De generatiekloof

Jonge cynici versus gevallen romantici

In onze cultuur vol kloven is die tussen de generaties een van de meest vertrouwde. In dit verhaal zijn de pot en de ketel Adriaan van Dis (1946 – ‘Wij wilden het houvast van de verzuiling niet, maar hebben geen alternatief aangereikt’) en Rob Wijnberg (1982 – ‘We zijn individualistisch, ontevreden en onverschillig’).

‘DAT DOET ME DENKEN aan Balkenende’, onderbreekt Rob Wijnberg zijn gespreksgenoot, ‘als hij zegt dat hij op Hyves “al meer dan honderd reacties” heeft gekregen, terwijl er wel acht miljoen mensen lid zijn van Hyves.’ ‘O jee’ – met een vieze blik schrikt Adriaan van Dis van deze ongewone vergelijking. Van Dis’ betoog over het engagement onder jongeren – ‘Nederland stikt van de ambitieuze mensen, het zijn er honderden!’ – stuit op verzet van de jeugdige Wijnberg (1982). Het verschil is tekenend; niet alleen is de jongste generatie gevormd door een digitale omgeving, ook de algemene levensinstelling lijkt veranderd. Jongeren zijn realistisch, op het cynische af, en willen niets te maken hebben met naïeve wereldverbeteraars. Rob Wijnberg, filosoof en columnist voor nrc.next, schreef met Boeiuh! Het stille protest van de jeugd (2007) een analyse van zijn leeftijdgenoten: ‘We voeren een strijd zoals de hippies in de sixties, maar onttrekken ons daarbij – ogenschijnlijk bewust – aan idealisme.’
Aan idealisme heeft het Adriaan van Dis (1946) en zijn generatie niet ontbroken. Net als Wijnberg was Van Dis in het begin van zijn carrière werkzaam bij NRC Handelsblad. In tegenstelling tot zijn jongere collega pleegde hij openlijk verzet tegen het ouderlijk juk. De generatiekloof was nooit zo groot als die tussen jeugd en gezag in de jaren zestig. Desalniettemin is Van Dis altijd een buitenstaander gebleven, een wandelaar in eigen generatie, die meer observeert dan dat hij op de barricaden staat. Ook nu houdt hij zijn hand niet boven het hoofd van zijn tijdgenoten: ‘Mijn generatie stopte te veel in de la. Ik vereenzelvig me daarmee, want als er een ongunstig rapport uitkwam over Marokkaanse delinquentie werd er gewoon niet over geschreven. Dat is verkeerd; een gezonde democratie heeft een beerput nodig. Soms moet je de wonden uitwassen en het probleem benoemen. Daar zitten we nu middenin.’
De grootste generatie die Nederland kende, meer dan twee miljoen babyboomers, gaat de komende jaren met pensioen. De vraag is hoe de generatie na hen de wereld denkt vorm te geven, nu het einde van de babyboomdominantie in zicht is. De nalatenschap van een generatie die brak met de mores van haar ouders lijkt niet te voldoen aan de jeugdige naoorlogse verwachtingen. Voor welke fouten kan nestor Van Dis de aanstormende Wijnberg behoeden? En wat wordt de nieuwe rol van de voormalige protestgeneratie? De breedte en de diepte van een generatiekloof zijn constant in verandering; afhankelijk van historische breuklijnen zijn het revolutionaire of geruisloze machtswisselingen. Het lijkt echter inherent aan het bestaan van een generatie dat ze zich afzet tegen de voorgaande.
Rob Wijnberg: ‘Mijn ouders zijn babyboomers. Ze hadden mijn leeftijd toen de wederopbouw in volle gang was. Ze kregen te maken met nieuwe vrijheden en ageerden tegen hun ouders. Voor mijn moeder is het een verhaal apart: zij ontvluchtte het communistische Slowakije en is via de Verenigde Staten in Nederland terechtgekomen. Mijn opa van vaderskant is voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika gevlucht. Hij heeft zijn ouders niet meer teruggezien, ze zijn in de oorlog omgekomen. Mijn vader is geboren in het vrije Amerika. Hij leefde al de jeugd waarvan mijn moeder nog een poster boven haar bed had hangen.’
