Jonge hond in vers zwemwater

Doeschka Meijsing, Het kauwgomkind: De verhalen. Querido, 278 blz., € 19,95

Doeschka Meijsing, Het kauwgomkind: De verhalen. Querido, 278 blz., € 14,99 (e-book)

Onverwacht ligt er nog een boek van de begin dit jaar overleden Doeschka Meijsing in de winkel. In zoverre dan onverwacht dat haar uitgever vorig jaar al een verhalen­bundel in het vooruitzicht had gesteld, werktitel Het kauwgomkind, dat niet meer tot voltooiing kwam. In de nu verschenen bundeling zijn de paar nieuwe verhalen die Meijsing nog had geschreven opgenomen. Grote extra van deze publicatie is echter vooral dat ook haar vroegere verhalen hiermee weer binnen bereik zijn, zowel de verhalen die ze schreef voor literaire tijdschriften en andere media als de verhalen die eerder werden gepubliceerd in De hanen en andere verhalen (1974) en Beste vriend (1994).

Op de een of andere manier lijkt het zo voor de hand liggend om als een schrijver voortijdig overlijdt te verzuchten dat zij dat deed ‘op de toppen van haar kunnen’. Deze bundeling toont de onzinnigheid van een dergelijke verzuchting, niet omdat de paar nieuwe verhalen die ze klaar had niet voldoende kracht zouden hebben, maar vooral omdat de vroege verhalen van Meijsing zo sterk zijn, nog steeds, en je nu al vervullen met een vreemd soort heimwee omdat ze de echo lijken van een literatuur die tot het verleden behoort. Een literatuur die niet bang is een appèl te doen op de lezer, die een bonkige ratio koppelt aan een peilloze melancholie en die een clou durft uit te stellen zonder dat het een trucje is om de lezer gevangen te houden.

Om met dat laatste te beginnen: In Terug in het laboratorium, een verhaal uit de jaren negentig, schrijft de verteller expliciet dat hij (Meijsings protagonisten in haar verhalen zijn altijd mannelijk, of neutraal, het is maar hoe je het bekijkt) in de loop van de jaren heeft geleerd hoe een verhaal moet worden verteld. ‘Eigenlijk is er maar één regel; verlies je doel niet uit het oog. Begeef je in alle mogelijke speculaties, gedraag je als een jonge hond in vers zwem­water, maar vergeet nooit wat je bedoelt, ook al zul je het nooit zeggen, ook al formuleer je je doel nooit, zelfs al ken je het niet eens – de stelregel blijft: verlies het niet uit het oog.’

Het is typerend voor de verhaalkunst van Meijsing dat deze regel zo ostentatief wordt aangehaald in een van haar meest onnavolgbare verhalen waarin de logica van de droom regeert. Sowieso behoren de verhalen afkomstig uit Beste vriend tot het meest intense en mysterieuze dat ze geschreven heeft, het meest woedende misschien zelfs. Feit is dat in deze verhalen de verteller ons tamelijk rechtstreeks aanspreekt, voortdurend uit het stramien van het verhaal stapt om nu eens echt te zeggen waar het op staat. Bijvoorbeeld dat niets ertoe doet behalve geduld. ‘Het geduld om te verdragen wie we zijn.’

Het mooiste, tevens meest angstaanjagende verhaal uit deze bundel is De dromen van honden. Ogenschijnlijk is het een verhaal over de vriendschap tussen de verteller en de ‘onverstoorbare’ Annie Mohr, met wie hij of zij een rondreis maakt door Frankrijk en Spanje. Als in de transformationeel generatieve grammatica van Chomsky is er steeds een oppervlakte- en een dieptestructuur in deze verhalen, zo ook in dit verhaal over een vriendschap, misschien zelfs liefde, waarin een barst is gekomen, zonder dat duidelijk wordt gemaakt hoe en wat. Aan de bovenkant kabbelt de zee tegen de kaderand, vijfhonderd kilometer ten zuiden van Barcelona, daaronder woedt een donkere, intense stroom ‘die sommige mensen niet kennen, die anderen willen vergeten ter wille van een hanteerbare harmonie’. Meijsings zinnen zijn door en door rationeel op het sardonische af, maar tegelijk licht, geestig en springerig. De openingszinnen van het verhaal zijn te lang om geheel te citeren, laat ik volstaan met de verwijzing naar ‘het verlangen een man in huis te hebben die vanuit de badkamer riep of ik zijn overhemden al had gestreken, zo’n ochtend waarop broodrooster en theepot jammerlijke in plaats van geruststellende voorwerpen worden’. De suggestie is dat tijdens die reis met de onverstoorbare Annie Mohr alleen de honden, onderweg, en de ene hond, bij thuiskomst, voelen wat er aan de hand is. Iets onherstelbaars, dat juist omdat het niet benoemd wordt onzegbaar pijnlijk is.

De andere verhalen die er wat mij betreft uit springen zijn Temporis acti, afkomstig uit De hanen en andere verhalen, en Zwaardemakers paarden, dat in december 1976 verscheen in De Revisor. In het eerste verhaal wordt een archivaris herinnerd aan haar eerste liefde door de lichte ogen van ene Elsa. ‘Lieve lichte Elsa zelf zal hier helemaal nooit iets van begrijpen.’ Het is een wonderlijk geladen verhaal, waarin de grote woorden niet worden geschuwd, ‘nutteloosheid’, ‘vergetelheid’, maar tegelijkertijd alles wordt weggewuifd alsof het ook allemaal niet waar is.

Zwaardemakers paarden is een oerverhaal, voer voor hermeneutici die er een dankbare taak aan zullen hebben om het leitmotiv van de hemelpaarden in het werk van Doeschka Meijsing tot op de bodem uit te zoeken. In luttele bladzijden wordt het drama opgeroepen van de uitverkorene die het conflict aangaat met zijn familie. Met brede, trefzekere streken schetst Meijsing twee generaties dorpsleven, inclusief boterbloemen, paarden en de stem van de dominee. Schwung, bravoure en ernst, het zijn de pijlers van Meijsings schrijfkunst, zo maakt deze postume uitgave eens en te meer duidelijk.