Cultuur: Nederlandstalige hiphop

Jongens van de straat

Hiphop is niet meer weg te denken uit de Nederlandse muziekwereld en domineert het straatbeeld. Hoe evolueerde de Nederlandse hiphopscene de afgelopen decennia? En zijn hiphopartiesten de woordkunstenaars van nu?

SMIB op Noorderslag, Groningen, 2017. SMIB bracht een eigen woordenboek uit © Paul Bergen / ANP / Kippa

‘Je denkt alleen nog maar aan money, broertje, deze dagen. Jij wil niemand meer vertrouwen, broertje, deze dagen. Er vallen brieven op de mat en er zijn lege magen. Dus in die gedachte die je hebt, zie je alleen bedragen.’

Tweeduizend fans rappen vol passie elk woord mee met ‘Geel, Paars, Groen’ van Lijpe in een uitverkochte zaal in TivoliVredenburg. Niemand had kunnen vermoeden dat het hun voorlopig laatste concert zou worden. Amper drie weken later zouden de eerste maatregelen worden genomen in de strijd tegen Covid-19 en vandaag lijkt een zaal met zoveel dansende, zingende en feestende mensen iets uit een ver verleden.

Hoewel hij tot Nederlands grootste hiphopartiesten behoort, is dit Lijpes eerste eigen concert – en dat is uniek. De laatste jaren kiest de Marokkaans-Nederlandse rapper bewust voor een leven buiten de spotlights; voor interviews past hij. Zijn fans hebben lang op dit optreden gewacht en dat voel je. Het is alsof iedereen een persoonlijke band heeft met Lijpe én met elkaar. Zonder woorden lijken de fans elkaar te zeggen: ‘Ik herken je.’

Maar het concert is om nog een andere reden bijzonder: ‘Een artiest als Lijpe op een podium als dit was tien jaar geleden echt ondenkbaar’, vertelt Vincent Patty – ook bekend onder zijn artiestennaam Jiggy Djé –, de eigenaar van hiphoplabel Noah’s Ark. Waar hiphop ooit begon als een ondergrondse cultuurbeweging in de jaren zeventig in The Bronx, drukt het een halve eeuw later een stempel op de esthetiek van kunstvormen die tot voor kort ver weg leken te staan van het genre: van streetwear op de catwalks van luxe modemerken zoals Louis Vuitton en Gucci tot de succesvolle musicalproductie Hamilton op Broadway.

Maar als er een kunstdiscipline is waar hiphop het vaakst mee vergeleken wordt, dan is het wel literatuur: storytelling, metaforiek, rijmschema’s, woordspelingen, intertekstuele verwijzingen, nieuwe betekenissen van bestaande woorden of volledig nieuwe woorden, zoals ‘watskeburt’ van de Jeugd van Tegenwoordig of ‘huts’, uit de gelijknamige hit van The Blockparty, Esko en bedenker Mouad Locos. Zijn hiphopartiesten de onderschatte dichters van vandaag?

New Wave. Zo heet de huidige trend die de ultieme doorbraak voor Nederlandse hiphop betekende; een verwijzing naar het gelijknamige muziekalbum uit 2015 waar meer dan twintig hiphopartiesten onder productieleiding van hiphoplabel Top Notch aan werkten. New Wave verscheen exclusief online – een strategische zet – en werd het meest gestreamde album van het jaar, won een Edison voor beste album en ontving tot groot ongenoegen van het publiek de Popprijs op Noorderslag. Het was niet de eerste keer dat de Popprijs aan hiphopartiesten werd uitgereikt, maar het beeld van deze eigenzinnige groep ‘jongens van de straat’ die met autotune experimenteerden en compromisloos over drank en drugs zongen, deed de vraag rijzen naar de kwaliteit van hun muziek. Het applaus bleef uit en het publiek verliet de zaal uit protest.

