Het is nacht als Lourens en Madagascar en een oudere man zich door een patrijspoort van galjoen de Hollandia naar buiten wurmen. De twee zijn nog kinderen, tieners. De oudere man draagt een ijzeren keten. Zodra ze het water van de Indische Oceaan raken, proberen ze terug naar de kust te zwemmen, terug naar de vrijheid van hun dorp dat verscholen ligt in de jungle.
Het gewicht van het ijzer trekt de man naar beneden, het lukt hem niet te zwemmen. Die nacht zien Lourens en Madagascar hun dorpsgenoot verdrinken. Om zichzelf in veiligheid te brengen, zwemmen ze naar een schuit die aan het schip vastligt, maken die los en proberen naar de monding van hun vertrouwde Onilahy-rivier te roeien. Ze zijn jongens van de zee, gewend om in hun kano’s langs de kust te varen. Maar in deze logge schuit drijven ze door de stroming terug de zee op.
Als het licht wordt – het is dan 31 oktober 1595 – neemt de bemanning van de Hollandia hen opnieuw gevangen. De jongens worden ‘verdeelt’, heet het in een reisverslag. Lourens wordt toegewezen aan Cornelis de Houtman, de Hollands opperkoopman die de leiding heeft over deze vier schepen van de Compagnie van Verre, een voorloper van de voc. Madagascar zal Jan Jansz Carel de Jonge dienen, telg uit een rijk en machtig Amsterdams koopmansgeslacht.
De vloot vormt de allereerste handelsreis naar Azië die vanuit de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is georganiseerd. Het doel is een eigen route op te zetten naar het werelddeel waar vijand Portugal de Europese handel domineert. Ze hebben een paar weken eerder als eerste Hollandse vloot Kaap de Goede Hoop gerond.
Lourens en Madagascar zijn, voor zover terug te vinden, de eerste twee Afrikanen die tot Nederlandse slaven zijn gemaakt. Het waren natuurlijk niet hun echte namen. Hun kidnappers noemden hen simpelweg naar het eiland Madagaskar dat ook wel St. Laurens heette. Alle informatie over de twee komt van de Hollandse verslagleggers uit die tijd.
Tot dan toe moeten de jongens hun jeugd hebben gesleten in de St. Antonisbaai aan de zuidwestkant van het eiland, tussen de ‘papegaaien, meerkatten en barbarische hoenderen’ die de uitgehongerde en zieke Nederlandse bemanning daar aantreft. Ze leefden er in een klein koninkrijkje, een gemeenschap van een of enkele dorpen. Onder hun enige kleding, een lendendoek, zien de Nederlanders dat ze besneden zijn, waaruit sommigen concluderen dat ze moslim zijn. Bij een prent van de ‘inwoonderen van Madagascar’ die aan boord werd gemaakt, staat echter dat ze ‘gheen Religie noch Wetten’ hebben en dat ze hun leeftijd niet kennen.
Een van de opvarenden schrijft dat Lourens zestien jaar is, een ander denkt veertien. Madagascar wordt geschat op twaalf jaar. Lourens laat een vrouw achter. Hij is ‘in zijn lant ghetrout op die heijndensche manier’. Hoe ze eruitzien, weten we niet precies. De mannen op de verschillende prenten zijn vrijwel naakt, de vrouwen dragen enkel een rok. De tekenaar lijkt ermee te hebben geworsteld, want hun gelaatstrekken doen Europees aan.
De twee jongens woonden in kleine ‘huijskens’, waar je in moest kruipen om te ‘slapen int sant’. Lourens en Madagascar zullen in hun dorp onder boababs gedanst hebben zoals de Hollanders tekenden: de mannen maakten ‘seltsame sprongen met veel rumoers, haer voeten achter uyt slaende, als de Peerden’. De vrouwen klapten hun handen en zongen, ‘hare toon houdende met sachte treden’.
Direct na hun ontsnappingspoging worden Lourens en Madagascar geketend. Hun ouders, dorpsgenoten en Lourens’ vrouw; ze zullen waarschijnlijk nooit weten waar de jongens naartoe worden gevoerd. Toch zullen hun levens elkaar nog eenmaal kruisen, vanuit de verte. Drie jaar later zullen er opnieuw schepen met oranje-wit-blauwe Prinsenvlaggen aan de horizon verschijnen. Aan boord dragen Lourens en Madagascar tegen die tijd de kleren van Europeanen en spreken zij Nederlands.
