Jongeman in bange dagen

STEL, JE bent een lamme goedzak. Je nadert de dertig, je ontwikkelt al iets van een buikje en je hebt het wenselijke zo langzaamaan ingeruild voor het haalbare: een vrouw, een kind, een vaste baan en Reebok-trainingsschoenen aan je voeten. En dan breekt er opeens een oorlog los, kloppen je schema’s niet meer, en heb je je opeens te verhouden tot een wereld van extremen, waarin verlies, ondergang en dood de alledaagse gang van zaken bepalen. Wat dan?

De sterfmaand, van de Belgradose schrijver Vladimir Arsenijevic, kan worden gelezen als de kroniek van zo'n lummelige jongeman in bange dagen. In dagboekachtige overpeinzingen verhaalt de ik-figuur over hoe hijzelf, zijn zwangere vrouw, en hun familieleden en vrienden in de Servische hoofdstad de oorlog stukje bij beetje in hun bestaan hebben moeten toelaten.
Het is 1991, de oorlog tussen Serven en Kroaten is nog jong en ogenschijnlijk gaat het leven in Belgrado zijn gewone gang. De ‘Teheraneske panorama’s’ van de Belgradose buitenwijken zijn nog net zo deprimerend als altijd, de herfstzon schijnt nog net zo mooi en verder doen de mensen wat ze gewoon zijn te doen. Ze kletsen tegen hun poes aan, dromen over het opstarten van een bedrijf, kibbelen met ouders en schoonouders of filosoferen over het bestaan. De escalerende oorlog maakt het echter steeds moeilijker die normaliteit vol te houden.
De oorlog van oktober, meldt de ik-figuur, 'had ons nog niet in het gezicht geslagen met een klomp menselijke ingewanden’, die van november had sporthallen vol kleumende vluchtelingen, straten vol kadavers en grijsharige kinderen uit de schuilkelders van Vukovar, en de oorlog van december was al van dien aard dat je alleen nog maar wilde slapen. Zelfs wanneer die slaap werd beheerst door nachtmerries, want 'een voortijdig winters ontwaken in het hart van de naargeestige ochtend zou erger zijn dan de ergste dromen’.
IN EEN merkwaardig nonchalante (en hier en daar wat al te 'leukige’) stijl schetst Arsenijevic hoe de normaliteit van de Servische burgerij teloor ging. Dat hij dat verslag op de titelpagina van het boek 'een soap-opera’ noemt mag, gezien de vaak groteske gebeurtenissen en ontwikkelingen, begrijpelijk zijn, maar die benaming verhult niet dat De sterfmaand een sterk documentair karakter heeft. Arsenijevic’ beschrijvingen van het Belgrado van 1991 troffen mij maar al te vaak als zeer realistisch. Als een tijdsdocument zou ik het werk dan ook willen aanbevelen. De oorlog die Arsenijevic laat zien, lijkt maar weinig op die van de televisiebeelden en krantenverslagen. Het nationalistische gedachtengoed, het gekonkel van de politieke leiders of de haatpraat van de propagandamachine komen in zijn verhaal niet of nauwelijks voor. De vijand lijkt een volstrekt abstract gegeven, waar niemand een woord aan vuil maakt. En wilde, baardige Balkanbewoners zijn al helemaal in geen velden of wegen te bekennen.
In plaats daarvan volgen we de ik-figuur van de badkamer naar de wc, van de keukentafel naar de bedbank voor de televisie en van de telefoon naar het ouderlijk huis, en worden we omstandig ingelicht over de parafernalia van zijn alledaagse bestaan, en dat van zijn naasten.
Aanvankelijk is dat irritant. Mijn hemel, denk je, er is daar een gruwelijke oorlog gaande, in naam van het Servisch nationalisme wordt er geplunderd en gemoord en deze mensen zeveren maar door over hun dalende koopkracht, de voors en tegens van nakomelingschap of hun vroegere escapades in de Belgradose drugs- en uitgaansscene. Totdat je je realiseert dat Arsenijevic helemaal niet uit is op een morele uitspraak over de oorlog. Hij wil enkel verslag doen van de opspelende houdingen, stemmingen en emoties wanneer mensen het gegeven 'oorlog’ een plaats in hun bestaan moeten geven. Om die rijkgeschakeerde staalkaart te kunnen ontvouwen, moet hij wel binnenskamers blijven en inzoomen op het gekeuvel en gescharrel dat hij daar aantreft. Dat angst en ontreddering hun stempel drukken op het leven in de Belgradose huiskamers behoeft nauwelijks betoog: de toekomst is onzeker, de mobilisatie is op volle gang en iedereen vreest de klop op de deur. De zorg over geliefden die zich aan het front bevinden is enorm, en neemt alleen nog maar toe naarmate steeds meer overlijdensberichten de stad bereiken.
ARSENIJEVIC beschrijft echter ook minder voor de hand liggende gemoedstoestanden. De ik-figuur tekent ook een soort morbide nieuwsgierigheid op die over de mensen kwam. Hoe diep kan een mens zakken, vroeg men zich stilletjes af. En waar ligt de uiterste grens van het vermogen om leed te verduren? Hij spreekt over het sluimerende besef dat je gewend kan raken aan de dood, dat het zoveelste bericht over doden en gewonden je stomweg kan gaan vervelen. Ook schrijft hij over dat even ongepaste als onloochenbare gevoel dat het leven in tijden van oorlog grootser en meeslepender is, dat de bonen zoeter smaken, de liefde heftiger is en de vriendschappen dieper zijn.
