De kleuren van een klassieker

Jonge schrijvers lezen Hella S. Haasse

Hella S. Haasse
Oeroeg (Verzameld werk)
Querido, 96 blz., € 17,95

Oeroeg las je niet. Het stond vol met stereotypen, het had niets van Indië begrepen, niets van de ‘inlanders’. Hoe geloofwaardig was een boek als je eigen Indonesische moeder de titel niet eens normaal kon uitspreken? Een mens hoeft niet elke klassieker te lezen. Het was een fout boek vol blanke misverstanden. Punt.

Ook de film bleef ongezien. De acteur die Oeroeg speelde moest wel wanhopig zijn, een Indische Oom Tom.

Jaren verstrijken. Het lichaam wordt ouder, de geest losser. Een boek kan zich pas verdedigen wanneer het wordt gelezen. Indonesië telt ontelbare dialecten. Misschien had mijn moeder gewoon moeite met een vreemde tongval. Waar was ik bang voor? De argumenten die eerder zo logisch en veilig leken, blijken versleten en flauw.

Hélène Serafia Haasse kan schrijven. ‘Het witgloeiende licht hing trillend boven de havenloodsen van gegolfd zink, boven de met gruis bestrooide daken, en boven de witte huizen rondom de vismarkt.’ Lees die zin hardop en hoor dat het klopt. Op een gegeven moment wordt de naamloze verteller in de schemering meegesleept op een dronken rit naar een fatale zwempartij. We zien de bedienden op de treeplanken van de auto en de uitgelaten volwassenen, arrogant en vreemd in de exotische omgeving. Net als de jonge hoofdpersoon ontdekken we de hand van de moeder in de hand van haar minnaar, zwijgen we tegen de vader die te druk is met zijn gasten, voelen we de dreiging van Telaga Hideung, het mysterieuze meer, dat steeds dichterbij komt. Door compacte zinnen vol uitgekiend detail maakt Haasse dat we alles zien, dat we niets anders kunnen voelen.

Dit boekenweekgeschenk van 1948 was haar aanvankelijk anonieme prozadebuut. Lezers mochten raden naar de auteur. Velen dachten dat het een autobiografisch werk was. Nu is het moeilijk iemand te vinden die niet onmiddellijk Hella Haasse zou aanwijzen als schrijver van Oeroeg. Officieel was Indonesië in 1948 nog van Nederland. Maar het boek is niet expliciet over politieke omstandigheden. De schrijver laat zich niet verleiden tot grote uitspraken over tijdgewricht en maatschappelijk goed en kwaad.

Medium hellahaasse 1

Ergens vraagt de jonge hoofdpersoon aan een blanke en bewonderde werknemer van zijn vader of Oeroeg, de ‘dessa-jongen, de zoon van een ondergeschikte’, minder is dan ‘wij’. ‘Ben je belazerd’, is het antwoord. Daarna volgt een krampachtig betoog over panters en apen en hoe echte vriendschap gevoelens en gedachten over minderwaardigheid uitsluit. Het lijkt een weinig overtuigende knieval van de schrijver. De verteller kwam met zijn vraag, omdat tijdens het spelen zijn blanke leeftijdgenoten Oeroeg behandelden als een inlander, ‘en niet een inlander, zoals Soetarjoh Kosomolagara, die bij ons in de klas zat en wiens vader regent was’. Maar wat de verteller een ‘kleur van ergernis’ doet krijgen, schijnt ‘Oeroeg nauwelijks te raken’.

Oeroeg is niet slimmer dan zijn tijd. De inlanders in het boek zijn passief, flegmatisch, defaitistisch, zwijgzaam en sterk, zwijgzaam en lui, verrassend nobel of voorspelbaar onbetrouwbaar. Oeroeg zelf loopt rond met een permanente ‘donkere blik’. Jaren van revisionisme en politiek correct denken hebben zulke eerlijkheden bijna onmogelijk gemaakt. Kolonialisme bestaat niet meer zonder uitvoerige nuancering, raciale zelfverdediging en -kastijding. In Oeroeg is ‘de ander’ ook nog echt de ander in de traditie van Kipling: Never the twain shall meet.

Haasse probeert af en toe iets zinnigs te zeggen over deze afstand, maar komt niet verder dan: ‘Wat afstand vormde, was het ondefinieerbare “anders”-zijn van Oeroeg, het subtiele verschil in gedrag en geaardheid, in fluïdum, zou ik willen zeggen, als deze dingen onder woorden te brengen waren.’ Dergelijke passages zijn gelukkig uitzonderingen. Daar waar Haasse zich beperkt tot de verwikkelingen op microniveau komen de werkelijke verschillen tussen de hoofdpersonen naar voren. Het verhaal blijkt namelijk te draaien om een groot misverstand.

‘Oeroeg was mijn vriend’ luidt de beroemde eerste zin van het boek. De verteller wil de lezer overtuigen van zijn bijzondere vriendschap met de inlandse jongen. Maar als blanke leeftijdgenoten zijn vriend neerbuigend bejegenen verschiet hij slechts van kleur en komt hij niet in actie om de vernedering te stoppen. Telkens wanneer de twee gescheiden dreigen te worden, raakt de verteller overstuur. Maar het zijn de vader van de verteller en later de Nederlandse Lida die voor oplossingen zorgen. Het blijkt een vriendschap zonder gevolgen. Hij wil Oeroeg bij zich houden als een geliefd stuk speelgoed.

Het is uiteindelijk Oeroeg die de betere en werkelijke vriend is. De verteller benadrukt meermalen dat Oeroeg passief is, ‘een van die eigenaardige passieve persoonlijkheden, die op de omgeving een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen’. Maar het is de verteller die niet zijn eigen weg kiest, zijn voorspelbare pad niet kan overstijgen. Oeroeg maakt enorme persoonlijke ontwikkelingen door en eert zijn vriendschap met de verteller door zijn loyaliteit. Hij is geen profiteur, maar weet alles wat hem overkomt aan te grijpen en op te nemen. Het maakt de verteller niets uit: ‘Kleding noch houding konden hem maken tot wat hij schijnen wilde: één van ons.’ De vraag over Oeroegs minderwaardigheid blijkt een overbodige.

De naïviteit van de blanke hoofdpersoon maakt Oeroeg eerlijk en tijdloos. Het was toen zoals het was. De tragiek van het verhaal zit in de fundamentele ontheemding van de verteller. Het land waar hij is geboren en opgegroeid is slechts decor. Vooroordeel staat verdieping in het leven en de omgeving van ‘de ander’ niet toe. De verteller is nergens thuis. En zo, verdomd, wordt dat kleine boekje plots groots en wijs.

Gustaaf Peek (1975) debuteerde vorig jaar met de roman Armin (Contact, 240 blz., € 17,90)