Adriaan van Dis: ‘Ik kom uit een gezin dat door de oorlog getekend is. Jij hebt het over “omgekomen”, ik noem het “vermoord”. Mijn moeder is in 1910 geboren en heeft in een jappenkamp gezeten, een Japans interneringskamp moet je eigenlijk zeggen; ook daarin heb je een verzachtende variant en een woord dat meer de woede en de pijn uitdrukt. Haar eerste man is door de Japanners onthoofd. Haar tweede man, mijn vader, overleed toen ik tien jaar oud was. Hij heeft op een troepenschip gezeten met zesduizend man, van wie er maar vierhonderd het overleefden toen het schip zonk. Mijn vader was een jonge man en vond een plankje om op te blijven drijven. Als je zo’n stuk hout vindt en je dobbert in de oceaan, dan zeg je niet tegen een ander: “Kom erbij.” Nee, die trap je eraf. Dat heeft mijn vader gemaakt tot een zeer vreemde man, die in het donker lag te tellen.
Ik hoorde niet bij de oorlog, want ik was in december 1946 geboren. Maar ik wilde er wel graag bij horen en was daarom ontzettend anti-Duits; ik ging in het kleuterverzet. Zo hoorde je in ieder geval bij de oorlog die telde, die van de Nederlanders. Nederlanders waren alleen geïnteresseerd in hun eigen leed, niet in dat van mijn ouders. Hoe langer geleden de oorlog is, hoe meer ze ook in het verzet hebben gezeten. Oorlog is mijn jeugd. Enerzijds de constante herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, anderzijds de angst voor een nieuwe, Koude Oorlog. Dat bleef zo tot halverwege de jaren zestig. Toen kwamen de Provo’s, waar ik ontzettend graag bij wilde horen, en zetten we ons eindelijk af tegen de oude conventies en vrijheidsbelemmeringen. We tilden die kaasstolp van armoede, angst en gehoorzaamheid over onze hoofden op en zijn in de glasscherven gaan dansen.’

DE BABYBOOMGENERATIE is opgegroeid in een tijd dat de vijand vanzelfsprekend was. Eerst waren het de Duitsers, daarna de Russen. Dit was voor de generatie die opgroeide na de val van de Muur radicaal anders.
Wijnberg: ‘Je moet daarin twee perioden onderscheiden. De jaren negentig, waarin we ons bewust werden van de maatschappij om ons heen, waren vijandloos. Dat heeft ons tolerant, ruimdenkend en positief ingesteld gemaakt. We waren zonder littekens. Alles mocht, iedereen kon rijk worden en grote problemen waren er niet. Dat is de eerste helft van onze jeugd. De omslag kwam op 11 september 2001, toen we geconfronteerd werden met de grootste “vijand” die we ooit hebben gekend: in potentie iedereen. Opgegroeid zonder kerk en zonder morele ijkpunten kwamen we terecht in een tijd waarin alles werd voorgespiegeld als gedoemd. Het jaar 2001 is daarin een duidelijk breekpunt. Niet alleen door de aanslagen op de Twin Towers, maar vooral door de manier waarop de politiek kantelde. Die veranderde van een politiek van vooruitgang naar een politiek van angst. De tolerantie die hoorde bij de jaren negentig, een periode waarin de waarheid niet bestond, in combinatie met de onzichtbare vijand van de afgelopen jaren en een overdaad aan nieuwsberichten, heeft ons extreem cynisch en onverschillig gemaakt. Dat wordt nu weer enigszins hersteld door Obama, die wil terugkeren naar het idee dat het beter kan, in plaats van je te wapenen tegen alles wat fout kan gaan. Hij zorgt voor een kleine waakvlam van hoop in een tijd zonder geloof.’
Van Dis: ‘Toen ik opgroeide zaten we juist vast in waarheden, die van de verzuiling. Ik ervoer deze als een gevangenis. Dat begon al erg vroeg: op een conferentie voor schoolkrantbaasjes zat ik in een modelparlement namens de JOVD (jongerenafdeling van de VVD – red.), want ik was bang, behoudend en vond dat vrouwen geen broeken moesten dragen. Toen ik bij de VPRO zat en de mogelijkheid kreeg om naar de beter betalende Vara te gaan, zei iemand in de hoofdredactie van NRC Handelsblad tegen me: “Als je dat doet, verlies je je literaire status als schrijver.” Want dan werd je een Vara-schrijver, en die, ik heb het nu over begin jaren tachtig, had minder aanzien dan een schrijver van de VPRO. (Met overslaande stem:) Gadverdamme! Dat ik daar naar luisterde en aan gehoorzaamde. Ik ben echt jaloers op latere generaties, die niet beperkt werden door de verzuiling. Het enige probleem is dat er alleen maar consumentisme voor in de plaats is gekomen. Wij wilden het houvast van de verzuiling niet, maar hebben geen alternatief aangereikt. Dat is de tragiek van onze nalatenschap. De inhoudsloosheid.’

