Jonge kaas in new york

NEW YORK - ‘Knal ’m d'r nou toch in man!’ roept een schorre jongeman tegen Patrick Kluivert in een accent uit de buurt van Aerdenhout. Nederland speelt tegen Brazilië en staat met 1-0 achter. In de grand ballroom van de Netherland Club of New York staat een groot tv-scherm opgesteld. Zeker driehonderd Hollanders bevolken de bloedhete en te kleine zaal. Zij deden vanochtend alvast hun oranje das of sjaaltje om en namen de middag vrij - de wedstrijd begint hier om drie uur.

De man, Heineken in de ene hand en een lauwe bitterbal in de andere, de stropdas alvast halfstok en het hoofd bezweet, weet dat Kluivert het gaat doen. ‘Ik voel het, ik voel het.’ Als de spits in de 87ste minuut inderdaad inkopt, explodeert de menigte, die angstig stil was geworden. Er wordt druk omhelsd en gehighfived. De jongeman heeft zijn stem dan definitief verloren. 'Verdomd. Ik wist het. Kluivert!’ fluistert hij uit volle borst, een vuist in de lucht.
EEN WEDSTRIJD van Oranje is een van de zeldzame evenementen waarvoor de Nederlandse New Yorkers en masse naar de Netherland Club gaan. Verder melden ze zich op Koninginnedag, want dan is het bier gratis. De KLM Annual Herring Happening in juni, met de eerste nieuwe haring, heeft ook zijn vaste fans, en tenslotte wil men ook voor een optreden van Freek de Jonge nog wel in groten getale naar de club komen. Maar anders dan de Ieren, Duitsers en Fransen met hun eigen parades en volksfeesten door de hele stad hoeven de Hollanders niet zo nodig. De samenkomst van een paar honderd Nederlanders in Manhattan leidt behalve tot de consumptie van enorme hoeveelheden jonge kaas en bitterballen vooral tot een wat ongemakkelijk saamhorigheidsgevoel.
Van de 17.000 landgenoten die in New York wonen, zijn er niet meer dan vijfhonderd lid van de club - nog geen drie procent. Zij betalen elk jaar 195 dollar, toch zo'n vierhonderd gulden dezer dagen. Daarvoor krijgen ze een maandelijkse nieuwsbrief, uitnodigingen voor evenementen, en toegang tot het dinsdagse happy hour. Daar valt het met het geluk over goedkope alcoholica, toch het kenmerk van een happy hour, trouwens wel mee. Een biertje kost er gewoon twee dollar.
De voordelen van het lidmaatschap zijn wat magertjes, vindt bijvoorbeeld Pieter Bas Jacobse. Hij pakt graag een pilsje op 30 april, hij loopt zeer sporadisch eens binnen op het happy hour, en ook voor het voetbal komt hij met plezier naar de club, mooi gelegen aan West 51st Street, honderd meter van Rockefeller Center in midtown Manhattan. Maar als manager van Oscar’s, een restaurant in het Waldorf Astoria hotel, had de 29-jarige Jacobse het te druk. 'Waarom zou ik tweehonderd dollar neertellen? Ik kom twee, drie keer per jaar op de club’, zegt de restaurateur, een grote, gebruinde man die immer vlijmscherp in het maatpak zit en overhemden draagt met zijn initialen ingenaaid naast de manchetknopen.
NIET-LEDEN als Jacobse zijn er veel in New York. Zij vormen het probleem van Ines Willems-Deren, de general manager van de club. Ze is een imposante vrouw van veertig met veel rood haar, die Dunhill-sigaretten rookt en zich vanzelfsprekend keurig kleedt - dat moet op de club. Ze heeft iets van een stewardess. (Ze vloog voor KLM tot ze een Amerikaan trouwde - die nu haar ex-man is. 'Uiteindelijk moet je als vrouw, helaas, de keuze maken om je man te volgen.’)
