Amsterdam 1996. Alleen een nieuwe generatie, de nieuwste, de jongste, gaat het allemaal opnieuw uitvinden © Clemens Rikken / ANP

Het gesprek komt op generaties. Terwijl de gastheer de maaltijd op tafel zet – eenvoudig, smaakvol, veganistisch – vragen we elkaar wie waarbij hoort. De man naast me, met wie ik ben gekomen en met wie ik straks weer naar huis ga, behoort met zijn 23 jaar tot Generatie Z. Onze gastheer (38) is een millennial, de gastvrouw (30) ook.

En ik? Ik ben geboren in 1980, wat betekent dat ik afwisselend wel en niet tot de millennials word gerekend; dat ik soms zelfs bij Generatie X word ingedeeld, terwijl dat de generatie is waar ik ooit tegenop keek, toen ik een scholier was en zij hun entree maakten op de arbeidsmarkt, inspraak kregen in de samenleving. Generaties veranderen van betekenis, of ze verdwijnen compleet. Soms ben ik een ‘old millennial’ en soms een ‘xenial’ – ik ben precies niks. ‘Boomer’ verandert as we speak in een scheldwoord dat niets te maken heeft met leeftijd en alles met conservatisme. Wie heeft het nog over de confettigeneratie? Over de patatgeneratie?

Terwijl de gastheer onze borden opstapelt en de gastvrouw glazen met glühwein vult, vraag ik me hardop af of een generatie niet vooral iets betekent als ze nieuw is. Alleen een nieuwe generatie gaat alles anders doen. Alleen een nieuwe generatie, de nieuwste, de jongste, gaat het allemaal opnieuw uitvinden. Wat we proberen te duiden is niet een generatie, maar de tijd waarin we leven. Ongehinderd door het fatalisme dat komt met de jaren, de kennis en ervaring die verhelderen en vertroebelen tegelijk, herbergt de nieuwe generatie de belofte van verandering, van korte metten met wat was en een nieuwe kijk op wat gaat komen.

Ze werden ‘post-boomers’ genoemd, of ‘baby busters’. Ze waren de ‘MTV Generation’ of de ‘New Lost Generation’. Pas toen de Canadese Douglas Coupland in 1991 debuteerde met de roman Generation X: Tales for an Accelerated Culture kregen ze een etiket dat bleef plakken: Generatie X, waarbij de x staat voor ‘onbestemd’. In Generation X ontvluchten drie twintigers zowel letterlijk als symbolisch de realiteit. Andy, Claire en Dag hebben geen carrière, geen koophuis. Ze trekken naar de Californische woestijn, naar de rand van de samenleving, waar ze zich vermaken door elkaar verhalen te vertellen. Alleen vanaf een afstand kunnen ze zich verhouden tot de wereld waar ze tegen wil en dank onderdeel van zijn.

Nederlandse twintigers deden er vervolgens nog een schepje bovenop: ze noemden zichzelf ‘Nix’.

In 1994 wijdt De Groene Amsterdammer een special aan de jonge schrijvers die de eersten zijn om met de Nix-vlag te zwaaien. Nix’er Rob van Erkelens (Het uur van lood, 1993) laat in een interview optekenen dat deze club jonge schrijvers zich afzet tegen de ‘Connie Palmen-generatie’, die filosofisch is waar Nix schrijft ‘vanuit de tenen en de onderbuik’. Iets verderop zegt Ronald Giphart (Ik ook van jou, 1992; Giph, 1993) dat ‘het thema van onze generatie inertie, luiheid [is], een totaal gebrek aan betrokkenheid bij de rest van de wereld’. Als hij zich ergens tegen afzet, zegt hij, is het ‘het verhevene in de literatuur’. In een essay waarin ze Nix in een internationale context plaatst, analyseert Xandra Schutte, inmiddels hoofdredacteur van De Groene en ook te lezen in deze bundel, dat Nix wordt gedefinieerd door een ‘overdosis aan zelfbewustzijn’. Deze schrijvers en hun personages kijken toe en nemen deel, zijn speler en toeschouwer tegelijk. ‘Van verzet, opstand, revolte is geen sprake; die worden hoogstens verlangd door de aan het aloude model vastgekoekte “ouderen”’, schrijft Schutte. ‘Nee, de personages van de betreffende jonge schrijvers zijn geen hemelbestormers, maar apathische, levensmoede, verveelde en licht criminele (post-)pubers.’