'Geen zin’ is een andere gemoedsgesteldheid die voortdurend de kop op steekt. 'Ik meen accuraat te zijn als ik zeg dat we nog slechts de eerste akte afgewikkeld zagen worden en nu al schoon genoeg van het hele drama hadden’, luidt het. Iedereen is ook voortdurend moe. Men hangt en zucht en steunt. En men gaat maar weer eens op bed liggen. Van enig substantieel verzet tegen de gebeurtenissen is geen sprake. Men wordt wel eens boos over al hetgeen gebeurt, maar heft dan al snel de handen in onmachtige hulpeloosheid of vervalt in zelfbeklag en zelfmedelijden. Verbazingwekkend is dat niet. Al deze mensen schijnen de oorlog te beschouwen als een natuurverschijnsel, als iets dat je telkenmale weer overkomt, en waar je je iedere keer maar weer bij neer te leggen hebt.
'Ik bleef maar over de spuugbesmeurde straat voortlopen’, merkt de hoofdpersoon op, 'net als mijn medeburgers, met de geoefende tred van iemand die zonder aarzeling langs de krater van een vulkaan loopt, op de hellingen waarvan zijn stam al vele generaties vertoeft, ongeacht de vele doden.’
Dit aloude defaitisme van de vulkaanbewoners, het grote het-helpt-toch-allemaal-nietsgevoel passeert ook in meer eigentijdse gedaanten de revue. Over de teruggekeerde frontsoldaat Dejan lezen we hoe deze zich met 'het sociaal-realistische elan van de ware Arbeider’ op de markt voor kinderkleding had gestort, om zich al na de eerste tegenslag van kant te maken. De figuur van Lazar, die zich tot de Hare-Krishnabeweging had bekeerd, wacht gelaten zijn oproep voor het front af en produceert mededelingen als 'wat doet het er toe? Het is gewoon karma, dat zoiets gebeurt’, en: 'Tja, eigenlijk, weet je. Misschien heeft het allemaal wel een betekenis. Misschien moet ik maar gewoon opkomen.’
Dan zijn er de vluchtpogingen. Sommige inwoners van Belgrado pakken daadwerkelijk hun biezen en vertrekken naar het buitenland, waarbij ze de achterblijvers op luide toon bezweren dat ze niet vluchten, maar dat ze dit altijd al eens hadden willen doen. De meesten zien zich echter genoodzaakt andere manieren te ontwikkelen om aan de werkelijkheid te ontsnappen. Mensen ondernemen eindeloze zwerftochten door de stad, op zoek naar waardeloze rommel waar ze hun laatste geld aan kunnen uitgeven, ze drinken, roken en snuiven, ze vertellen cynische grappen of drukken elkaar, voorafgaand aan een rit met tram of bus, een boek in handen, zodat ze tenminste de aanblik van hun 'verschrikkelijke medepassagiers’ kunnen vermijden.
EN TEN slotte zien we mensen vertwijfelde pogingen doen de oorlog als hun nieuwe 'normaliteit’ te definiëren. 'Meer dan eens hield ik mezelf voor dat ik weinig reden had om me druk te maken om een oorlogje meer of minder’, zegt de ik-figuur ergens, 'immers, zolang ik me heugen kon leefde ik al in het midden van een onbeperkt lijkend armageddon’. Een vrouw die dicht bij het front woont, waar ze het gebulder van kanonnen kan horen, probeert het met 'ach, alles went’. Of men flirt kortstondig met een inderhaast gemaakte theorie waarin oorlog en strijd als zaligmakend wordt voorgesteld. 'Warempel, het is echt waar! Alles is toegestaan!’
Dergelijke pogingen om zich te verzoenen met de nieuwe werkelijkheid leiden overigens meestal tot niets: ’(…) bekaf van alle gruwelbeelden, begrepen we dat de gewenning aan de Dood veel meer tijd in beslag zou nemen, en veel pijnlijker zou zijn, dan we in onze arrogantie en argeloosheid gedacht hadden’.
Al met al levert dit inkijkje in Belgradose huiskamers een weinig heldhaftig en weinig verheffend plaatje op. Wie echter wil vernemen hoe de Servische burgerij de oorlog tot zich nam, hoe zij de verschrikkingen probeerde aan te lengen zodat alles wat minder bitter zou smaken, vindt in De sterfmaand treffende beschrijvingen: 'Later die avond zaten we op de bank voor de televisie, te baden in het goedmoedige blauwe schijnsel terwijl alle kanalen toonden hoe onze jongens elkaar afmaakten (…) Angela had een been over mijn schoot geslagen. Ze sliep. Haar dij was loodzwaar, maar dat deed geen afbreuk aan de knusheid onder de naar motteballen stinkende deken die we om ons heen hadden geslagen. Een vredig tafereel, waarin ik niets anders kon doen dan in stilte wenen.’