Maar nu wacht hun eerst een reis naar Java, Bali en uiteindelijk Texel. Een ruwe reis die aan veel opvarenden het leven zal kosten. Een reis die in de geschiedenisboeken terecht zal komen als de ‘Eerste Schipvaart’, de eerste bouwsteen voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als koloniale grootmacht.
Zelf staan Lourens en Madagascar niet in die geschiedenisboeken. Hoewel er opmerkelijk veel biografische gegevens van ze te vinden zijn en hun kennis en kunde cruciaal zullen blijken voor de veilige terugkeer en de Hollandse handelsbelangen, bleven zij tot nu toe zo goed als onopgemerkt. Het verhaal van Lourens en Madagascar werpt nieuw licht op een periode waarover nog maar weinig bekend is. Die van het allereerste begin van de Nederlandse slavernij. Die blijkt van vroeger datum en omvangrijker dan doorgaans wordt aangenomen.
Waar begon het verleden?
Tijdens Keti Koti, op 1 juli, wordt jaarlijks het einde van de Nederlandse slavernij gevierd en herdacht. Daar is toenemende aandacht voor. In het nieuwe regeerakkoord wordt 2023 als nationaal herdenkingsjaar genoemd, omdat het dan 150 jaar geleden is dat de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen, tien jaar na afschaffing, ook werkelijk ophield te bestaan. Maar wanneer begon dat verleden? En waar?
In hetzelfde regeerakkoord staat dat er een Slavernijmuseum komt in Amsterdam. Dat is de vrucht van jarenlang activisme vanuit de Afro-Surinaamse en -Caribische gemeenschap. Daardoor ligt de nadruk van het museum expliciet op de trans-Atlantische kant (zie kader). Van de tien verhalen die het Rijksmuseum vorig jaar selecteerde voor de grote slavernijtentoonstelling gingen er slechts twee over slavernij in Azië, de andere waren gericht op de West, het trans-Atlantische gebied. Ook in recente boeken over het onderwerp wordt de Nederlandse slavenhandel aan de oostkant van Afrika en Azië niet of nauwelijks genoemd.
Tekenend zijn de titels van zulke overzichtswerken. Vorig jaar publiceerde emeritus hoogleraar zeegeschiedenis Henk den Heijer het boek Nederlands slavernijverleden en emeritus hoogleraar geschiedenis Piet Emmer schreef, ook in 2021, De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop. Beide alomvattende titels blijken slechts te verwijzen naar het trans-Atlantische slavernijverleden, waarbij Nederland verantwoordelijk is voor ongeveer 550.000 verhandelde zielen. Daarmee worden de 660.000 tot 1,1 miljoen verhandelde mensen in Azië buiten het nationaal slavernijverleden gelaten.
‘De Nederlandse slavenhandel begon eerder in Azië en was groter’, zegt historicus Matthias van Rossum die de Aziatische slavernij onderzoekt aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg). ‘Maar nog steeds wordt de voc als een handelsorganisatie gezien, ook door historici. Terwijl bij de oprichting centraal stond: oorlogsvoering richting Portugezen en het vestigen overzees, want Nederland moet een koloniale macht worden.’
‘De Indische geschiedenis is heilig verklaard’, zegt Karwan Fatah-Black, historicus aan de Universiteit Leiden, gespecialiseerd in koloniale geschiedenis. ‘Daar zijn heel lang vooral de mooie verhalen over verteld. De voc zou een handelsorganisatie zijn, met contacten met exotische vorsten.’
Fatah-Black publiceerde vorig jaar Slavernij en beschaving. Daarin schrijft hij dat slavernij wordt benaderd als iets wat ‘buiten ons’ staat. Dat gebeurt niet alleen in het publieke debat, maar het is ook de benadering van de meeste Nederlandse historici geweest. En dat leidt volgens hem tot een paradox. ‘Slavernij wordt gezien als wezensvreemd aan de westerse beschaving, terwijl het meest recente slavernijverleden bij uitstek een product van die beschaving is.’
Van Rossum ziet dat ook, vooral waar het over het begin van de slavernij gaat. ‘Het achterliggende narratief is dat Nederland min of meer per ongeluk met slavernij in aanraking komt.’