‘We actively didn’t care’, typeert essayist Christy Wampole Generatie X in 2012 in een essay voor The New York Times. ‘Ons archetype was de nietsnut die sjokkend door het leven gaat in geruit flanel, alleen in zijn kamer, onbegrepen. En wanneer het schouderophalen ons begon te vervelen, waren we vaag boos en melancholisch, aten we antidepressiva alsof het snoep was.’

Een ‘Why Bother Generation’ noemt Schutte de personages van Amerikaanse GenX-schrijvers als Bret Easton Ellis, Tama Janowitz en Jay McInerney; ‘dolgedraaide consumptiezombies’ die alles in overvloed hebben en daardoor nergens meer plezier aan beleven – hooguit aan harddrugs, perverse seks, sadisme en geweld.

Laveren jonge mensen niet altijd tussen rauwe emotie en _I-don’t-care-coolness?_ Tussen naïviteit en bravoure?

Vanaf het omslag van mijn uitgave van Shampoo Planet, dat spiegelend zilver is, roept Time Out naar me: ‘A New Age J.D. Salinger on smart drugs’. In dit vervolg op Generation X uit 1992 probeert Douglas Coupland de allerjongste generatie te analyseren, die hij de ‘Global Teens’ noemt. De Global Teen, in Shampoo Planet vertegenwoordigd door Tyler, het broertje van Andy uit Generation X, is ambitieus, kapitalistisch, materialistisch en rechts. Generatie X weet misschien niet helemaal wat ze aan moet met het idealisme van hun ouders, maar zij vluchten er eerder voor weg dan dat ze zich ertegen verzetten. De Global Teen daarentegen is het ultieme tegendeel van de boomer – de anti-hippie.

Weer een ander boek: Less Than Zero (1985), waarin Bret Easton Ellis dit type jongere al ver vóór Coupland kenschetste. In dikke onderstreepte letters stelt de uitgever op de achterflap: ‘The shocking novel of the new lost generation – a publishing sensation’. Daaronder een citaat van USA Today: ‘Catcher in the Rye for the MTV Generation’. Vervolgens pak ik Bright Lights, Big City erbij, Jay McInerney’s roman uit 1984 over het snelle leven in eighties Manhattan. Binnenin een citaat uit Playboy: ‘Think of it as a Catcher in the Rye for the M.B.A. set’.

De vraag is: zijn jonge mensen niet altijd op dezelfde manier jong? Laveren ze niet altijd tussen rauwe emotie en I-don’t-care-coolness? Tussen naïviteit en bravoure? Zijn jonge schrijvers niet altijd would be-Salingers, zoals hun personages altijd would be-Holden Caulfields zijn? Zijn hun debuten niet altijd Catcher-in-the-Rye’s-voor-een-nieuwe-generatie?

In De geschiedenis van mijn seksualiteit (2021) stelt Tobi Lakmaker: ‘Ik wilde een Grote worden.’ Is dat niet wat alle jonge schrijvers willen?

Ik wilde een Grote worden . Sterker nog, ik was er een, een Grote, toen ik zeventien was. Ik
maakte mezelf groot, ik blies mezelf op als een ballon. Ik sloeg de dagen om alsof het pagina’s waren in een boek, ik monteerde de nachten aaneen tot een film. In kleine kriebellettertjes schreef ik teksten uit liedjes en boeken op briefgeld, zoals de hoofdpersoon uit Shampoo Planet. Met een merkstift zette ik iedere dag een nul op mijn hand, zoals Thurston Moore van Sonic Youth zingt in Teenage Riot: ‘We paint a zero on his hand’.

