Leden van Volt op campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen. 5 maart 2022 © Rob Engelaar / ANP

Volt, de pan-Europese politieke partij die na de verkiezingen vorig jaar uit het niets drie zetels in de Tweede Kamer won, werd tot voor kort geprezen om haar ingetogen politieke stijl en het feit dat de partij geen stunts uithaalt om zich in de kijker te spelen. Volt-fractievoorzitter Laurens Dassen viel op door een ontwapenende bleuheid, de Volt-fractie als geheel door de ambitie om het politieke werk zo constructief mogelijk aan te pakken. Áls de partij al in het middelpunt van de belangstelling stond, kwam dat niet zelden doordat een Kamerlid lof kreeg toegezwaaid voor de manier waarop ze haar collega’s maande niet aan politieke spelletjes te doen, maar het bij de feiten te houden en te werken aan oplossingen.

Daar kwam een einde aan door de affaire rondom het Kamerlid Nilüfer Gündoğan. Na klachten van medewerkers en vrijwilligers over grensoverschrijdend gedrag werd ze als fractielid geschorst en na onderzoek van het door Volt ingehuurde bureau Bing uit de fractie gezet, waarna de rechter uiteindelijk bepaalde dat Gündoğan weer in de fractie moet terugkeren en recht heeft op een schadevergoeding—al lijkt het conflict daarmee nog lang niet ten einde. Tot aan de affaire leek Volt af te stevenen op een afgetekende verkiezingswinst in diverse grote steden. In Amsterdam peilde de partij rond de tien procent, mogelijk goed voor vier à vijf zetels, evenveel als de Partij van de Arbeid en de VVD.

De vraag is wat er door de affaire-Gündoğan, het handelen van de partijtop en de rechtszaak tussen die twee van die peilingen op korte termijn overblijft, maar als de partij deze periode doorstaat is ten minste duidelijk geworden wat haar potentie is. Die potentie roept de vraag op wat voor partij Volt eigenlijk is – al was het maar omdat die vraag door de affaire-Gündoğan binnen de partij zélf ook gesteld werd. Wouter Bouma, lijstduwer in Amsterdam, schreef in een open brief dat hij het nog het ergste vond dat ‘het door deze gebeurtenissen lijkt alsof Volt een normale, ordinaire Nederlandse politieke partij is geworden’.

De intrede van Volt in de Nederlandse politiek was het resultaat van een kleine maar intense hype. Bij de Kamerverkiezingen van vorig jaar kon Volt rekenen op de steun van enkele invloedrijke mediafiguren. Komiek en presentator Arjen Lubach deed het met een knipoog door op te roepen te stemmen ‘op een partij waar je je goed bij Volt, eh, voelt’. Hoofdredacteur van De Correspondent Rob Wijnberg schreef zijn stem aan Volt te geven omdat hij de partij ‘kneiterprogressief en verfrissend pragmatisch’ vond, zonder ‘luchtfietserij van het ideologische soort’. Historicus en Volt-sympathisant Geert Mak had het over de Nederlandse politiek als ‘gestolde erwtensoep’, met Volt als broodnodige ‘peper’.

Tegelijkertijd is de opkomst van Volt wonderlijk, omdat de partij wordt gekenmerkt door een soort politieke onbepaaldheid die niet alleen kan worden toegeschreven aan haar korte bestaan. Er is weliswaar een herkenbaar Leitmotif – de verregaande Europese samenwerking – maar ook dat motief is uiteindelijk minder concreet dan het lijkt. Het is meer een oriëntatiepunt, een richting voor het begin van een gedachte, niet de uiteindelijke formulering ervan. En omdat een heldere Volt-signatuur ontbreekt, maakt het de vraag waar het enthousiasme van met name hoogopgeleide jongere kiezers uit de Randstad voor de partij vandaan komt des te pregnanter. ‘Was Volt ihr eigentlich?’ kopte Die Zeit enkele jaren geleden al in een artikel over de Duitse tak van de partij, verwijzend naar een congres waarop alle lokale kandidaten hun eigen verhaal hielden maar een gedeelde inhoudelijke grond ontbrak.