Ze is immer op jacht naar nieuwe leden, en dat valt niet mee. Haar vaste leden vinden het heerlijk op de Netherland Club, weet ze, want: 'Mensen hebben een stukje Holland nodig.’ Maar Willems-Deren weet ook dat mensen die Nederland verlaten niet als eerste op zoek gaan naar een Holland-club. 'Als je jong bent wil je een stukje oer-Hollandse sociale controle ontvluchten. Als je ouder wordt dan trekt dat je weer, maar als jongere zeg je: dit benauwt me.’ Zeker de mensen die hier net zijn houden zich doorgaans verre van alles wat Nederlands is. Het probleem zijn de Hollanders die profiteren, een woord dat ze niet uitspreekt maar wel uitstraalt. 'Ze komen twee keer per jaar voor het bier en de haring’ - de toon scherpt een tikje aan - 'maar willen geen lidmaatschap betalen.’ Ze vermoedt dat het voor sommigen met een clubregel te maken heeft. 'Er is nu eenmaal een house rule, en die heet jasje-dasje. Dat vindt men bezwaarlijk, totdat het Koninginnedag is met gratis pilsjes. Dan is het opeens geen probleem.’
Ines Willems-Deren weet dat niet iedereen blij is met de huisregels. 'So be it. Listen, het moet geen gewone kroeg worden.’ De Netherland Club is een plek om te 'socializen’, dat wel, maar heeft ook een historische rol in de New Yorkse scene. 'Men lacht er wel eens om. “Leuk cluppie voor een happy hour”, zegt men dan. Maar we documenteren alles, juist ook onze eigen historie; de New York Public Library krijgt onze archieven.’
NEDERLANDERS hebben een speciale band met de stad omdat de wortels van New York Nederlands zijn, denkt Willems-Deren. Ooit heette het hier New Amsterdam en New Netherland. Dat Long Island op de eerste kaarten ’t Lange Eylandt heet en dat de Bronx door de familie Bronk gesticht werd, weet geen hedendaagse New Yorker. Dat de Brooklynse wijk Bedford-Stuyvesant ('staifsent’ zegt de New Yorker) iets van doen heeft met de tijd dat Stuyvesant gouverneur was van de kolonie voordat de Engelsen de boel overnamen, zal de meeste New Yorkers hoogstwaarschijnlijk worst wezen. Maar Nederlanders zijn zich daar wél van bewust. 'Als we een Tsjechische club waren, dan hadden we niet zo'n verbondenheid’, zegt Willems-Deren. 'Maar dat Holland-New York-gevoel komt steeds naar voren. Heel leuk.’
Dat vindt ook Bob Hiensch, die sinds vorige zomer een vooraanstaand lid van de club is. Hij werd toen de nieuwe Nederlandse consul-generaal in New York, en is nu de gepassioneerde pleitbezorger van de Nederlandse zaak in de Big Apple. Zijn baan is 'half management, half vlagvertoon’, meldt hij. Vanuit het uiterst modern vormgegeven consulaat (veel gloednieuw staal en blank hout) aan Rockefeller Plaza kan hij de Netherland Club bijna zien.
Hiensch vertelt over een periode van 'culturele bezinning’ in Nederland. Na eeuwen van koloniaal (wan)gedrag bestond het gevoel dat we vooral niet te veel aandacht aan dat 'Hollandse gevoel’ in de wereld moesten schenken. Bescheidenheid was troef. De laatste jaren is dat omgeslagen, zegt Hiensch. 'Nederland’ kan weer worden uitgedragen, op een gevoelige wijze wel te verstaan. (Volgens Hiensch was die omslag voor een belangrijk deel de verdienste van wijlen Maarten van Traa, de buitenlandspecialist van de PvdA-Tweede-Kamerfractie, die ooit aan de Columbia Universiteit in New York studeerde.)
Dus is Hiensch zonder omhaal een 'trotse Nederlander’. Hij voelt zich hier erg op zijn plek en draagt dat uit. Die blauwe das met talloze windmolentjes erop heeft hij nu trouwens bij toeval aan. 'Die heb ik nota bene hier gekocht!’
DE BEREIDHEID om je aan te passen is karakteristiek voor Nederlanders, en ook voor New Yorkers, denkt Hiensch. Amerika’s fundamentele vrijheden, verankerd in de grondwet en de later toegevoegde amendementen, stammen uit de Hollandse tijd en hebben niets te maken met de Engelse, puriteinse periode. En dat terwijl de Nederlanders eind zeventiende eeuw vertrokken en de Engelsen toen nog honderd jaar bleven.
De verregaande tolerantie van andersdenkenden en andersgelovigen is typisch Nederlands en ook uitgesproken New Yorks. New York is volledig multicultureel, multi-etnisch en multi-seksueel, en die extreme diversiteit stamt uit de tijd van Stuyvesant, toen alleen het huidige Lower Manhattan bewoond werd en er achttien talen gesproken werden. Tegenwoordig worden er tweehonderd talen gebruikt. Dat is, nu bijna tien miljoen mensen Manhattan, Brooklyn, Queens, de Bronx en Staten Island bevolken, proportioneel ongeveer evenveel.
