleen maar jouw schuld. Je kunt net als ik neigen naar luiheid en lafheid, maar Kant zegt dat deze neigingen worden misbruikt. Er zijn wachters die zo vriendelijk zijn geweest de taak van het uitoefenen van toezicht op de rest van ons over te nemen, door ons ervan te overtuigen dat onafhankelijk denken niet alleen moeilijk, maar ook gevaarlijk is. Dat is een radicale en krachtige politieke boodschap. Onze onvolwassenheid is niet, of niet alleen maar, onze eigen schuld. De sociale structuren waarin we leven zijn erop ingericht om ons kinderlijk te houden. De staat heeft er belang bij ons ervan te weerhouden onafhankelijk na te denken, en cultiveert en exploiteert onze ergste neigingen om dat te kunnen bewerkstelligen. Het verlangen van de staat om de controle in handen te houden en onze eigen gemakzucht zorgen ervoor dat er minder conflictueuze samenlevingen ontstaan, maar dat zijn geen samenlevingen van volwassenen.

Welke wachters had Kant precies voor ogen? Het is makkelijk genoeg om in te zien hoe feodale structuren hun onderdanen klein hielden, maar hebben de westerse democratieën daar geen einde aan gemaakt? Nou ja, tot op zekere hoogte. Het kan geen toeval zijn dat de machtigste en langst zittende regeringsleider in Europa in de Duitse pers stelselmatig als ‘Mutti’ wordt aangeduid, noch dat de voornaamste boodschap van Merkel aan haar kiezers bedoeld was om ze te sussen: blijf doen wat je aan het doen bent, en laat het verder maar aan Mutti over; nachtmerries als de Griekse schuldenlast of de Spaanse werkloosheid zullen dan op veilige afstand blijven. Maar laten we dat alsjeblieft als een metafoor beschouwen: een belangrijke metafoor weliswaar, maar geen reële beschrijving van hoe westerse democratieën werken. Hoe kan een moderne democratische samenleving, zonder de mechanismen die autoritaire staten ter beschikking staan, ons klein houden?

Een baby die net heeft geleerd dat zij iets kan doen in de wereld door hand en oog te coördineren om een voorwerp te grijpen – een wonderlijke prestatie, waarop we zo zullen terugkomen – kan het verkeerde voorwerp pakken: de bril van haar vader, de oorbel van haar moeder, het mes dat haar ouders niet in haar buurt hadden zien liggen. Maar je hoeft alleen maar iets anders bij haar neer te leggen – een sleutelbos volstaat meestal – en de baby is afgeleid, en heeft geen oog meer voor de voorwerpen waar je haar vandaan wilt houden. Naarmate ze ouder wordt is het moeilijker, maar het principe blijft hetzelfde. Je hebt je dochter van twee of drie jaar oud door een supermarkt gereden en tegen haar gezegd dat ze pas iets mag opeten als ervoor betaald is, en dat sommige dingen beter of gezonder voor haar zijn dan andere dingen. Ten slotte kom je bij de kassa waar ze glimmende en betrekkelijk dure pakjes snoep ontwaart – hele rijen zelfs, precies op de ooghoogte van een kind in een wagentje, van wie het vermogen tot uitgestelde bevrediging het afgelopen uur tot het uiterste is beproefd. Hoe moet je je kind nu afleiden? Soms is een stevig ‘nee’ genoeg, vergezeld van de belofte om naar de speeltuin te gaan; soms volstaat een banaan en een herhaling van de les dat er voor dingen moet worden betaald voordat ze kunnen worden opgegeten; maar op slechte dagen schreeuw je misschien wel, of geef je toch toe en koop je het snoep. Belangrijk is dat afleiding noodzakelijk is, behalve voor de meest autoritaire ouders, die er geen problemen mee hebben een kind te slaan dat blijft zeuren om iets wat ze haar niet willen geven.