Het probleem? Hiphop kampt met een negatief imago: artiesten met connecties in de criminaliteit en een hypermasculiene cultuur van opschepperij over ‘money, cars and bitches’. Maar het genre daartoe reduceren getuigt van intellectuele luiheid. De muzikale complexiteit en het creatieve taalgebruik van sommige hiphopteksten is minstens even waardevol en inventief als de gedichten die we als literaire kunst beschouwen. Uiteraard bestaan er ook nummers van bedenkelijke kwaliteit. Net zoals er pöezie bestaat van bedenkelijke kwaliteit.

Niet alle succesvolle hiphopartiesten maken per se lichtvoetige feestliedjes. Sommigen kiezen uitdrukkelijk voor conscious hip hop, waarbij de politieke emancipatie van minderheden centraal staat en de artistieke elementen van tekst en video meer aandacht krijgen. Zo mengt Typhoon zich regelmatig in het publieke debat over racisme en dekolonisatie. In de videoclip van We zijn er figureert hij als slaaf en ondergaat hij echte zweepslagen: een volgens hem noodzakelijke artistieke keuze om het verhaal realistisch weer te geven. ‘Oh god. Geef mij kracht/ Zo mooi als het woud is, zo gevaarlijk de vluchtroute/ Maar alles beter dan naar de baas terug te moeten.’

Fresku is nog zo’n voorbeeld. Hij maakte in 2016 zijn debuut als cabaretier met Welkom bij de Fresku Show. Op zijn meest recente album In het diepe is hij openhartig over zijn depressie en angst (‘Ik ben al jarenlang niet meer mezelf/ Soms denk ik echt dat ik psychisch ben’), waarmee hij een kwetsbare kant van hiphop laat zien. En Akwasi, die zichzelf verhalenverteller noemt, ligt met zijn dichtbundel Laten we het er maar niet over hebben uit 2018 in de boekhandel tussen Remco Campert en Menno Wigman.

In de VS is het academische onderzoek naar en de waardering van hiphop als intellectueel betekenisvol een stuk verder dan in Nederland. De interdisciplinaire ‘Hip Hop Studies’ ontwikkelden zich aan het begin van de 21ste eeuw met een focus op de sociale, poëtische en muzikale complexiteit. Prestigieuze universiteiten zoals ucla, Princeton en Stanford bieden vakken en minors in hiphop aan en Harvard richtte in 2002 The Hiphop Archive and Research Institute op, met als missie het documenteren van de invloed van hiphop op cultuur en samenleving. Muziektheoreticus Cole Cuchna startte de succesvolle podcast Dissect, waarin hij hiphopalbums van onder meer Kanye West en Lauryn Hill analyseert zoals hij Beethoven of Mozart zou analyseren.

Een andere belangrijke stap richting de erkenning van de artistieke waarde van hiphop vond plaats in 2018 toen Kendrick Lamar met zijn album DAMN de Pulitzerprijs won. De Pulitzer ging voor het eerst in honderd jaar naar een hiphopartiest en dat was even baanbrekend als Bob Dylans Nobelprijs voor Literatuur twee jaar eerder. Die laatste prijs bracht het debat weer op gang of songteksten als dichtkunst beschouwd kunnen worden. Vooral in het geval van poëzie woedt die discussie al langer. Door rijm, metrum en melodie bevat poëzie een muzikaal element. Tegelijk bestaat muziek soms ook uit een tekstelement. In geen enkel ander genre staat de tekst echter zo centraal als bij hiphop.

In zijn videoclip figureert Typhoon als slaaf en ondergaat hij echte zweepslagen

Vivien Waszink, taalkundige bij het Instituut voor de Nederlandse Taal in Leiden, schreef in 2013 een boek over taalvernieuwing in Nederlandstalige hiphop en koppelt de verbale creativiteit rechtstreeks aan de ontstaansgeschiedenis. ‘Bij andere muziekgenres is de tekst even belangrijk als de melodie. Door het competitieve element, waarbij rappers elkaar verbaal proberen te overtreffen, staat hier het woord centraal. Bovendien hadden deze jongeren, vaak afkomstig uit armere Amerikaanse wijken, weinig tot hun beschikking om zich creatief te uiten, met uitzondering van hun woorden.’