Er wonen evenveel Nederlanders als Fransen in de stad, terwijl Frankrijk vier keer zo veel inwoners heeft. Dat komt door die 'herkenning van vrijheid’, en door de eeuwige reislust en sterk ontwikkelde handelsgeest van de Nederlanders, meent Hiensch. Er valt geld - in deze tijd van economische voorspoed heel veel geld - te verdienen in New York City. Dat ze welbeschouwd nauwelijks lid worden van de Netherland Club verbaast de consul overigens niet. Nederlanders voelen zich gewoonweg niet zo onderling verbonden, 'niet op een etnische basis, niet op een nationalistische wijze. Gelukkig niet.’
Dat beeld wordt bevestigd op 30 april 1998, als Hiensch zijn eerste receptie als gastheer in naam van de koningin houdt. Hij heeft het zichtbaar warm bij de ingang van de balzaal van de Netherland Club, waar hij honderden handen schudt. De woorden 'Dit is mijn vrouw Anke’ worden een mantra. De zaal is propvol, men is vooral geïnteresseerd in het gratis bier, de blokjes kaas en elkaar. Veel succesvolle jonge mensen in pak slaan elkaar enthousiast op de schouders: 'Kerel, jij ook hier? Hoe is ’t? Ben je hier nou nog steeds?’ 'Tuurlijk joh! Ik kan nu toch niet weg? De economie doet ’t goed, ik woon aan Fifth, heerlijk!’
Hiensch’ speech is vervolgens nauwelijks te volgen door het rumoer. Hij praat over de euro, over Ajax’ landskampioenschap, en hij reikt een ridderorde uit. Maar de menigte kan geen aandacht opbrengen. Hiensch wordt boos en roept om stilte. Een wolkje hasj zweeft voorbij. Een bierglas valt kapot. Stil wordt het niet. Tijdens het Wilhelmus praat ongeveer de helft rustig verder, en als kort na het halfhartige 'Driewerf hoera’ het bier op blijkt, reageert men kwaad. Kort daarna verzoekt Ines Willems-Deren de licht beschonken overgeblevenen te vertrekken. Alleen degenen die 75 dollar voor de 'Queen’s Birthday Dance and Dinner’ betaalden, mogen blijven.
TWEE WOORDEN komen veel voor in het club-vocabulaire: Invitation Only. Dat zegt iets over de aard van de Netherland Club. De vereniging, die ook Citicorp-topman Onno Ruding tot haar leden rekent, speelt haar rol binnen een Nederlands-New Yorks netwerkje van clubs waar geld, status en geschiedenis belangrijk zijn. Dat 'Hollandse web’ bestaat verder uit de Dutch Chamber of Commerce, waar de zaken worden waargenomen van Nederland als derde grootste investeerder in de Verenigde Staten; de Netherland America Foundation (NAF) die Nederlandse en Amerikaanse studenten steunt die in elkaars landen studeren; en de Holland Society, een historisch gezelschap dat informatie verzamelt en publiceert over de koloniale tijd in de zestiende en zeventiende eeuw. Ieder najaar organiseert de NAF bijvoorbeeld het Peter Stuyvesant-gala in de grand ballroom van het sjieke Waldorf Astoria, waar ook de Netherland-clubleden en andere vermogende Nederlanders in de stad voor worden uitgenodigd. De Nederlandse ambassadeur, H.E. Joris Michael Vos, die tevens honorary president is van de Netherland Club, was afgelopen jaar ook van de partij.
De club is er, in Willlems-Derens’ woorden, vooral voor het 'ontzettend leuke sociale gebeuren’. En zo begon de club ook. In 1953 beschreef Albert Balink bij het vijftig-jarig jubileum de geschiedenis. Baron W.A.F. Gevers, de Nederlandse gezant in de Verenigde Staten die de club oprichtte, was 'een aristocraat uit langvervlogen jaren’ die graag een goed gesprek met landgenoten voerde. De heren - dames konden vanzelfsprekend geen lid zijn, wat pas eind jaren zeventig veranderde - kwamen bijeen en genoten van Hollands bier, echte jenever en uitstekende sigaren.