Het afleiden van oudere mensen van objecten van hun verlangen kan iets ingewikkelder zijn, maar iedere moeilijkheid die zich daarbij voordoet kan eenvoudig worden gecompenseerd door het feit dat de dingen die kunnen worden gebruikt om ons af te leiden vrijwel grenzeloos zijn – en sinds de uitvinding van cyberspace letterlijk grenzeloos. Een paar weken geleden waren er miljoenen méér die de moeite namen de rug van Kim Kardashian te bekijken dan er een week eerder waren komen opdagen bij de tussentijdse Congresverkiezingen in de Verenigde Staten.

Ik laat mij net zo makkelijk afleiden als ieder ander, ook al is die afleiding misschien onderdeel van mijn streven om de wereld waarin ik leef te begrijpen, maar ik zou willen dat ik niet wist wie Kim Kardashian is. Mijn dochter zegt tegen me dat volwassenen zoals ik geen idee hebben hoe afschuwelijk de cultuur is waarin we leven, omdat we geen gebruik maken van de sociale media. Ze heeft waarschijnlijk gelijk, en ik ken genoeg volwassenen die tot de miljarden Facebook-gebruikers behoren, of anderen die er bij me op aandringen de haiku-achtige aard van Twitter te waarderen. Ik ben niet van plan me bij hen aan te sluiten, zelfs niet als ik de negende cirkel van de 21ste-eeuwse hel zou willen doorgronden.

De sociale structuren waarin we leven zijn erop ingericht om ons kinderlijk te houden

Want andere dingen hebben me de afgelopen week ook al afgeleid. Mijn computer was al een paar maanden aan het sputteren en uiteindelijk had ik een nieuwe besteld. Maar er waren nieuwe mogelijkheden aan toegevoegd en dingen aan veranderd, en de vaardigheden die ik mezelf had aangeleerd om snel iets te kunnen doen moest ik nu allemaal weer afleren. Als je alle uren die wij allemaal besteden aan wat vrolijk ‘upgrades’ worden genoemd bij elkaar optelt – door uit te vogelen hoe je je nieuwe wekker moet instellen, de grill van je nieuwe oven kunt gebruiken, boodschappen kunt opslaan op je nieuwe smartphone en je nieuwe auto kunt starten – is dat dan niet genoeg tijd om bijvoorbeeld de hongerige kinderen van de wereld te voeden of een medicijn tegen kanker te vinden? Op het gevaar af nostalgisch te klinken, of zelfs reactionair, zal ik het enige min of meer onaardige noemen dat ik weet over Immanuel Kant. Zijn huis stond naast een gevangenis, en hij beklaagde zich over de liederen die door de gevangenen werden gezongen, waardoor hij van zijn werk werd afgeleid. Hij vroeg zelfs de burgemeester van Königsberg om hulp. Het is lastig om daar niet smalend over te doen: als dat gezang in het eind-achttiende-eeuwse Königsberg al als ‘afleiding’ gold, dan is het geen wonder dat ze behoefte hadden aan autoritaire controle. >

Feodaal-autoritaire mechanismen om onderdanen klein te houden hebben plaatsgemaakt voor subtielere, maar die zijn niet minder krachtig en beslist doordringender. Totalitaire regimes zijn zelden nodig en vaak contraproductief, want waar de controlemechanismen duidelijk aanwezig zijn, zullen er ook altijd stoutmoedige zielen in beweging komen om tegen ze in het strijdperk te treden. Eenvoudiger en subtieler zijn de infantiliserende processen van niet-totalitaire samenlevingen die onze natuurlijke luiheid stimuleren door ons met een hele reeks speeltjes op ons gemak te stellen. Uiteraard worden noch smartphones noch auto’s beschreven als speeltjes; cruciaal is dat ze worden gepresenteerd als de speeltjes die nodig zijn om een volwassen leven ‘compleet’ te maken. Daarentegen worden ideeën over een rechtvaardiger en menselijker wereld afgeschilderd als kinderlijke, utopische dromen waar afstand van moet worden genomen ten gunste van het ‘echte’ leven van het verkrijgen van speeltjes, dat wil zeggen het vinden van een reguliere baan die onze plek in de consumenteneconomie veiligstelt. Het is een perfide omkering die ons in permanente verwarring achterlaat. Geen wonder dat Kant het afscheid van onze zelfverkozen onvolwassenheid de belangrijkste revolutie in de mens noemt.

