Jonge schrijvers lezen Hella S. Haasse

Studie in het kwaad
Hella S. Haasse
De meester van de neerdaling (verzameld werk)
Querido, 136 blz., e 18,95

Medium hellahaasse

Wat is waan, wat is werkelijkheid? Misschien weten de populieren het, in Hella Haasses De meester van de neerdaling, maar als ze het weten, zeggen ze het in een onverstaanbare taal. ‘De bomen in het park zijn geheimzinnige antennes van een stil, traag leven dat er al oneindig lang was voor ik bestond en dat nog een eeuwigheid zal voortduren nadat ze mij begraven hebben’, schrijft de naamloze ik-persoon. De populieren herinneren haar aan de populieren achter haar ouderlijk huis, waar ze steeds bewuster naar ging luisteren: ‘Het kwam op mij af als een ijl fluisteren, net voorbij de grens van het verstaanbare. Eens leek het gelispel zo irriterend werkelijk dat ik de tuin in liep.’ Inbeelding van een vrouw die gevoelig blijkt voor indrukken en suggestie? De mensen rondom haar denken dat ze gek is, maar het verhaal is te ingenieus gecomponeerd om ze zonder meer gelijk te kunnen geven. Dromen, hallucinaties, krijgen betekenis waar ze tegen de werkelijkheid aan schuren. En schuren doen ze in dit boek. De vertelster groeit op in een verstikkend gezin. Haar mooie zangstem mag ze alleen gebruiken tot glorie van God en haar enige troost is de kunstgeschiedenis. Is het logisch dat zo’n vrouw, die vast blijft zitten in dat milieu terwijl ze met lede ogen haar engelachtige broer Andries tot travestiet ziet verworden, en die moet toezien hoe haar jongere zuster zonder een greintje schuldbesef haar zoontje achterlaat om met een koffer vol nieuwe kleren een nieuw bestaan tegemoet te gaan, bijna stikt van frustratie en verantwoordelijkheidsgevoel?

Haasse speelt een subtiel spel van suggestie. De vertelster vermoedt dat ene Edmond de kwade genius is in het leven van haar broer en haar neefje. Edmond, een in zonde geboren zoon van een ex-non, is een wonderlijk contrast tussen angstaanjagende lelijkheid en weemoedige hoffelijkheid. Iemand die hooguit een karikatuur kon maken van het streven naar goedheid, ‘als een worm die vlindervleugels ambieert’. Daarom koos hij voor een studie in het kwaad, vertelt hij haar, om die kennis als een leermeester te verwerkelijken in zijn meest getalenteerde leerlingen, opdat zij het kwaad kunnen bestrijden.

Als ze daarna op een fresco Edmond meent te herkennen die zijn leerlingen in het kwade leidt, in plaats van een ‘magister die een rij scholieren opwaarts dirigeert langs het steile pad van deugd en vlijt’, is ze ervan overtuigd dat ze te maken heeft met een demon. Maar niemand wil zien wat zij ziet. Zo’n man die rond scholen hangt en contact zoekt met jongens zou de schijn tegen moeten hebben, maar niemand twijfelt aan zijn integriteit; met haar waarschuwingen aan haar plaatsgenoten schaadt ze uiteindelijk alleen zichzelf. De vraag rijst: wie is nu echt blind voor de werkelijkheid?

Jaren later, als de vertelster in dienst is als gezelschapsdame bij een Venetiaanse markiezin, heeft het kwaad aan een moment van onoplettendheid genoeg om zichzelf weer de wereld in te helpen. Nu als een jongen die – als een fotonegatief – een beeldschone maar in-kwaadaardige wedergeboorte van Edmond lijkt: Renato. Als de vertelster sterft, komt haar neef (zijn de hoofdpersonages te onbeduidend in het licht van het eeuwige om een naam te mogen hebben?), inmiddels volwassen en getrouwd, naar Venetië om een koffer van zijn tante op te halen. Als ze oog in oog met elkaar staan blijkt de mooie Renato iets geheimzinnigs in de neef wakker te roepen.

Meer nog dan in de grote lijn wordt het verhaal verteld in de details. Net als de populieren ‘ritselt en suizelt’ het van beelden, spiegelingen, resonanties, ‘alsof ontelbare kleine schepsels driftig dringend in een zigzaggende stroom omhooggezogen werden’. Ze prikkelen, ze fluisteren suggesties in. Haasse is goed in sfeer, je voelt de verstikking van de jeugd van de vertelster, hoe de dreiging steeds dichter op haar toe kruipt, de beklemming van een sprookjesachtig en tegelijk unheimlich Venetië. Zoals zo vaak bij Haasse speelt het zich allemaal net onder de oppervlakte af, ongrijpbaar. Misschien is het verhaal nog het best te vangen in de vragen die het oproept. Uitspraken over goed en kwaad worden niet gedaan. Maar het werkelijke kwaad hier lijkt toch het onvermogen om met elkaar te communiceren. Woorden worden verkeerd begrepen of simpelweg niet gezegd. De geestelijke eenwording die Edmond met zijn leerlingen zoekt, zorgt ervoor dat ze zich afzonderen. De vrouw van de neef wordt uiteindelijk, in bezit van de koffer waarin het verhaal van de tante zit, wel heel rigoureus de mond gesnoerd. De vertelster vindt tot op het eind geen gehoor. Ingenieus wordt het onderstreept: beelden van Adam en Eva, ieder naar een andere windstreek gericht – ‘geen communicatie, dacht zij verdrietig’; twee hippe engelen, ‘lange, jongensachtige meisjes, of waren het langharige jongens’ lopen zwijgend door Venetië of zitten met de rug naar elkaar toe. Misschien is het dat onvermogen, even oud als de duivel, dat werkelijk tot waanzin drijft. Een tijdloos thema dat nog nooit zo actueel is geweest. Het kwaad krijgt het laatste woord en het laatste woord is stilte. Alleen de populieren weten hoe het zit. Maar we kunnen ze niet verstaan.

Natalie Koch (1966) debuteerde eind vorig jaar met de roman Streken (Querido, 272 blz., € _ __ 17,95) en veroverde daarmee een plaats op de longlist voor de Libris Literatuurprijs_