De personages uit de boeken van Ronald Giphart, schrijft Xandra Schutte in 1994, ‘willen literatuur van het leven maken voordat het is geleefd’ en dat was precies wat ik deed. Ik leefde in de muziek die ik luisterde, smokkelde de boeken die ik las de werkelijkheid in. Ik las Giphart, Grunberg, Van Erkelens. Ik las Bret Easton Ellis, Dennis Cooper, Paul Mennes. Ik hield van hard en ballsy. Van snel en diepzwart. Ik hield van het gekoketteer met verveling en met alle manieren waarop die verveling werd bestreden: de seks, de drugs, de feestjes. Ik hield van het grimmige en het spottende, van het wilde. ‘Zap’ was het woord van de jaren negentig, het mtv-logo was het embleem. Ik hield van het speelse. Van de veelheid, de overdaad. Ik propte me vol en had nooit genoeg.

‘I’ve got an end-of-the-world-story.’ Na Shampoo Planet blader ik mijn exemplaar van Generation X door. Pagina 62 heeft een ezelsoor, een paar zinnen zijn onderstreept met potlood. ‘And that’s that’, besluit personage Dag droogjes zijn verhaal over het einde van de wereld, dat plaats heeft tegen de backdrop van een supermarkt – nog zo’n cynisch symbool van de nineties. ‘In the silent rush of hot wind, like the opening of a trillion oven doors that you’ve been imagining since you were six, it’s all over: kind of scary, kind of sexy, and tainted by regret. A lot like life, wouldn’t you say?’ De zinnen roepen een sterke herinnering op, ik moet ze talloze keren gelezen hebben. ‘Een soort van eng, een soort van sexy, en gekleurd door spijt.’ Ik sla het boek dicht en lees een citaat uit Cosmopolitan op de achterflap: ‘Truly a modern-day Catcher in the Rye.’

Jong zijn we allemaal op dezelfde manier. We willen een Grote worden. We willen vrij zijn en het anders doen. Maar wie kan het zich nog veroorloven om het einde van de wereld te romantiseren? ‘In onze generatie zul je geen wereldverbeteraars aantreffen, niemand gelooft daar meer in’, zegt Rob van Erkelens in 1994. ‘Carrière maken hoeft ook niet. Waarom zou je dat doen? Dat schenkt geen bevrediging.’ Zijn uitspraak vindt een echo in een van de frases waar Coupland de kantlijnen van Generation X mee heeft volgezet: ‘Quit Your Job’. Maar meer dan twintig jaar later is werk onderdeel geworden van onze identiteit. Het is niet iets wat je doet, het is wie je bent.

De verschillen tussen toen en nu: we vervelen ons niet meer, we zijn juist overwerkt. We zijn wereld-verbeteraar, netwerker, huizenbezitter

In Generation X staat in een stripje te lezen: ‘Hey dad, you can either have a house or a life… I’m having a life.’ Maar meer dan twintig jaar later lijkt er voor jonge mensen niets begerenswaardiger dan het kopen van een huis. De personages uit Van Erkelens’ Het uur van lood, schrijft Xandra Schutte in De Groene, ‘vervelen zich te pletter, hopen dat de oorlog uitbreekt of de aarde ten onder gaat. Dan zouden ze voor het eerst iets schokkends waarnemen.’ Hierin tekenen de verschillen tussen toen en nu zich af: we vervelen ons niet meer, we zijn juist overwerkt. We zijn wereldverbeteraar, netwerker, huizenbezitter, feestneus. We verdienen geld en kopen huizen – of doen daar een verwoede poging toe. Wie kan het zich nog veroorloven om jong te zijn?

In Philip Huffs roman Niemand in de stad(2012) lopen drie Amsterdamse studenten ‘Mondriaan-stijl’ naar huis, oftewel in een zo recht mogelijke lijn door de binnenstad. Dus klimmen ze over bankjes en fietsen, waden ze door het koude water van de gracht. Dit is de branie van het jong-zijn, dit is hoe je jezelf opblaast en groot maakt. Het was pas toen ik de verfilming zag, toen ik zag hoe deze studenten – twee mannen, één vrouw – door de stad gaan alsof die van hen is, omdat de stad ook van jou is als je jong bent, dat ik me realiseerde dat het een privilege is, jong-zijn. Dat het niet iedereen gegeven is om het gevoel te hebben dat de stad, de wereld, van jou is.