***

Op dit punt zullen velen zich afvragen: u denkt toch zeker niet dat degenen die de dingen produceren die ons afleiden hebben samengezworen om dat te gaan doen? Veel onderdrukkende trekjes van de sociale wereld ontstaan inderdaad zonder doelbewust streven, waardoor samenzweringstheorieën een dwaze indruk maken, maar toch zou ik er een willen noemen die het werk was van een kartel. In 1924 hield het Phoebus Cartel, een vereniging van fabrikanten als General Electric, Osram en Philips, een vergadering in Zwitserland. Ze spraken af de levensduur van gloeilampen – die destijds gemiddeld 2500 uur bleven branden, hoewel er gloeilampen bestaan die de honderd jaar hebben gehaald – tot duizend uur te beperken, zodat het aantal verkochte gloeilampen een ruime verdubbeling te zien zou geven. Door te dreigen met boetes voor fabrikanten die zich aan de afspraak zouden onttrekken, slaagde het kartel erin de duizendurige gloeilamp binnen tien jaar tot de standaard te maken.

Maar hoewel er in dit geval werkelijk sprake was van een samenzwering heeft die het proces misschien alleen maar versneld en niet geconcipieerd, want het idee hing al in de lucht. In 1928 schreef het jonge reclamevakblad Printers Ink dat ‘een product dat niet kapot gaat een tragedie voor het bedrijfsleven is’. De auto-industrie ontdekte het principe van de ‘geplande veroudering’ al in een vroeg stadium. General Motors kreeg in 1931 de markt in handen door een voorsprong te nemen op Henry Ford, die aan het ouderwetse idee vasthield dat goederen een lange levensduur moesten hebben.

De term ‘geplande veroudering’ werd nog niet gebruikt door de gloeilampfabrikanten; deze methode werd aanvankelijk gepropageerd als een manier om de werkloosheid tijdens de Grote Depressie terug te dringen. Maar al snel kwam de reclamewereld erachter dat verleiding effectiever was dan de kracht van de wet. Consumenten ervan overtuigen dat hun dingen uit de mode waren nog vóórdat ze feitelijk stuk gingen, begon in de jaren vijftig in alle ernst. Soms moest er nog een beetje aan gesleuteld worden: nadat Dupont nylonkousen had uitgevonden die sterk genoeg waren om een vrachtwagen mee te verslepen, werden de chemici teruggestuurd naar het lab om nylonkousen te ontwerpen die rafelden als je je nagel erlangs haalde. Ook zijn er voor het voortbestaan van dit productiesysteem geen kartels of boetes nodig.

Nadat een aantal Amerikaanse sociale critici kritiek hadden geuit op de introductie van ‘geplande veroudering’ raakte de term buiten gebruik en werd vervangen door het wolliger klinkende ‘levenscyclus van een product’. Dat klinkt normaal, alsof iets deel uitmaakt van een natuurlijk proces van geboorte en verval. We vinden het nu de gewoonste zaak van de wereld dat de meeste voorwerpen die we gebruiken vervangen zullen moeten worden voordat we ze volledig hebben betaald. Uit de analyse van Hannah Arendt van de arbeid blijkt hoe onnatuurlijk deze veronderstelling is: als we geen permanente objecten in de wereld zetten, zou ons leven nooit menselijk zijn. Om een ander soort taal te gebruiken: we zijn gevormd naar het beeld van de Schepper, een wezen dat een wereld zou kunnen maken. Het moderne leven zet dit op z’n kop, want het is gebaseerd op een economie die niet alleen enorm ongelijk en verwoestend voor de planeet is, maar tevens de fundamentele menselijke waarde ondermijnt, de wens om iets van waarde te creëren. We willen dat onze inspanningen iets opleveren dat niets te maken heeft met het betalen van de huur.