Wat bovendien intrigeert is dat Volt buiten Nederland zoveel minder populair is. Het geringe succes in Duitsland en elders roept in die zin vragen op over de Europese signatuur van de partij. Zo populair als de partij is in Amsterdam, zo scoorde Volt in Berlijn bij de verkiezingen voor de Bundestag in september vorig jaar minder dan één procent van de stemmen, nog niet eens in de buurt van de kiesdrempel. Hoe komt dat? Als verklaring kan worden aangevoerd dat een pro-Europese partij in een land als Duitsland, waar dat sentiment bij de meeste partijen stevig verankerd is, gewoonweg minder opvalt. Maar dat zou te makkelijk zijn. De populariteit van Volt in de Randstad doet vermoeden dat iets aan de partij goed aansluit bij de specifieke wensen en opvattingen van een substantiële groep Nederlandse kiezers. Ondanks alle pan-Europese airs, met andere woorden, lijkt Volt vooralsnog heel Hollands. Dat is overigens ook af te lezen aan de verdeling van de leden over de verschillende landen: vorig jaar zomer nam de Nederlandse tak liefst twee derde van het totale aantal Volt-leden voor haar rekening.

Wie een bloemlezing opstelt van uitspraken van partijkopstukken valt in de eerste plaats een soort opgewekte antipolitiek op. Bij de presentatie van het regeerakkoord verklaarde Dassen enthousiast maar ietwat onbeholpen dat het ‘positief’ was dat het akkoord er eindelijk lag, alsof de wens constructief te zijn het won van het feit dat partijen ook in de Tweede Kamer zitten om akkoorden op hun politieke waarde te beoordelen.

Wie zich verdiept in Volt wordt getroffen door het beeld van een partij die het vooral lijkt te doen om het kanaliseren van de ‘energie’ – waar de partijnaam ook naar verwijst – van een ‘nieuwe generatie’. Dat gevoel wordt geëchood door lokale leden die de nog wat dunne ruggengraat van de partij vormen. Pieter van der Krol, actief lid in Nijmegen, sprak voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen vorig jaar in een interview met De Gelderlander over ‘een start-up-mentaliteit’ waarmee Volt de politiek wil ‘vernieuwen’ – een vergelijking die al eerder door de partijtop werd gemaakt. Dietmar Lander, actief in Den Haag, zag voor Volt met name een rol weggelegd als partij die ‘een positieve boodschap’ brengt, en mensen wil ‘samenbrengen en niet verdelen’.

Linda Wissink, tweede op de kandidatenlijst voor de gemeenteraad in Enschede, antwoordde op de vraag van journalist Chris Aalberts naar haar politieke doelstellingen dat ze niet met een lijstje de politieke arena wil betreden: ‘Wij willen samenwerken. (…) Ik ben nergens boos over. Als ik ontevreden zou zijn zou ik helemaal niet in de gemeenteraad gaan zitten. Dan had ik me gefrustreerd gevoeld. Wij zijn als Volt optimistisch ingesteld.’

De Rotterdamse lijsttrekker Imane Elfilali zei in een interview met het Algemeen Dagblad dat Volt in ‘algemene zin’ staat voor ‘solidariteit en samenwerking’, voor ‘toekomstgericht denken’, politiek die ‘constructief’ is. ‘We zijn opgericht na de Brexit, als een antwoord op het populisme.’ Volt wil daarom, stelt Elfilali, ‘kijken hoe we kunnen samenwerken’. ‘Met positieve energie en optimisme. Het gaat ons niet om de verschillen, maar om de oplossingen.’