Ook Lijpe, echte naam Abdel Achahbar, werd als jong talent ontdekt bij wedstrijden als PunchOutBattles, waar rappers elkaar a capella met woorden te lijf gingen, of bij spitsessies als Zunamo Underground en 101Barz, het grootste Nederlandse hiphop-platform, waar 101 verzen na elkaar gerapt worden en waar Lijpe bekend staat als one-taker. Hij komt, hij rapt, hij gaat.

‘Dat zijn de hongerige jongens’, zegt 101Barz-redacteur Thijs Molenberg in de online talkshow Convo. En hongerig, dat is Lijpe. Appie – zoals zijn vrienden hem noemen – groeide op in Maarssen in een arbeidersgezin met vijf kinderen, ging naar een praktijkschool en ging uit verveling rondhangen op straat, waar hij al snel in de drugscriminaliteit belandde. Toekomstperspectieven had hij niet. Rappen was – toegegeven, nogal cliché – zijn enige uitweg. In 2014 bracht hij in eigen beheer de EP Van bodem tot de grond uit en een maand later tekende hij bij Top Notch, waar hij sindsdien elk jaar minstens één album uitbrengt.

Tijdens het concert trakteert Lijpe zijn fans op een portie nostalgie wanneer hij via een filmpje wordt aangekondigd door de 101Barz-presentator. ‘Kennen jullie deze nog?’ Het publiek wordt wild. Hij keert terug naar het begin door met special guests Ismo en Emms van Broederliefde zijn legendarische studiosessies op te voeren. Hij zet zichzelf uitdrukkelijk neer als verbale superster, als een gangster-dichter. ‘Hij is in staat om te schieten voor een stapel/ Want thuis alleen maar kruimels, geen brood meer op de tafel/ Hij kan niet meer slapen en praat dagen lang met God/ Maar geen antwoord terug gekregen/ En die shit maakt hem kapot’. Opnieuw rapt iedereen elk woord mee. En dat is bijzonder als je bedenkt dat de compilaties op geen enkel album staan, maar enkel online, zoals op YouTube – waar de teller ondertussen op bijna vier miljoen views staat.

In het huidige coronatijdperk, waarin veel van onze activiteiten nu online plaatsvinden – van vergaderen via Zoom tot shoppen in webwinkels – hebben artiesten als Lijpe een streepje voor. Hun fanbase kent ze al het best digitaal. Begin april lanceerde de rapper nog een nieuw online hiphopplatform, Seasons, op YouTube.

Het succes van deze generatie hiphopartiesten is kenmerkend voor de verschuiving van het muziekgenre naar online. Door de populariteit van sociale media en de opkomst van streamingdiensten kunnen artiesten en platenlabels hun publiek rechtstreeks bedienen. Hiphop is zo niet langer afhankelijk van traditionele media en podia, waar het een gemarginaliseerd genre is gebleven, maar verhuisde naar de leefwereld van jongeren. Boef, die in 2018 ophef creëerde nadat hij drie vrouwen die hem een lift naar huis hadden gegeven op Snapchat kechs – Arabisch voor ‘hoeren’ – had genoemd, reageerde in zijn nummer Antwoord cynisch: ‘Ik word gecanceld door een festival die niet geboekt heeft. Word gecanceld door de radio die mij nooit afspeelt.’

In hetzelfde jaar dat New Wave doorbrak, haalde Fresku in Zo doe je dat uit naar de dubbele standaard in het witte medialandschap. In de videoclip schminkt hij zijn gezicht wit om aan te tonen wat je als donkere rapper nodig hebt om op de radio afgespeeld te worden: ‘Stop die rap, tenzij je een blanke jongen bent/ Hier in Hilversum bepalen wij hoe tof je bent/ Fuck je fans, de blakkaman blijft onbekend.’

Aanvankelijk, in de jaren negentig, was hiphop in Nederland – toen nog ‘Nederhop’, met artiesten zoals Osdorp Posse en Extince – op een belangrijk vlak radicaal anders dan de van oorsprong Amerikaanse hiphop: hiphoppers waren voornamelijk wit en hun muziek resoneerde vooral bij skaters en weinig bij jongeren van kleur, die naar de andere kant van de Atlantische Oceaan keken voor hun idolen, zoals Tupac, Nas en Jay-Z. Vincent Patty, die al decennia in de hiphopwereld actief is, ziet daarin de opvallendste evolutie: ‘Hiphop is multicultureler geworden. Nu herken je Caribische invloeden en Arabische woorden.’