Waarom willen volwassenen iets van waarde produceren? Noem het een daad van dankbaarheid: we willen de wereld iets teruggeven als dank voor de gave erin geleefd te mogen hebben. Je kunt het ook narcisme noemen: de wens om iets in de wereld achter te laten. Deze twee zaken kunnen samenkomen als deel van ons gevoel van waardigheid: als deze specifieke mens wil ik iets in de wereld neerzetten, met een handtekening. Dit is iets van wie ik ben. Deze waardigheid wordt ontkend in een economie die wordt voortgedreven door de productie van rommel.

Door het leven als een proces te beschrijven dat bergafwaarts gaat, bereiden we jongeren erop voor er weinig van te verwachten

Je hebt misschien geen filosofie nodig om te onderkennen dat werk dat een deel van de wereld transformeert cruciaal is voor het mens-zijn. Kinderen beginnen al dingen te maken zodra ze voldoende controle over hun vingers hebben verworven om een schep of een potlood vast te houden, en ze zullen dat onophoudelijk blijven doen tenzij ze voor een of ander verlammend scherm worden neergezet. Voor Kant is het de daad die het leven betekenis geeft, zozeer zelfs dat de daad een plicht wordt. Arendt verwoordt het nog eloquenter: ‘De taak en de potentiële grootheid van stervelingen zijn gelegen in hun vermogen om dingen te produceren – werken en daden en woorden – die het zouden verdienen eeuwig te duren, of althans in zekere mate thuis zijn in de eeuwigheid, zodat stervelingen daardoor een plek kunnen vinden in een kosmos waarin alles onsterfelijk is behalve zijzelf.’ (The Human Condition, 1958)

Maar al deze hymnes aan de arbeid laten zaken buiten beschouwing die Jean-Jacques Rousseau al wist toen hij zijn eerste briljante essay, Discours sur les sciences et les arts (1750), schreef. Daarin betoogde hij dat cultuur en wetenschap ons niet bevrijden, maar tot slaaf maken. De instrumenten die zij voor hun bevrijding gebruikten bleken bloemenslingers te zijn die de ketenen versieren – en verbergen – die ons binden. De cultuur is, als het erop aankomt, minder despotisch maar krachtiger dan de regering zelf. Zij zorgt ervoor dat we onze eigen slavernij liefhebben door ons ervan te overtuigen dat dit is waar de beschaving op uitdraait.

Rousseau is geen asceet: in veel passages van zijn Confessions wordt de lof gezongen van goede wijn, en de beschrijvingen in Emile, ou De l’éducation van de geneugten van vers fruit kunnen extatisch klinken. Geen enkele kleinigheid – of dat nu goed eten of wijn of het jongste hightech speeltje is – is een kwaad op zichzelf. Het probleem is dat ze valse behoeften kweken die ons afhankelijk maken. Het plezier dat je ontleent aan het kopen van de jongste smartphone duurt korter dan je ongerustheid en verwarring als je vergeet hem te laden: plotseling ben je hulpeloos. Onze afhankelijkheid wordt bevorderd door de gevestigde machten, want die afhankelijkheid leidt ons af van het nadenken over de echte zaken die onze levens conditioneren. Je kunt iedere willekeurige elektronicawinkel binnenlopen en uit een duizelingwekkend aantal smartphones kiezen. Hoeveel keuzes kun je maken over de regering die jou vertegenwoordigt, over het gebruik van het belastinggeld dat die regering van jou eist, en over de wetten waaraan je bent gebonden?