NA HET WEGVALLEN van verzuilde en ideologische waarheden is er geen absolute waarheid voor teruggekomen. Iedereen was zich ervan bewust dat de waarheid niet meer bestond. Joris Luyendijk paste die conclusie toe op het bestaan van de correspondent: het zijn net mensen, en dus subjectief in hun berichtgeving (Het zijn net mensen, 2006). Toch neem je het hem in een van je columns kwalijk dat hij openlijk uitspreekt dat waarheidsvinding een utopie is.
Wijnberg: ‘Hij heeft ook wel gelijk, maar je moet de schijn van de waarheid behouden. Dat is het probleem: we zijn de illusie kwijt dat er een waarheid bestaat. “Gedesillusioneerd” is nog de beste beschrijving van onze gemoedstoestand. Zonder illusies kom je weliswaar dichter bij de realiteit, maar het leidt ook tot autoriteitsverlies: je gelooft niemand meer. Je gaat je uitsluitend met jezelf bezighouden en je zo kleiner maken.’
Van Dis: ‘Dat begrijp ik niet, je kleiner maken als je niet in autoriteit gelooft? Je maakt jezelf dan toch juist groter? Ik geloof ook niet in autoriteit, maar jij komt binnen en noemt wel tien keer de naam van Obama!’
Wijnberg: ‘Wij zijn het geloof in autoriteit kwijt, dat is iets anders dan je ervan losmaken. Dan erken je namelijk dat er een autoriteit is, en dat doen jongeren niet. Wij hebben ouders, politici en media simpelweg irrelevant gemaakt. De waarheden die je niet bevallen, filter je weg. Ze zijn er gewoon niet. Je kijkt de andere kant op. Dat is het “stille protest” van onze generatie. In hoeverre dit daadwerkelijk protest is? Achter die passieve onverschilligheid gaat wel een grote onvrede schuil. We hebben ons afgekeerd van nieuws en maatschappelijke kwesties omdat we het idee hebben dat we er toch niets aan kunnen doen. Daar zit wel een veronderstelling in dat we er wat aan willen doen. We zijn individualistisch, ontevreden en onverschillig. Het is een andere manier van protesteren. Waar we vroeger met borden naar de Dam gingen, houden we ons nu afzijdig. We kruipen weg achter onze Playstation of gaan blowen. De tijdgeest is ook veranderd: protest zit ons niet meer in het hart. Op Lowlands gaan we net zo makkelijk even kijken naar een debat met Ruud Lubbers over honger in Afrika als een biertje drinken, en dan op naar het volgende concert. De noodzaak en de onmiddellijke aanleiding ontbreken.’
Dat gevoel van noodzaak was sterker aanwezig bij de voormalige protestgeneratie: breken met de bekrompenheid, Vietnam, de wapenwedloop. Ondertussen behoren de babyboomers echter al geruime tijd zelf tot het establishment en lijkt het engagement plaats te hebben gemaakt voor het behouden van de eigen positie. Ze houden het old boys’ network gesloten en laten een vervuilde en decadente wereld achter.
Van Dis: ‘En dat neem ik mijn generatie kwalijk. Niet dat we niet meer de straat op gaan, maar dat we idealen hadden en nu volledig in het consumentisme zijn weggezakt. Dat we tot onze nek in de hypotheekschuld en met onze brede kont op het pluche zitten en nieuwkomers geen kans geven. Nu leven we in een wereld met klimaatproblemen en terrorisme, een wereld waar de financiële rek uit is. Mensen hebben het gevoel dat het te snel voor ze gaat. Ze grijpen zich vast aan het verleden, aan een verzonnen zelf. Het verontrust me dat ik geen onvrede hoor van de kant van de jongeren. Ze ondergaan het lijdzaam. Niemand lijkt boos op ons, terwijl ik me schaam.’