Code-switching – het mixen van verschillende talen en registers – is volgens taalkundige Waszink typisch voor hedendaagse hiphop in Nederland. ‘Bij artiesten als Brainpower kwam code-switchen minder vaak voor, maar nu hoor je bij iemand als Sevn Alias niet alleen invloeden uit het Engels, maar ook uit het Surinaams, Berbers en Arabisch.’ Sevn Alias groeide op tussen Marokkaans-Nederlandse jongeren in Amsterdam-West en heeft verschillende nummers met titels als Kifesh (hoezo?), Mahlish (het geeft niet) en Herres (chaos) – het officieuze lijflied van Ajax. ‘Wat betekent herres?’ was vorig jaar zelfs een van de meest gezochte vragen op Google.

Ook de voor jongeren typerende straattaal wordt dankzij hiphop steeds invloedrijker. Woorden als fittie (ruzie) of fissa (feest) hebben al hun weg naar de Nederlandse woordenboeken gevonden, al staat er bij die woorden een gebruikslabel als ‘jongerentaal’, ‘spreektaal’ of ‘informeel’. Ook al bestaat er enige bezorgdheid over, niets wijst erop dat straattaal het formele taalgebruik en het Standaardnederlands verdringt. ‘Jongeren weten precies hoe en wanneer ze tussen die verschillende taalregisters moeten wisselen’, zegt Waszink. De Amsterdamse hiphopformatie SMIB – een omkering van Bims, bijnaam voor de Bijlmer – lanceerde het Smibanese Woordenboek: een handleiding voor een van de dialecten binnen ‘het straattaaluniversum’ dat is voortgevloeid uit een mix van Engels, Nederlands, Surinaams, Antilliaans en Marokkaans.

Geïnspireerd door een Amerikaanse studie onderzochten Nederlandse taalkundigen van de Universiteit Leiden en het Instituut voor de Nederlandse Taal in 2017 de lexicale diversiteit van dertig Nederlandstalige hiphopartiesten en vergeleken die met vier grote Nederlandse schrijvers: Multatuli, Louis Couperus, Harry Mulisch en Ilja Leonard Pfeijffer. Ze keken daarbij naar het aantal unieke woorden per tekst. Het resultaat? Hiphopartiesten hoefden niet onder te doen voor de literatuurgiganten.

‘Autofictie wordt in proza wél geprezen. Waarom zou dat voor hiphop niet zo zijn?’

‘Hiphop heeft als genre vaak te maken met negatieve stereotypes over oppervlakkige teksten, maar eigenlijk is het taalspel van hoog niveau’, vertelt Waszink, die ook bij het onderzoek betrokken was. De grootste Nederlandstalige hiphoplijst op Spotify, waar elke rapper in opgenomen wil worden, heet niet voor niets ‘Woordenschat’. Maar zegt de lexicale diversiteit iets over de literaire kwaliteit van een tekst? Niet per se. Het zegt wél iets over de taalcreativiteit en de verwantschap van het muziekgenre met literatuur: zowel op poëtisch als op narratief vlak.

De bewering dat hiphopartiesten hedendaagse woordkunstenaars zijn, stuit sommige zelfverklaarde poortwachters van de hogere kunsten tegen de borst. A.F.Th. van der Heijden noemde op npo Radio 1 de vergelijking tussen zijn literaire helden en hiphopartiesten in het Leidse onderzoek ‘volstrekt onuitstaanbaar’ en ‘een ultiem staaltje nepnieuws, gebaseerd op nepwetenschap’. Ook columnist en huisdichter van De wereld draait door Nico Dijkshoorn uit al jaren kritiek op de tekstkwaliteit van Nederlandse hiphop en verwijt het genre een overdaad aan autobiografische verhalen en een gebrek aan verbeeldingskracht.