Medium neimann2

Afgezien van de smartphone staat dat allemaal in Rousseau’s Discours, dat in 1750 in Parijs een sensatie was. En de zaken zijn er erger op geworden dan de meest vooruitziende achttiende-eeuwse denkers zich konden voorstellen. De Duitse schrijver Ingo Schulze vergelijkt degenen die uiting geven aan dit soort gedachten met het kind in het sprookje De nieuwe kleren van de keizer van Hans Christian Andersen. Iedereen weet dat de machthebbers geen kleren aan hebben, maar niemand neemt de moeite om dat te zeggen – uit angst om kinderlijk of dom te worden genoemd. Schulze was verbaasd toen de financiële crisis beleid aan het licht bracht dat veel erger was dan alles wat hij op school over het kapitalisme had geleerd – ergens in de jaren zeventig, in het communistische Oost-Duitsland.

De gebeurtenissen van 1989 hebben niet alleen Oost-Europa getroffen. Sinds het einde van de Koude Oorlog heeft het neoliberalisme – het idee dat vrije, ongereguleerde markten die steeds grotere hoeveelheden slechte spullen produceren de basis vormen voor het menselijk geluk – niet alleen een religieuze, maar ook een absolutistische toon aangenomen. Degenen die op zoek zijn naar alternatieven worden lichtvaardig afgedaan als oude hippies of heimelijke stalinisten. Het is beslist geen toeval dat het religieus fundamentalisme explodeerde op hetzelfde moment dat het marktfundamentalisme de leidende mondiale ideologie werd, hoewel het een tragedie is dat het het meest populaire alternatief is geworden. Er is niets volwassens aan gedrag dat wordt gedicteerd door een religieuze autoriteit. Maar welke alternatieven bieden we? Een wereld waarin het idee van de vroegere burgemeester van New York Rudy Giuliani van een opbeurend – nee, heroïsch – antwoord op de terreuraanval op zijn stad was om tegen zijn burgers te zeggen dat ze moesten gaan winkelen, is een wereld die zich een slogan eigen heeft gemaakt die ooit was bedoeld als ironie: wie sterft met de meeste speeltjes wint.

Een weigering om volwassen te worden lijkt daarom rebels, en Peter Pan is een symbool van onze tijd geworden. De varianten van het verhaal weerspiegelen de neergang van het imago van de volwassenheid zelf. Aan het begin van de twintigste eeuw leek volwassen worden louter saai, maar aan het eind ervan uitgesproken pathetisch.

Naarmate de eigen capaciteiten van het kind toenemen wordt de wereld steeds onbegrijpelijker

Als deze sombere kijk op de volwassenheid nooit expliciet was gepland door degenen wier belang erin is gelegen dat de wereld niet beter wordt dan zij nu is, dient zij dit belang in ieder geval goed. Wat is een betere manier om mensen in zelfverkozen onvolwassenheid te houden dan een beeld van de volwassenheid presenteren waarnaar niemand die goed bij zijn hoofd is zou verlangen? Volwassen zijn wordt in brede kringen beschouwd als een zaak van het afzien van je hoop en dromen, van het aanvaarden van de grenzen van de werkelijkheid die aan je zijn gegeven, en van het je neerleggen bij een leven dat minder avontuurlijk, de moeite waard en belangrijk zal zijn dan je veronderstelde toen je eraan begon.

Nu we er niet in zijn geslaagd samenlevingen in het leven te roepen waar onze jongeren in willen groeien, idealiseren we de stadia van de jeugd. De meest verderfelijke idealisering is het wijdverbreide idee dat de beste tijd van je leven het decennium tussen je zestiende en 26ste is, als de spieren van jonge mannen en de huid van jonge vrouwen op hun best zijn. Ze zien er fris en mooi uit, en als we naar ze kijken vergeten we hoe afschuwelijk ze zich voelen, hoe onzeker, hoe verscheurd dikwijls. Door wat doorgaans de lastigste tijd van iemands leven is te beschrijven als de beste maken we die tijd juist nog moeilijker voor degenen die er doorheen gaan. De boodschap is onheilspellend: door het leven als een proces te beschrijven dat bergafwaarts gaat, bereiden we jonge mensen erop voor er heel weinig van te verwachten – en te eisen.