Zo schrijft Den Heijer in 2021 dat de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij ‘min of meer toevallig’ begon. Emmer stelt: ‘Voor Afrikaanse slaven hadden de Nederlanders aanvankelijk geen interesse.’ Het begin van structurele betrokkenheid van de Republiek wordt doorgaans gemarkeerd bij de oprichting van de West-Indische Compagnie (wic) in 1621 en vaker nog in 1637, als er in Brazilië koloniën worden veroverd op de Portugezen, met suikerplantages waar werkkrachten nodig zijn. De periode tussen 1596 en 1637 wordt ook wel die van ‘incidental slave trade’ genoemd.
Maar dat die vroege slavenhandel incidenteel zou zijn en vooral een Atlantische aangelegenheid was, is bij bestudering van oudere publicaties en archieven niet vol te houden, blijkt uit onderzoek van De Groene Amsterdammer. Vanaf het eerste gedocumenteerde geval in 1594 verhandelen Nederlanders binnen drie decennia slaafgemaakten op alle zes bewoonde continenten (zie ook deel II van dit tweeluik, dat volgende week verschijnt).
Pas zeer recent kantelt het perspectief. Zo behandelt historicus Dirk Tang in zijn overzichtswerk Slavernij: Een geschiedenis uit 2013 wel de voc-kant, heeft het slavernijonderzoek van de gemeente Amsterdam uit 2020 de titel Slavernij in Oost en West en behandelt het vergelijkbare onderzoek Slavernij en de stad Utrecht uit 2021 meer Oost dan West. Een nieuwe generatie historici kijkt niet enkel naar slavernij vanuit nationaal oogpunt of economisch belang van compagnieën, maar probeert de geschiedenis ook vanuit de kant van de tot slaaf gemaakten te beschrijven.
Alle voor dit verhaal geraadpleegde historici beamen dat het vroege slavernijverleden nog altijd slecht is onderzocht. Dat heeft zijn wortels in de Nederlandse geschiedschrijving die in de negentiende eeuw op gang komt, zegt Pepijn Brandon, hoogleraar mondiale geschiedenis aan de Vrije Universiteit. ‘Dan is de slavernij net afgeschaft. De morele verwerping ervan zorgt voor een probleem in de geschiedschrijving en dat wordt opgelost door slavernij uitzonderlijk te maken.’ Die manier van denken domineert nog steeds het historisch onderzoek, zegt Brandon. ‘Het is niet zo dat historici niet weten van die vroege participatie, maar er is een heel sterk interpretatief kader om dat te duiden als onbewust, onbedoeld, per ongeluk.’
Dat geldt nog wel het meest voor de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij in de Oost. Terwijl de trans-Atlantische slavenhandel al decennialang intensief wordt onderzocht, is voor het aantal onderzoekers naar de geschiedenis van slavernij in Azië en Oceanië volgens Van Rossum ‘net meer dan één hand’ nodig om ze te tellen. ‘En dat terwijl de grootschalige systematische betrokkenheid van de Republiek bij slavenhandel begon in Azië. En die werd uitgevoerd door een staatsbedrijf.’ De Verenigde Oost-Indische Compagnie (voc) dus, die voortkwam uit de eerste expeditie van Cornelis de Houtman.
Die expeditie heeft een mythische status gekregen en alle relevante reisverslagen en documenten zijn tussen 1915 en 1951 beschreven in uitgaven van de Linschoten-Vereeniging. Maar Lourens en Madagascar zijn nooit onder het stof vandaan gekomen. In zijn bijdrage aan het onderzoek naar het Amsterdamse slavernijverleden noemt Van Rossum ze wel kort en in 2002 schreef neerlandicus Vibeke Roeper enkele pagina’s over hen in haar kinderboek Zwarte peper, scheurbuik.
Van Rossum heeft zich eerder bij zijn publicatie niet gerealiseerd dat het waarschijnlijk om de eerste door Nederlanders tot slaaf gemaakten gaat. ‘Niemand kent ze’, zegt hij. ‘Het bredere publiek niet, maar ook historici niet. Het zegt veel over de blik waarmee lang naar deze geschiedenis is gekeken.’
Twee tieners te koop
Waarschijnlijk hebben Lourens en Madagascar al eerder grote zeilschepen gezien, zoals die in oktober 1595 verschijnen in de baai voor hun dorp. Portugezen varen al langer langs het eiland. Maar aan de masten van deze schepen wappert een andere vlag: oranje, wit, blauw. De opvarenden bestaan ook uit andere types. Lichter van kleur, uitgeteerd en ziek.