‘Autofictie is een populaire en waardevolle vertelkunst, die in proza wél geprezen wordt. Waarom zou dat voor hiphop dan anders moeten zijn?’ vraagt letterkundige Aafje de Roest zich af. Ze promoveert aan de Universiteit Leiden met een proefschrift over culturele identiteitsvorming van Nederlandse jongeren door hiphop en is een van de weinigen in Nederland die op academisch niveau onderzoek doet naar het genre. De discussie over de kwaliteit van hiphopteksten is verbonden met een strijd om erkenning. Het is onmiskenbaar dat aan het erkennen of ontkennen van de literaire kwaliteit van hiphop ook een waardeoordeel is verbonden dat voorbij de kunst gaat. Het gaat ook om welke verhalen en perspectieven we belangrijk genoeg vinden om te horen.

Voor De Roest betekenden ‘Het land van’ van Lange Frans & Baas B en teksten van het Amsterdamse hiphopcollectief SMIB en de Rotterdamse formatie Broederliefde een keerpunt. ‘Ik vroeg me af waarom we dit soort teksten niet in de neerlandistiek bespraken, terwijl het toch complexe taaluitingen zijn over de culturele tijdgeest. Welke verhalen vertellen jongeren elkaar over Nederland en wat het betekent om hier te leven?’ Doordat de Afro-Amerikaanse muziekgeschiedenis sterk verweven is met het slavernijverleden, gaat de diepere oorsprong van hiphop zelfs terug tot aan de West-Afrikaanse verhalentraditie van griots. Griots zijn reizende lofzangers – vergelijkbaar met middeleeuwse troubadours – en worden beschouwd als de vertellers en de bewaarders van mondeling overgebrachte volksgeschiedenis.

Volgens De Roest bevatten hiphopteksten belangrijke narratieve elementen. ‘Hiphop biedt toegang tot alternatieve verhalen over identiteitsconstructies van jongeren die weinig gehoord worden.’ Het ontstaan van hiphop kan niet losgekoppeld worden van de politieke situatie van onderdrukking van etnisch-culturele minderheden. Hiphop vertegenwoordigde de stem van de ondergeprivilegieerden en behandelde onderwerpen als discriminatie, armoede, politiegeweld en het straatleven. Het zijn thema’s die Lijpe ook in zijn nummers bespreekt en die duidelijk aanslaan bij jongeren met een migratieachtergrond, die massaal bij het concert aanwezig zijn.

‘Ik schep niet op, ik had dagen dat ik niet op kon scheppen’, zingt Lijpe in ‘Levensles’. Het is een archetype in de hiphopcultuur dat hij als geen ander beheerst: het from rags to riches-narratief, waarbij de nadelige sociaal-economische omstandigheden waarin de artiesten opgroeiden gecontrasteerd worden met hun huidige succes. Wat de 27-jarige rapper echter toevoegt, is authenticiteit: een ethische code in de hiphopwereld die wordt gezien als een voorwaarde voor respect. Twee jonge fans, die het optreden via Snapchat-filmpjes vastleggen, bevestigen: ‘Niemand rapt zoals Lijpe. Zijn teksten zijn real.’ Zijn vriend knikt meteen. ‘Hij is niet zoals Boef, die alleen maar rapt over geld en meisjes voor de fame.’

Volgens Vincent Patty is authenticiteit datgene wat Lijpe onderscheidt van andere Nederlandse hiphopartiesten: ‘Hij slaagt erin om zijn verhalen tot leven te brengen, op zo’n manier dat iedereen zich met zijn pijn kan identificeren, ook al ligt zijn leefwereld ver van de jouwe.’ De 30-jarige Samir uit Amsterdam Nieuw-West is aanwezig op het concert en herkent zich in de verhalen die Lijpe vertelt: ‘We hebben hem zien opgroeien van een boze jongen die rapt over inbreken en drugs dealen naar een volwassen familieman die zijn levenslessen deelt – zoals de titel van zijn debuutalbum. Ik ken geen andere artiest die op die manier rapt over het geloof in god en in jezelf, het belang van het gebed, de vergankelijkheid van het leven, het respect voor je ouders. Het zijn onderwerpen waar veel jongeren die geworteld zijn in een moslimcultuur waarde aan hechten. Ik ben ervan overtuigd dat hij met zijn muziek jongens van de straat houdt. Lijpe geeft betekenis met directe en simpele woorden, waar toch kwetsbaarheid en gevoel in zit. Op dat vlak is hij een beetje de Hemingway van de Nederlandse hiphop.’