In Amsterdam drukten kandidaat-raadslid Itay Garmy en lijsttrekker Juliet Broersen zich tegenover de camera van AT5 in vergelijkbare termen uit. Garmy stelde dat Volt zich onderscheidt omdat het ‘een nieuw en positief geluid teweegbrengt’. Broersen sloot zich daarbij aan: ‘We zetten in op samenwerking, we zijn een positief geluid, we zijn pragmatisch, handen uit de mouwen, en dat trekt heel veel mensen aan op dit moment.’ In een ongemakkelijk interview in het Het Parool zongen Broersen en Garmy hetzelfde deuntje, ditmaal vergezeld van een nogal opzichtig gebrek aan een duidelijke uitwerking van de eigen standpunten, bijvoorbeeld ten aanzien van de toekomst van de Amsterdamse woningmarkt. Op de vraag hoeveel sociale huur de partij eigenlijk in de stad wil bijbouwen – een voortdurend twistpunt in de Amsterdamse gemeenteraad en iets dat andere partijen in percentages vastleggen – antwoordde Garmy dat de vaagheid bewust was omdat het natuurlijk afhing van de economische omstandigheden. Bovendien viel het te betwijfelen of iedereen de grote stad wel ‘nodig’ heeft. Sommige groepen zouden ook best naar de randgemeenten kunnen. In Rotterdam zei Elfilali in antwoord op de vraag over de toekomst van Rotterdam Airport: ‘Ik vind het te makkelijk om te zeggen: wij zijn voor of tegen iets.’

Lokale, vaak onervaren politici zijn eenvoudig te verleiden tot knullige uitspraken, maar het feit dat actieve leden uit steden verspreid over het land zo consequent tot vergelijkbare teksten over samenwerking en een ‘positieve insteek’ komen, verraadt dat er toch iets wordt verwoord wat kennelijk breed leeft in de partij: de gedachte dat de politieke lijn primair dient te bestaan uit een welwillende maar zich nergens op vast leggende grondhouding – wat heel goed past bij een partij die zichzelf vergelijkt met een start-up en wil kapitaliseren op haar imago, zonder zich daarbij te laten hinderen door programmatische of ideologische helderheid.

Wat die ambitie zo Hollands maakt is dat de nadruk die Volt-politici, -kandidaten en -leden steeds weer leggen op het willen zijn van een niet-polariserende factor in de politiek domweg de oer-ambitie is van het Nederlandse politieke stelsel. De Nederlandse politieke cultuur is opgetrokken rondom het ideaal van compromis en depolarisatie. Volt voorziet de meest belegen traditie van de Nederlandse politiek van een lik verf en presenteert het als een vernieuwend idee. Hoe zich dat op de lange termijn politiek zal vertalen is niet altijd duidelijk, al is het helder dat Volt in ieder geval niet betekenisvol links of progressief is, omdat die tradities historisch gezien altijd bewust hebben moeten confronteren en polariseren om de wereld te kunnen veranderen.

Toch heeft de partij een politieke stijl en identiteit. Een nuchtere taxatie van pamfletten en verkiezingsprogramma’s toont aan dat Volt in veel nagenoeg een kopie van D66 is – iets dat de partij bij monde van Dassen ook niet echt ontkent. Volt heeft als voordeel het voor de hand liggende, maar niet minder belangrijke feit dat het niet de last van een door concessies en compromissen getekend verleden met zich meedraagt. Anders dan D66 kan Volt zeker voor jongeren die ‘wat anders’ willen pronken met een smetteloos politiek blazoen – in ieder geval tot aan de affaire-Gündoğan. Het andere, door Dassen vaak benadrukte onderscheid dat D66 een nationale partij is waar Volt zich pan-Europees organiseert, is kunstmatig en irrelevant. Wat betreft de Europese agenda lopen D66 en Volt eigenlijk niet uiteen. Het ontlokte D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld, kennelijk nogal verbaasd, de uitspraak dat de voornemens van Volt ‘de onze’ zijn, om daar meteen aan toe te voegen: ‘Waar ben ík dan al een kwart eeuw mee bezig?’