Toen steeds meer Nederlanders de Duitse dreiging ontvluchtten en in New York terechtkwamen, veranderde de aard van de bijeenkomsten en groeide het ledental rap tot vijftienhonderd op zijn hoogtepunt. Leden van het koninklijk huis bezochten de club regelmatig en staken de ontheemde landgenoten een hart onder de riem. Zo sprak Prinses Juliana op de club op 21 december 1940. Balink schreef: 'Terwijl de prinses de zaal verliet, riep zij de aanwezigen toe: “Tot ziens in Holland!” Deze spontane, eenvoudige woorden, gesproken in de voor Nederland donkerste dagen, waren voor de Nederlanders in de vreemde verzameld, diep ontroerend.’
Na de oorlog keerden veel Nederlanders terug. De club kreeg haar vooral sociale karakter terug, en het ledental daalde gestaag. De officiële naam werd in 1963 de Netherland Club of New York; niemand weet wat er met de s in Netherlands is gebeurd toen de naam werd gedeponeerd.
ER ZIJN IN TOTAAL ruim honderdduizend New Yorkers die zeggen af te stammen van Nederlandse voorouders. Ze blijken nauwelijks te organiseren. Ook een groots opgezette campagne een paar jaar geleden met een massa-mailing aan Nederlandse afstammelingen leverde weinig op.
Wouter Wessels, actief clublid, weet wel waarom men niet wil. Wessels rookt Marlboro’s en is een verfrissende doe-maar-gewoon-verschijning binnen het clubgebeuren. Zijn levensverhaal omvat de serieuzere hasjverkoop in Amsterdam, een gestrand huwelijk met een Amerikaanse, autoverkoop in New Jersey, transcendente meditatie in Iowa, en nu vertaalwerk in New York. Hij zeg dat hij weliswaar voor de taal en de gezelligheid naar de club is gekomen, maar: 'Als ik Nederlands op straat hoor, pauzeer ik. Ik ga desnoods een blokje om. Kijk, Duitsers springen zo ongeveer op elkaar als ze een landgenoot ontwaren en drinken er meteen een biertje op. Wij zijn anders.’ Hij veegt het halflange haar uit zijn gezicht en zegt: 'In wezen hebben Nederlanders een hekel aan elkaar. Dat denk ik.’
MOGELIJK, maar de uitzondering is dan toch die onweerstaanbare, verenigende kracht van het voetbal. Tijdens de verlenging van Nederland-Brazilië rust de spanning loodzwaar op de geconcentreerde menigte. Voor even lijkt heel Nederland-in-New York één te zijn. De fluisterende jongeman wordt gek. 'Ik word gek! Kom nou mannen, maak ’t af!’
Tijdens de strafschoppen wordt de spanning vrijwel ondraaglijk omdat zij zich deels in pure hitte manifesteert. Dan, als Cocu en Ronald de Boer missen, stort de spanningsboog in elkaar. Men staat meteen hoofdschuddend op, de blik strak vooruit, en vertrekt.
Een van de weinige aanwezige Amerikanen is Andrew Rasmussen, een leraar uit Manhattan. Hij merkt op dat de Nederlanders wat opportunistisch lijken. Na Ronaldo’s goal daalde de stemming en zag men het helemaal niet meer zitten, toen Kluivert scoorde was men plots weer 'on top of the world’, en nu, zegt hij, 'moet je ze nu zien!’ Hij vindt dat de ongelooflijke uitbarsting van volksvreugde na Kluiverts doelpunt het op zich al de moeite van het komen waard maakte. Maar hij snapt de depressieve reactie na afloop niet helemaal. 'Het was toch een mooie wedstrijd, een fantastic game?’
Na de wedstrijd is er op de negende verdieping nog het gebruikelijke happy hour. Er zijn nog minder mensen dan normaal, hooguit dertig. Bedrukt nipt men van glazen Heineken. Veel oranje petjes en stropdassen zijn meteen afgedaan.
Pieter Bas Jacobse heeft het zichtbaar moeilijk met de nederlaag. 'Maar nu weer vooruit kijken’, zegt hij zonder overtuiging. 'Het is weer een wereld zonder voetbal.’ Mensen om hem heen knikken mistroostig.
Jacobse kijkt echter niet vooruit maar loodrecht naar beneden, naar de punten van zijn fraai gepoetste schoenen. 'Hoe kan dit nou? Jezus man, hoe kan dit?’ mompelt hij.