Een andere literaire techniek waar hiphopteksten gebruik van maken, is wat De Roest ‘de paradox van vervreemding en herkenbaarheid’ noemt. ‘Hiphopartiesten creëren talige constructies – woorden met meerdere betekenissen op cruciale plaatsen in de tekst – om de aandacht van de luisteraar op te eisen en dus voor het verhaal dat ze vertellen.’

Ze geeft een voorbeeld uit Lijpes ‘Vergeet de buurt nooit’: ‘Die jacka kon niet dicht, ik had geen rits, bradda/ Tenminste die was toen kapot, ik had niks, bradda/ M’n strijder blijft me zeggen, er is niks nadda/ Hij zegt die 9 heeft me rug, ik ben spits, bradda.’ Volgens De Roest zit de herkenbaarheid in het woord ‘bradda’ – straattaal voor ‘broer’ – alsof de luisteraar dicht bij Lijpe staat en als het ware getuige is van de tijd dat hij niks had. ‘Vervreemding treedt dan weer op in de daaropvolgende verzen. Het getal negen verwijst naar een 9-millimeter-pistool. Maar negen is ook vaak het rugnummer van een voetbalspits, wat zou betekenen dat er altijd jongens zijn die voor Lijpe rennen en rugdekking geven. Al die betekenisregisters worden in een paar zinnen opengetrokken. De hiphopfan kent die registers vermoedelijk bijna allemaal.’ Voor Samir is het een van zijn favoriete tekstfragmenten uit Lijpes werk en een voorbeeld van de complexe gelaagdheid van hiphop. ‘Spits is ook codetaal voor een snel handelende drugsdealer’, voegt hij nog toe.

Als je sommige hiphopteksten zonder bronvermelding zou inlijsten en ophangen, zou je nog maar moeilijk kunnen achterhalen of de woorden afkomstig zijn uit een nummer of uit een gedicht. Hiphop en poëzie mogen dan wel twee verschillende kunstvormen zijn, met het wegvallen van de context verdwijnt ook de (vaak negatieve) perceptie. Pas dan wordt de artistieke gelijkwaardigheid zichtbaar. Hiphopartiesten als Akwasi of Typhoon willen niet per se dat hun werk het label poëzie krijgt, maar ze willen wel serieus genomen worden als artiest. Ze willen dat hun teksten met evenveel aandacht en respect gelezen worden als gedichten.

Lijpe zit minder te wachten op de erkenning van anderen. In zijn teksten richt hij zich nadrukkelijk op jongeren uit minder geprivilegieerde milieus. In een interview met Vice uit 2014 zegt hij: ‘Ik denk dat mijn fans net zo zijn als hoe ik vroeger was. Jongens van de straat, jongens die op school zitten, jongens die spijbelen. Mijn jeugd is, denk ik, vergelijkbaar met die van hen. Mijn fans, mijn echte fans, zijn van de straat.’ Zijn muziek schreeuwt: ‘ik doe dit voor jullie’, en zijn fans in TivoliVredenburg zijn hem dankbaar. ‘Geel, Paars, Groen’ verwijst dan wel naar de kleur van briefgeld, het is niet Lijpe zelf die het uitgeeft, maar ‘zijn jongens’: ‘Al mijn jongens trekken geel, paars, groen/ Geef geen fuck om het systeem en die mensen eromheen’.

Zo’n anti-establishmenthouding is volgens Vincent Patty typisch voor het genre: ‘Hiphop is ontstaan uit activisme. Het is een artistieke emancipatie vanuit een achterstandspositie. Als je dat niet begrijpt of niet kan waarderen, dan is het genre niets voor jou.’