***

Kunnen we een alternatieve kijk op de volwassenheid vinden in Kant? Zijn tekstregel over zelfverkozen onvolwassenheid wordt vrij vaak aangehaald, te vaak, terwijl zijn opmerkingen over de volwassenheid nauwelijks worden opgemerkt. Laten we ons voor een moment wenden tot het einde van de Kritiek van de zuivere rede. De kindertijd van de rede is dogmatisch. Kleine kinderen neigen ertoe wat zij krijgen als de absolute waarheid te beschouwen. Welk perspectief zou hen in staat stellen dat in twijfel te trekken? Iedere stap die het kind zet lijkt zowel haar eigen krachten te bevestigen als de transparantie van een wereld die aanvankelijk geheimzinnig leek. Naarmate haar eigen capaciteiten toenemen wordt de wereld steeds onbegrijpelijker. Waarom zou ze niet veronderstellen dat ze allebei onbegrensd zijn? Voor het kleine kind zal de dogmatische metafysica van Leibniz voor de hand liggend lijken: als we maar genoeg wereld en tijd zouden hebben, zouden we in staat zijn alles te weten – en te begrijpen dat deze wereld de beste van alle mogelijke werelden is. Wat anders zou zin hebben?

De volgende stap van de rede is scepsis, en hoewel het woord ‘adolescentie’ in Kants tijd nog niet was uitgevonden, beschrijft hij alle symptomen ervan: de bijzondere mengeling van teleurstelling en blijdschap die gepaard gaat met de ontdekking van de tiener dat de wereld niet zo is als ze zou moeten zijn. Zelfs op hun allerbest – wat ze zelden zijn – hebben ouders en docenten tekortkomingen. Ze weten minder dan we dachten en ze kunnen minder oplossingen bieden dan we hoopten. Ook al hebben ze niet gelogen, ze hebben ons niet alles verteld wat ze hadden kunnen vertellen; ze willen ons op de verkeerde manieren in bescherming nemen en slagen er niet in om ons op de juiste manieren te beschutten. Ze brengen ons in verlegenheid met gewoonten en geloofsovertuigingen die ze onvermijdelijk in een eerder tijdperk hebben opgedaan. Waarom zouden we niet concluderen dat alle waarheden en regels die we van ze hebben geleerd ondoordacht waren? En dat de ideeën zelf die om waarheden en regels vragen het verdienen te ruste te worden gelegd? Waarom zouden we ons niet bewegen van een grenzeloos vertrouwen in de wereld naar een grenzeloos wantrouwen?

Kant zegt dat deze stap volwassener is dan de verbaasde goedgelovigheid van de kindertijd van de rede, en daarom noodzakelijk en waardevol is. Maar de wilde zwaai van grenzeloos vertrouwen naar permanent wantrouwen is nog geen volwassenheid. Het zal geen verrassing zijn dat volwassenheid Kants metafoor is voor zijn eigen filosofie, die je de wijsheid moet geven om een pad te vinden tussen het onbedachtzaam aanvaarden van alles wat je is verteld en het onbedachtzaam afwijzen daarvan. Volwassen worden is een zaak van het erkennen van de onzekerheden die zich door onze levens heen weven; of erger nog, van het leven zonder zekerheid, terwijl we erkennen dat we daar onvermijdelijk naar zullen blijven zoeken. Zo’n standpunt is makkelijker te beschrijven dan er consequent aan vast te houden, maar wie heeft ooit gezegd dat volwassen worden makkelijk zou zijn?