In de verfilming klimt het drietal niet alleen over fietsen maar ook over auto’s. Wat als ze niet wit waren geweest maar getint? Was speelsheid dan aangezien voor vandalisme? Wat als het drie dronken meisjes waren geweest? Was stoutmoedig dan aangezien voor ordinair?

Jong zijn we allemaal op een andere manier. Ik dacht eraan toen ik, voor deze bundel, Jeugd in opstand, Edna O’Briens The Country Girls las. De opstand van hoofdpersonage Cait – verlegen, romantisch, angstig – is een zachte opstand. In de wereld waarin zij opgroeit – een kleine religieuze gemeenschap – is een kleine stap buiten het gebaande pad al een stap met grote consequenties. Opstand kan trappen zijn, maar ook zachtjes duwen. Opstand kan schreeuwen zijn, of juist niets doen. Opstand is de straat op gaan met z’n allen, of schrijven in je eentje.

Jong zijn we allemaal op dezelfde manier. We willen een Grote worden. We willen vrij zijn en het anders doen. Maar de vrijheid van de een is niet de vrijheid van de ander en opstand betekent voor iedereen iets anders. Voor deze bundel brachten de literatuurredactie van De Groene Amsterdammer, de redacteuren van Das Mag en ikzelf boeken bij elkaar, geheide en nieuwe klassiekers, waarin zo veel mogelijke manieren van jong-zijn voorbijkomen – van de Sturm und Drang van Goethe tot Angry Young Man Kingsley Amis, van de schaamte van Gerard Reve tot de passiviteit van Bret Easton Ellis, van de bijbelse lyriek van James Baldwin tot de provocatie van Philip Roth, van de maatschappijkritiek van Natasha Brown tot de branie van Françoise Sagan, van de vrijheidsdrang van Lale Gül tot de vadermoord van Edmund Gosse. Het zwelgen, de drift, de romantiek, de verveling, de frustratie die allemaal horen bij het verzet tegen de generaties die voor je kwamen. Het is aan de lezer, om de verbanden te vinden, en de verschillen. Wat betekent het precies om jong te zijn? Om tot een generatie te behoren? Om in opstand te komen?

De gastvrouw schenkt onze glazen bij. Buiten de ramen is het donker, dat was het al toen we arriveerden. Het einde van het jaar nadert en de dagen zijn kort. In kranten en op sociale media wordt intussen de balans opgemaakt. Humoverkiest Tobi Lakmakers De geschiedenis van mijn seksualiteit
tot boek van het jaar, een boek dat, zo schrijven ze, ‘terecht [is] vergeleken met J.D. Salinger’.

De gastheer, die niet toevallig historicus is, zet hardop zijn vraagtekens bij het idee dat een generatie in een term te vatten is. Dat er iets zou kunnen zijn wat jonge mensen werkelijk bindt. Hoe anders, zegt hij, was dat voor de jongeren die opgroeiden tijdens de Tweede Wereldoorlog, die noodgedwongen een ervaring deelden – een trauma.

Als de glühwein op is, en de vertrektijden van de tram zijn op één hand te tellen, nemen we afscheid. We knuffelen niet, we geven geen kussen. Voordat we onze handschoenen aantrekken, wassen we onze handen. Het zijn de kleine rituelen die horen bij de nieuwe wereld, bij het konijnenhol waar we twee jaar geleden in zijn getuimeld. Wie opgroeit in dat konijnenhol, realiseer ik me, zal in ieder geval iets meemaken. De tieners en twintigers die we nu nog ‘Generatie Z’ noemen, en soms ‘zoomers’, zullen in ieder geval iets delen. Hoe zal hun vrijheidsdrang eruitzien? Hoe zullen ze breken met de generaties voor hen, met ons? En als ze schrijven, zit er dan iets achter hun stijl? Als ze een Grote worden, zijn ze dan meer dan een lege ballon? Is het cynisch om te denken dat een pandemie neemt maar ook geeft? Ik kan niet wachten om hun literatuur te lezen.

Dit is een bewerkte versie van de inleiding van Jeugd in opstand: De dwarse leeslijst, samengesteld door Basje Boer. Het verschijnt deze week bij Das Mag