Wanneer de expeditie van Cornelis de Houtman de St. Augustijnbaai in Madagaskar bereikt, op zoek naar vers water en eten, lijdt de helft van de opvarenden aan scheurbuik. Zeventig bemanningsleden zijn dan al begraven op het naburige eilandje Nosy Manitsa, dat nog eeuwenlang als ‘Hollands kerkhof’ op de kaart zal staan. Bovendien heerst er onrust op de vier schepen. De Houtman heeft slaande ruzie met koopman Van Beuningen, die zelfs moordplannen tegen hem koestert.
Op het strand nabij het dorp van Lourens en Madagascar maken de Hollanders een verschansing waar de doodzieke bemanning moet aansterken. De Malagassen verhandelen vers fruit en vee voor tinnen lepels. Maar op 13 oktober gaat het mis. Dan lijken de ‘inboorlingen’ de zieken te overvallen, ze nemen hun kleren af en gaan daarna naar het kamp van de gezonde bemanning. Daar schieten de Hollanders drie of vier Malagassen dood en slaan de Afrikanen op de vlucht.
De behoeftige Europeanen hebben weinig andere keus dan de handel de volgende dag weer te hervatten. Maar als op 26 oktober een aantal matrozen een strooptocht houdt, aanvankelijk op zoek naar apen, parelhoenders en ‘duysentderley vogelen’, richt hun vizier zich al snel ook op mensen. Ze stuiten op het dorp waar zeer waarschijnlijk ook Lourens en Madagascar wonen. De inwoners vluchten, op een oude man na die aan het weven is en niet weg kan komen. De vreemdelingen nemen de wever gevangen.
Wanneer Lourens en Madagascar later die dag met enkele dorpsgenoten in een kano naar een van de schepen varen, bieden ze vis te koop aan. Mogelijk willen ze de wever vrij krijgen. In plaats daarvan worden hun kano’s beschoten. Een dorpsgenoot vindt de dood, een ander raakt gewond. Ze vluchten de rivier op, maar ‘eenen man, twee vrouwen ende vier kinderen’ worden gevangengenomen. Onder hen dus de twee jongeren.
Na een klopjacht wordt opnieuw contact gemaakt met de ‘inlanders’ en worden de twee vrouwen en de twee jongste kinderen vrijgelaten. De dorpelingen kopen bovendien de wever terug voor een os en twee schapen. Ook Madagascar, de jongste van de twee tieners, wordt te koop aangeboden. Maar uit de onderhandelingen die met handen en voeten zullen zijn gevoerd, maken de Hollanders op dat de Malagassen alleen interesse hebben in tinnen lepels. Dus blijven de jongens aan boord, evenals de volwassen man die drie dagen later bij de mislukte ontsnappingspoging zal verdrinken.
Suiker en ‘veele swarten’ aan boord
De sterk uitgedunde bemanning kan het extra paar handen van de kinderen goed gebruiken voor de lastige reis die voor hen ligt. De expeditie van De Houtman is weliswaar bedoeld om handelsrelaties aan te knopen voor later en dan is het niet handig om vijanden te maken, maar de roof van de twee kinderen komt zeer goed van pas om meer over de Malagassen te leren.
Lourens en Madagascar moeten slimme jongens zijn geweest. ‘Sij zijn beyde van goeden begrijpe’, staat in een van de reisverslagen. ‘Want in corter tijt conden zy onse tale verstaen ende bequamelic spreken.’
Soms worden ze simpelweg als jongens aangeduid, dan weer als ‘swarten’, ‘wilden’ of ‘Indianen’ en ook wel ‘ons cnaep’. Het woord ‘slaaf’ wordt in geen van de beschrijvingen gebruikt, maar het lijdt geen twijfel dat het hier behalve mensenroof ook slavernij betreft, beaamt slavernij-onderzoeker Fatah-Black. ‘Als er geen wettelijk kader is, wordt voor slavernij meestal de definitie aangehouden van “excercising the right of ownership” van de International Labour Organization.’ Niet alleen wordt een van hen aangeboden als handelswaar, ze worden na hun ontsnappingspoging ook geketend en toegekend aan meesters, de hoogsten in rang.
Slavernij kan de bemanning van de Eerste Schipvaart niet vreemd zijn geweest. Ervaren zeelieden als Cornelis de Houtman en zijn broer Frederik zullen het kennen uit de Portugese wereld, waar dan al ruim een eeuw in Afrikaanse slaafgemaakten wordt gehandeld. Hun expeditie, die bedoeld was om een plek te veroveren in de specerijenhandel en tegelijk vijand Spanje en Portugal de loef af te steken, was goed voorbereid. Petrus Plancius, Amsterdams cartograaf, predikant en investeerder in deze en andere compagnieën, had de broers al in 1592 naar Lissabon gestuurd als spionnen om informatie in te winnen over de route via Kaap de Goede Hoop.