Het probleem met dit alles is, op het eerste gezicht, niet dat het moeilijk is, maar dat het saai is. Erger nog dan saai, het klinkt berustend. Om te begrijpen waarom dat niet zo is, moeten we terugkeren naar Kants bewering dat volwassen worden meer een kwestie van moed dan van kennis is: er is moed voor nodig om te leven met de kloof die door onze levens zal lopen, hoe goed die ook mogen zijn. Idealen van de rede vertellen ons hoe de wereld zou moeten zijn; de ervaring vertelt ons dat ze zelden zo is. Volwassen worden houdt in dat je de confrontatie met de kloof tussen deze twee moet aangaan – zonder een van beide op te geven.

De meesten van ons komen in de verleiding om dat wel te doen. Terwijl er voorbeelden te over zijn van mensen die vasthouden aan dogma’s uit hun kindertijd – te denken valt aan bepaalde predikers en politici – komt het in onze tijd vaker voor dat mensen vastzitten in het moeras van de adolescentie. Blijkt de wereld niet de ideeën en idealen te weerspiegelen die zij erop nahielden? Jammer dan van die idealen. Het vasthouden aan idealen in een wereld die er geen plek voor lijkt te hebben wordt een bron van teleurstelling, ja zelfs van schaamte. Het is veel beter er volledig afstand van te doen dan geplaagd te worden door de herinnering aan een teloorgegane hoop; het is veel moediger om de diepte van de verrotting van de werkelijkheid onder ogen te zien dan om je vast te klampen aan iets wat een illusie bleek te zijn. Maar zo’n standpunt is minder moedig dan je denkt, want er is volstrekt niets anders voor nodig dan een zweem van stedelijkheid; je hoeft niets anders te doen in de wereld dan je hoofd ervoor schudden.

De werkelijkheid is niet rationeel, en de taak van de rede is om ervoor te zorgen dat we dat nooit vergeten

Het wereldbeeld van Kant wordt makkelijk verward met een stoïcijns wereldbeeld. Maar volgens Kant maakt de stoïcijn zich schuldig aan kwade trouw, want de bewering dat geluk niets anders is dan deugd is een eloquente variant op de zure druiven van de vos. Het menselijk verlangen naar geluk is niet iets triviaals. Ook is het geen kwestie van passies die kunnen worden gekoeld of aangewakkerd. De sleutel tot het wereldbeeld van Kant kan worden aangetroffen in zijn introductie van het idee van het geluk waardig zijn. Want daarmee introduceert hij een notie van de rede. Als je zo hebt geleefd dat je het geluk waardig bent, maar er bij voortduring niet in slaagt het te verkrijgen, zal niet je passie maar je rede in opstand komen.

De rede is de bron van regulerende principes, ideeën die ons niet vertellen hoe de wereld is, maar die onze acties daarbinnen richting geven. De rede is de motor achter jouw streven om de wereld zin te geven, door je ertoe te bewegen om te vragen waarom dingen zijn zoals ze zijn. Om theoretische redenen wordt de uitkomst van dat onderzoek wetenschap; om praktische redenen is de uitkomst een rechtvaardiger wereld. Een wereld waarin degenen die het geluk waardig zijn onderworpen zijn aan ellende en onderdrukking is een wereld die ontwricht is, en de rede moet dat ondraaglijk vinden. Het is geen kwestie van aardig vinden of niet aardig vinden, een wens of een passie, maar een behoefte van onze rede die in woede of berusting kan worden ontkend, maar nooit helemaal kan worden vernietigd.

Voor de stoïcijn is het weigeren om de wereld te aanvaarden zoals ze is een zaak van menselijke zwakheid die kan worden genezen door je emoties te veranderen. Voor Kant is die weigering juist de menselijke kracht. Latere schrijvers stelden dat ons onvermogen om de werkelijkheid te aanvaarden voortvloeit uit kinderlijke verlangens waar we uit zouden moeten groeien. Voor Kant vloeit dit voort uit de stem van de kritische rede, en is het een stem die gehoord moet worden.

