Jonge oesters

De stad Q. is hier en daar verrijkt met wat je een doorkijkrestaurant zou kunnen noemen. Begint in de gevelwand van zekere gracht of straat en eindigt in de straat of gracht erachter. Na zestien meter Kantonese vogelgeluidjes en hier en daar wat mandarijnse bromtaal sta je opeens voor een spontaan geschapen tijdelijk uitzicht, dat eigenlijk alleen met dubbel bochtenwerk bedwongen kon worden. Voorbijgangers zien aanduiding noch ingang van commercieel kookhuis. Achter het venster wel zoetjes vermomd paar. Die de indruk maken op zelf gekochte stoelen te zitten. Maar alleen als de schrijnend witzwarte ober niet over het tafelblad hangt.

Meteen maar oesters. Warme oesters. De kenner herkent de ontkenner aan het hijgerige subcredo: ‘Warme oesters lust ik niet!’ Ze weten niet hoe je in de richting van een oester overtollige schijnheiligheid kunt ventileren. Wat zullen ze lekker zijn, maar ook zonde dat de stoere en tegelijk teder ingekleurde bouwsels waar zo lang - zelfs jonge oesters zijn oude oesters - en nauwlettend aan is gewerkt de goot ingaan. In eigen hete schelp verhitte oester. Opgegeten worden is tot daar aan toe. Zelf het pannetje waaruit mee moeten brengen te veel.
Wat de Chinese oester verheft is de verstrooide presence van gestoomde gember, tot naalden gekliefd en ook de jonge boschui in zeer dunne lengte vormgegeven en dan die geslaagde verkering van olie en soja. Een ripopee van het zuiverste water. Oesters hebben het lijfje schrap gezet en laatste adem niet uit- maar ingeblazen. Daarom licht gesouffleerd, je zou het bijna mollig noemen. Client is tenslotte niet te beroerd de schelp met resterend vocht aan de trechter van zijn lippen te zetten. Wat van tafeldame eigenlijk niet mag maar dan is het tendentieuze vocht al lang in de sluis van de Esophagus gesijpeld.
Van dozijnen weten ze niets in China. Twaalf is daar gewoon anderhalf keer het geluksgetal acht, waar ook de geerecteerde oneindigheid in schuilgaat. Lijkt mij meer dan genoeg.