De voormalige Penitentiaire inrichting ‘de Koepel’ in Breda © Sabine Joosten / ANP

Oud-gevangenisdirecteur Frans Douw beschrijft halverwege Het zijn mensen hoe hij op bezoek gaat bij de zbbi (Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting) voor een kerstdiner met gedetineerden die binnenkort voorgoed naar ‘buiten’ gaan. Een van de mannen kruipt weg in een hoekje in de voorraadkamer bij de keuken als hij Douw ziet en laat zich niet meer zien. Douw herinnert zich de man niet maar vermoedt dat hij hem, toen hij nog op een ‘gewone’ afdeling zat, ‘in afzondering’ heeft laten plaatsen, wat een nette omschrijving is van een gedetineerde in een isoleercel opsluiten.

Douw schrijft: ‘Ik ervoer een onoverbrugbare kloof tussen mijzelf en deze man maar ook tussen mijzelf als autoritaire aanklager en straffer en de overtuiging dat ik geen haar beter was dan wie dan ook.’

Deze scène en Douws reflectie erop raken aan de kern van het dilemma (én de missie) van Frans Douw en dus ook van zijn pas verschenen autobiografische boek. De gevangenis staat voor alles wat Douw haat: onderdrukking, ongelijkheid, angst. En toch werkte hij veertig jaar binnen dat gevangeniswezen, waarvan een groot aantal jaren als directeur. Wat kun je als individu met humanistische opvattingen over straf en detentie (‘herstel en terugkeer’ in plaats van alleen vergelding; ‘liefde en vertrouwen’ in plaats van controle en wantrouwen), werkzaam binnen zo’n hiërarchisch systeem, bijdragen?

De gevangenis staat voor alles wat oud-directeur Douw haat: onderdrukking, angst

Het zijn mensen leest als een zelfonderzoek, en is tegelijkertijd een beschrijving van de veranderingen en ontwikkelingen die de laatste veertig jaar plaatsvonden binnen het Nederlandse gevangeniswezen. Douw haalt Nelson Mandela aan: ‘Als je een land wil leren kennen, ga dan kijken in de gevangenis.’ Hij vertelt hoe het neoliberale gedachtegoed met zijn nadruk op eigen verantwoordelijkheid en concurrentie vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw een steeds grotere impact kreeg op het beleid in gevangenissen. ‘Deze manier van denken leidt tot efficiëntere en goedkopere gevangenissen (…). Mensen in detentie kunnen volgens deze denkwijze weinig steun en vertrouwen verwachten voordat ze zelf hebben aangetoond dat ze willen en kunnen veranderen.’

Er kwam steeds minder ruimte voor de visie dat mensen door hun afkomst geen gelijke startpositie hebben in het leven en dus ook in detentie recht hebben op steun bij ‘rehabilitatie en herstel’, aldus Douw. Hij beschrijft vooral en oordeelt alleen impliciet. Duidelijk is dat hij persoonlijk een tegengestelde beweging maakte gedurende zijn loopbaan. Hoe ouder, hoe meer haast Douw lijkt te hebben: hij steunt een gezamenlijk initiatief van een gedetineerde en Penitentiair Inrichtingswerker om een afdeling van langgestraften zónder personeel op te zetten; laat een levenslanggestrafte een binnentuin in de inrichting ontwerpen en met gereedschap werken. Beide experimenten worden een succes. Terwijl het personeel zucht onder de dreiging tot sluiting van de inrichting door cellenoverschot, beijvert hij zich voor de ‘meest innovatieve inrichting’ van Nederland. Uiteindelijk loopt Douw te ver voor de troepen uit en verliest hij het vertrouwen van de Ondernemingsraad en zijn superieuren. Op zijn 61ste gaat hij vervroegd met pensioen.

Frans Douw beschrijft zichzelf als een rebel die slecht met autoriteit overweg kan. Van school getrapt; op zijn zestiende uit huis, ook om te ontsnappen aan het grote gezin en het liefdevolle maar rigide bewind van zijn moeder. Een jongen ‘van de straat’, die via allerlei los-vaste baantjes als begeleider in een jeugdinrichting komt te werken en merkt dat hij daar goed in is: door zich niet superieur op te stellen maar juist empathisch en rustig, lukt het Douw niet zelden (potentieel) gewelddadige incidenten te de-escaleren en jongeren persoonlijk te motiveren.

Soms wordt hij gedwongen geweld te gebruiken, zoals tegen de zeventienjarige Khalid, die twee koppen groter is dan Douw. ‘De enige manier waarop je me naar boven krijgt is met vechten’, zegt de jongen. ‘Of ik deed wat hij zei, of ik kon morgen een andere baan zoeken’, schrijft Douw en hij vertelt hoe hij uiteindelijk niet ontkwam aan een confrontatie. ‘Ik zette de nekklem aan, bracht mijn gezicht dicht bij dat van Khalid en zei: “Als je niet meeloopt trek ik je verdomde kop eraf.”’ Douw en de inrichting weten ternauwernood aan een formeel onderzoek te ontsnappen. ‘Ik vond het beschamend en wilde niet iemand zijn die anderen pijn doet. Zoiets als dit is daarna ook niet meer voorgekomen.’

Douw is de held van zijn eigen vlot vertelde verhaal, hoe zelfkritisch hij ook is. Dat schuurt een beetje met zijn activisme (na zijn pensioen blijft Douw zich inzetten voor humane detentie wereldwijd en voor contact tussen daders en slachtoffers) en zijn streven zich te verbinden met (ex)gedetineerden, gevangenispersoneel en (familie van) slachtoffers van geweldsdelicten. In het boek blijven het passanten, hoe treffend neergezet ook. Hun perspectief blijft onderbelicht, waardoor Douws nadruk op ‘herstel’ van gedetineerden soms wat betuttelend overkomt. Vanuit wiens perspectief moet iemand ‘herstellen’? Lijden gedetineerden juist niet dikwijls onder het stigma ‘defecte’ mensen te zijn? Dit zegt misschien ook iets over de positie van een directeur in de gevangenis, die uiteindelijk op afstand blijft van de mensen voor en met wie hij werkt, en opereert binnen de kaders van politiek vastgesteld beleid. Wat overigens niets afdoet aan Douws verdiensten. Zoals een gedetineerde het in het boek zegt: ‘Als wij iets verkeerds doen dan straft hij ons of plaatst ons over. Hij bepaalt wat de regels zijn. Maar hij behandelt ons ook als gewone mensen, gelijkwaardig.’ Daarom tutoyeren ze hem.