Om die reden is de filosofie zelf een cruciaal onderdeel van het volwassen worden. Zij zal je niet troosten of sussen; het is vrijwel zeker dat zij je leven moeilijker zal maken. Want de werkelijkheid is niet rationeel, en de taak van de rede is om ervoor te zorgen dat we dat nooit vergeten. Door ons door de dialectiek tussen dogmatisme en scepsis heen te leiden, zorgt de filosofie ervoor dat we het wonder en de verontwaardiging eren die in beide aanwezig zijn. Ze vereist dat wij het verschil leren tussen is en zou moeten, zonder een van beide op te geven. Hegel dacht dat dit proces resulteert in een ongelukkig bewustzijn, en de jonge Nietzsche noemde de filosofie van Kant tragisch. Geen van beiden zit er helemaal naast. Er is een permanent, precair evenwicht voor nodig om één oog gericht te houden op de manier waarop de wereld zou moeten zijn, zonder ooit het gezicht kwijt te raken op hoe de wereld is. Je moet er het feit voor onder ogen durven zien dat je nooit de wereld zult krijgen die je wilt, terwijl je weigert om jezelf te laten ophouden die te willen.

Dit is wat Kant bedoelde toen hij schreef dat volwassen worden minder een zaak van kennis dan van moed is. Er is moed voor nodig om staande te houden dat een regime dat je kan doden, martelen of gevangen zetten anders zou moeten zijn, en het is terecht dat we de mensen eren die deze moed vinden. Dat soort moed is nooit makkelijk, maar doorgaans ongecompliceerd, en dikwijls makkelijker te vatten dan de moed om weerstand te bieden aan de diverse vormen van spot waarmee democratischer culturen hun critici ondermijnen. Het is een beschamend feit dat we vaak banger zijn in verlegenheid te worden gebracht dan dat we angst hebben voor een hele hoop andere ongemakken, maar dat maakt het nog niet minder waar. Hoe vaak ben je er niet voor teruggeschrokken om uiting te geven aan je hoop of verontwaardiging, uit angst om als kinderlijk te worden weggezet? Vreemd genoeg is die angst iets van de adolescentie, stammend uit een tijd waarin weinig erger lijkt dan minder volwassen over te komen dan je leeftijdgenoten. Op dit punt kan Kant helpen, niet door troost te bieden, maar door je ervan te verzekeren dat je onvermogen om te worden getroost door een of andere versie van het stoïcisme niet jouw fout is. Je hebt gelijk om verontwaardigd te zijn.

Als het idee van een recht op geluk geen wensdroom is, maar een eis die door de rede wordt geformuleerd, kunnen de gevolgen revolutionair zijn. Dit soort eerlijkheid vergt moed, omdat de onmogelijkheid om rede en natuur samen te brengen niet echt een waarheid is die we willen weten. Er is moed voor nodig om te erkennen dat onze idealen en onze ervaringen gelijkwaardige claims op ons hebben. Volwassen worden is een kwestie van het respecteren van die claims en het er zo goed mogelijk aan tegemoet komen, in de wetenschap dat je daar nooit helemaal in zult slagen, maar weigerend je over te geven aan dogmatiek of wanhoop. Als je lang genoeg leeft zal elk daarvan waarschijnlijk zijn best doen om je te verleiden. Doen wat je kunt om jouw deel van de wereld meer te laten lijken op hoe het zou moeten zijn, zonder ooit uit het oog te verliezen hoe het in werkelijkheid is, is wat volwassen worden betekent.


Deze lezing sprak de Amerikaanse filosofe Susan Neiman 24 november uit bij het in ontvangst nemen van de Spinozalens 2014. Ter gelegenheid daarvan verscheen bij uitgeverij Boom haar essaybundel Afgezien van de feiten. Begin november verscheen bij Ambo/Anthos haar boek Waarom zou je volwassen worden?

Vertaling: Menno Grootveld


Beeld: (1) Rineke Dijkstra, The Buzzclub_, Liverpool, 11 maart 1995 (Rineke Dijkstra, Stedelijk Museum Amsterdam). (2) Rineke Dijkstra,_ Kolobrzeg_, Polen, 26 juli 1992_.