Daarbij moet de vraag gesteld worden wat dat pro-Europese karakter van Volt precies inhoudt. Het probleem met een pro-Europese houding is dat het op zichzelf geen standpunt is. Pro-Europees zoals Volt dat wil zijn is meer een soort herkenningsteken van gelijkgestemden dat een levensgevoel verraadt. Het zegt iets op dezelfde manier waarop een uitgehold begrip als ‘euroscepticus’ iets over iemand zegt. Het wijst op een assortiment aan politieke oriëntaties dat lang niet altijd iets te maken heeft met de Europese Unie, maar meer met de politieke stijl en denktrant die iemand hanteert.

De oprichtingsgeschiedenis van Volt is wat dat betreft illustratief. Volt ontstond als reactie op de uitslag van het Brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk. Mede-oprichter en Volts enige Europarlementarier Damian von Boeselager benadrukte in een dubbelinterview met Laurens Dassen voor de podcast Betrouwbare bronnen dat Volt vooral het resultaat was van de inzet van een groep mensen die, geschokt door de politieke ontwikkelingen op het continent, het gevoel deelde dat als optimistische jonge mensen niet de krachten zouden bundelen, Europa aan nationalisten ten prooi zou vallen.

Maar, benadrukte Boeselager, 2016 was niet alleen het jaar van het Brexit-referendum, maar ook van de verkiezing van Donald Trump, de doorbraak van Alternative für Deutschland en de sterke verkiezingscampagne van Marine le Pen in Frankrijk: ‘Ik herinner me dat ik en de andere twee oprichters, Andrea Vezon uit Italië en Colombe Cahen-Salvador uit Frankrijk, (…) dachten: als we naar de wereld van nu kijken, zeker in Europa, dat moeten we nauwer samenwerken om de grote uitdagingen van onze tijd te tackelen. (…) Maar de politieke boodschap van die tijd neigde heel sterk naar: terug naar nationale grenzen en vanuit een nationaal perspectief met onze problemen omgaan.’ Voor Boeselager en zijn mede-oprichters vormde 2016 een afslag in de geschiedenis die nooit had mogen gebeuren.

Volt moest daarop een correctie zijn. In Die Zeit liet Boeselager optekenen dat ‘alleen de nationalistisch georiënteerde partijen een visie [hebben] op Europa’, een uitspraak die de krant contrasteerde met de observatie dat het heel moeilijk bleef om te bepalen welke visie Volt daar dan tegenover stelde. De oprichting van Volt was in die zin een reactionaire daad van verzet, waarbij de oprichters vooral heel duidelijk wisten te articuleren wat ze niet wilden en waar ze zich tegen wensten te verzetten, maar feitelijk niet met welke politieke veren het zich daarmee nu eigenlijk zélf tooide.

In aanloop naar de Europese parlementsverkiezingen van 2018 stelde Reinier van Lanschot, toen voorzitter van de Nederlandse tak, dat Volt ‘links noch rechts is’ en vooral zoekt naar ‘effectieve oplossingen’. In de podcast Ecosofie zei Dassen, te gast samen met Van Lanschot, dat het ‘verlammend’ werkt om politieke vraagstukken ‘in hokjes’ te duwen, omdat partijen zich er dan ‘naar gaan gedragen in plaats van dat ze op zoek gaan naar een juiste oplossing’. Toen nog kandidaat-Kamerlid Gündoğan benadrukte op haar beurt dat Volt wil kijken ‘naar de problemen en die zijn links noch rechts. (…) Wat telt is wat werkt.’

Toch verraden die woorden – ondanks het zelfgecultiveerde apolitieke imago van de partij – wel degelijk belangrijke opvattingen over wat politiek is en hoe het bedreven dient te worden. De basis daarvan is het diametraal tegengestelde van de politiek die de partij wil bestrijden: voor het teveel aan (verkeerde) ‘ideologie’ dat de wereld heeft wordt ‘problemen oplossen’ als een anti-ideologisch tegengif aangeboden. Ideologie is bij Volt een besmet begrip, in plaats van een moeizaam maar daarmee niet minder belangrijk onderdeel van de manier waarop politieke vraagstukken en hun mogelijke oplossingen geformuleerd worden. Ideologisch conflict komt voort uit reële tegenstellingen tussen waarden en belangen. Door die misprijzend van de hand te doen als iets wat het zoeken naar intelligente, pragmatische en evidence based antwoorden op ‘grote vragen’ saboteert, herbergt Volt een uiterst benauwde opvatting over wat überhaupt meetelt als legitieme en relevante politiek. De afkeer van ideologie gaat bij Volt zo vergezeld van een armoedig voorstellingsvermogen over de politieke reikwijdte en het beleidsinstrumentarium waarmee die oplossingen gevonden moeten worden. Door ideologie als politiek gruis te behandelen omarmt Volt automatisch de denkkaders van de status quo.