Wijnberg: ‘In vergelijking met de problemen die er zijn is het onbegrijpelijk hoe weinig wij doen. Want de problemen zijn gigantisch. Wij staan nergens voor, kennen van alle zaken alle kanten en zijn doelloos. De problemen van mijn generatie lijken niet meer dan media-abstracties te zijn. Als je aan de klimaatcrisis denkt, denk je aan Al Gore en zijn film (‘An Inconvenient Truth’ uit 2006 – red.); 11 september: de bekende beelden. En bij de kredietcrisis zie je de AEX wat verspringen. Het is niet tastbaar. Het is net zo ver weg als Irak. Apathie is iets wat je onze generatie kunt verwijten. Het is een raar verwijt, maar toch: we zijn te bescheiden. We eisen wel veel in materialistische zin, maar in politieke zin weinig. We hadden bijvoorbeeld al lang duurzaam kunnen leven.’
Van Dis: ‘Geef die Nederlandse regering dan een schop onder z’n hol! Als alles in elkaar stort, dan moet je wel. Zorg ervoor dat er wat gebeurt. Breng je stem uit en geloof dat het mogelijk is.’
Wijnberg: ‘Daarvoor zijn we dus te cynisch geworden.’
Is dit dan de generatiekloof? Een kloof tussen jonge cynici en gevallen romantici?
Wijnberg: ‘Mijn generatie zou meer kunnen en moeten doen, maar ik ben me pijnlijk bewust van de naïviteit die daarvoor nodig is. De waarden die we aanhangen zijn richtingloos: vrijheid, tolerantie, autonomie van het individu en democratie. Jongeren willen zich niet binden. Noch aan een partij, noch aan een ideologie, noch aan een baan, noch aan een relatie. Als je het ene kiest, mis je de rest. Zelfs het wisselen van studie begint op zappen te lijken.’
Van Dis: ‘En ik betrap mezelf erop dat ik ongelooflijk optimistisch blijf. Ik geloof in de boosheid van jonge mensen. Ik wil de wereld veranderen en ben er ook van overtuigd dat dat mogelijk is. Ik heb een sterk geloof in de naïviteit als grote kracht. Je stemt toch wel?’
Wijnberg: ‘Zeker, maar laat ik het zo zeggen: als ik D66 aanvink, gaat er geen rilling door me heen. Mijn generatie is sneller zestig geworden.’
In Boeiuh! pleit je daarom voor een ‘rehabilitatie van de Romantiek’. Is dat het idealisme dat jouw generatie nodig heeft, als antwoord op de kille jaren negentig en het angstige begin van de nieuwe eeuw?
Wijnberg: ‘Onze rede moet weer overslaan naar het hart, gevoelens moeten weer worden omgezet in ideeën. Die vertaalslag zijn we kwijt. We hebben niet het idee dat het zin heeft. Mensen hebben een rechtvaardiging voor hun handelen nodig. En omdat die rechtvaardigingen zo zwak zijn geworden, komen we daar niet meer aan toe. Dan zijn er twee opties. Of we vinden een nieuwe waarheid – maar ik geloof eigenlijk niet dat dat mogelijk is. Of we stoppen met het zoeken naar een waarheid als rechtvaardiging voor onze daden. Iets hoeft niet waar te zijn om een reden te zijn. De verbeelding moet weer terug.’
Van Dis: ‘De verbeelding aan de macht! Ik ga zeldzaam optimistisch naar huis, als een rijk man. Want ik word stokoud en ik wil nog dertig jaar mee zonder een vreemdeling te worden in mijn eigen tijd. Ik wil niet eindigen als een verbitterde ouwe zak. Maar ik geloof niet alleen in jonge mensen; er zijn ook genoeg grappige oude mensen die wat te vertellen hebben. Dus die kloof die nu gemaakt wordt – “wij moeten jullie pensioenen betalen” – is een kunstmatige kloof. In een vergrijsde tijd moeten wij grijsaards ons beraden op wat onze plaats is. Mijn generatie heeft weliswaar geen oorlog gevoerd, maar ze heeft wel een enorme rotzooi achtergelaten en daarvoor mogen we ter verantwoording worden geroepen. Maar je moet niet alles wat een bril draagt of met een rollator loopt terzijde willen schuiven. Ik geloof in een derde levensfase, waarin het niet gaat om het geld, niet om de carrière, maar om de overdracht van kennis op een jongere generatie. Het is de fluistering met de kracht van een megafoon. En jullie romantiek klinkt me dan als muziek in de oren.’
Wijnberg (met een brede grijns): ‘Volgens mij is de kloof nog nooit zo klein geweest.’