Die benadering is ook terug te zien in de politieke programma’s die veelal lezen als beleidsnota’s, vol verwijzingen naar Europese verordeningen, onderzoeksrapporten en notities van geraadpleegde experts. De Europese gedachte van Volt is in die zin eveneens een omarming van de institutionele structuur van de Unie, die opzettelijk een gedepolitiseerd karakter heeft. Precies het ontbreken van een politieke dimensie lijkt voor Volt aantrekkelijk – zo aantrekkelijk dat het domineert in hun voorstelling over nationale en lokale politiek: er moet gewoon worden samengewerkt, want alleen samen kun je iets oplossen.

Volts politiek is die waar de klasse van jonge, hoogopgeleide mensen die het kader van Volt vormen veel gewicht aan geeft: professionnalisme, constructiviteit, en vooral een krachtig geloof in de waarde en het belang van de eigen specialistische kennis. Ervaringen en vaardigheden die van belang zijn voor ambtenaren en consultants, bankiers en advocaten worden verondersteld ook in de politieke arena de toon te moeten zetten. De herintrede van ideologie in de politiek in Europa en elders in de wereld heeft een klasse uitgedaagd met een, zeker in Nederland, van oudsher robuust sociaal monopolie op de uitoefening van maatschappelijke, politieke en beleidsmatige macht. De fundamentele klacht van Volt daarentegen is dat die ideologische politiek te vaak het karretje van de kundigheid – hun kundigheid – in de modder rijdt. Er is een rechtstreeks verband tussen de afkeer van politiek en ‘ideologie’ die door Volt wordt beleden en de frustraties die de Volt-achterban ervaart in een wereld die de afgelopen decennia steeds minder te maken wil hebben met diploma’s. Niet voor niets maakten prominente Volt-leden, waaronder Boeselager en Dassen zelf, om die ontwikkeling een halt toe te roepen de overstap van het internationale bedrijfsleven naar de politiek, respectievelijk van McKinsey en ABN Amro.

Maar als politiek, zoals Volt dat ziet, inderdaad bedreven moet worden door slimme mensen die slimme antwoorden kunnen geven op complexe vragen, ontdaan van ideologische afleiding die daar afbreuk aan kan doen, dan schuurt dat onherroepelijk met de kern van het democratische ideaal, waarin alle stemmen principieel gelijkwaardig zijn, en waar ideologie een wezenlijk onderdeel is van die pluriformiteit.

De hyper-technocratische reflex van Volt is het fotografisch negatief van de boosaardig grijnzende kant van de volkssoevereiniteit die sinds een jaar of tien overal in democratieën in opkomst is. Maar in plaats van het ideologische vacuüm waar onder andere het nationalisme in sprong zelf met een niet-kwaadaardige ideologie te betreden, is voor Volt het grillige karakter van de democratie zelf verdacht geworden. De democratie vermoordde Socrates, bracht Trump en de Brexit, en verwondde de Europese Unie. Als systeem verwordt de democratie zo zélf tot een bedreiging van wat de politiek in de ogen van Volt zou moeten doen: problemen oplossen, daarbij luisterend naar het advies van deskundigen, die te vaak overstemd worden door het wapengekletter van de democratische strijd om een dam tegen de dommigheid van het demos te kunnen zijn. Die houding is echter zuiver reactionair en – de goedmoedige inzet van individuele Volt-politici ten spijt – in die richting ligt geen oplossing.