Aan boord is ook een eerste versie van de Itinerario, de baanbrekende Nederlandse reisbeschrijving van Portugees Azië door Jan Huygen van Linschoten. De schrijver vergelijkt op basis van zijn ervaringen al de ‘slaven en slavinnen’ van Mozambique (de sterksten voor ‘het vuijlste ende grofste werck’) met die van Bengalen (‘de quaetste slaven’).
Maar zelfs de opvarenden die er nog niet van wisten, moeten al nauwelijks een maand na vertrek uit Texel hebben waargenomen hoe normaal slavernij voor sommige Nederlandse zeevaarders was. Want op 11 mei 1595 had de vloot ter hoogte van het West-Afrikaanse Guinee zeven ogenschijnlijk Portugese schepen ontmoet. Vijf daarvan maakten contact en bleken onder bevel te staan van de Nederlandse admiraal Joris van Medemblik en een Duitser. De bemanning was ook overwegend Nederlands. Ze vervoerden suiker en ‘veele swarten’ van het Afrikaanse eiland Sao Tomé naar Lissabon.
Omdat het windstil was, was er ruim tijd om ervaringen uit te wisselen. De bemanning gaf brieven aan huis mee, blijkbaar voeren de slavenhandelaren na Lissabon door naar Nederland. Onder het genot van kajuitsbier spraken de admiralen van beide vloten over de ‘zwartinnen’ benedendeks waarvan een aantal gestorven was door ‘het onnatuurlijk veel converseren’ met de bemanning. Verkrachting dus.
Net als Lourens en Madagascar komen deze vijf slavenschepen met Nederlandse kapitein voor in de oude reisverslagen van de Eerste Schipvaart die vanaf begin twintigste eeuw zijn gepubliceerd, maar ze zijn sindsdien in geen enkel slavernijoverzicht genoemd. Terwijl het hier een van de eerste geregistreerde voorvallen betreft, met vijf schepen tegelijk bovendien.
Wanneer Lourens en Madagascar in oktober 1595 tot slaaf worden gemaakt, vormen ze direct al geen uitzondering, maar juist een begin. Alleen al in het jaar daarna, terwijl de twee de belangen van de Compagnie in Azië dienen, worden elders op de wereldzeeën nog zeker ongeveer tweehonderd andere slaafgemaakten door Nederlanders als handelswaar vervoerd. Onder hen waren 130 mensen, ‘zoo mans als vrouwen ende kinderen wesende’, die in november 1596 naar Middelburg werden gebracht. Zeer waarschijnlijk zijn ook zij door een Nederlandse koopman en kapitein gekocht en doorverkocht en niet, zoals tot voor kort steeds werd aangenomen, buitgemaakt op Portugezen (zie ook deel II).
Dat aantal zal in de jaren daarna snel oplopen. Ruim voor verovering van de eerste suikerplantages in Zuid-Amerika in 1637 verhandelen Nederlandse kooplieden tienduizenden, mogelijk al ruim honderdduizend mannen, vrouwen en kinderen op alle zes bewoonde continenten. Veruit de meesten eindigden in Azië. Ze staan meestal niet in de databases waarin het slavernijverleden wordt gedocumenteerd en die internationaal door historici als leidend worden gezien. Dat geldt ook voor Lourens en Madagascar en de andere tot slaaf gemaakten die in het vervolg van de Eerste Schipvaart nog aan boord kwamen.
‘Slavernij bestaat niet’
In die tijd, eind zestiende eeuw, heerst in de Republiek het idee dat slavernij een barbaars gebruik is van de Spanjaarden. In pamfletten worden zelfs vergelijkingen getrokken tussen de vrijheidsstrijd van de Republiek en die van de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s die door de Spanjaarden tot slaaf worden gemaakt.
In Spaanse en Portugese steden als Lissabon, Lagos en Sevilla leven dan al grote aantallen Afrikanen in slavernij, terwijl in Nederlandse steden nauwelijks Afrikaanse aanwezigheid is en slavernij officieel niet bestaat. Historicus Mark Ponte, die onderzoek doet naar de Afrikaanse gemeenschap in Amsterdam, ziet dat die vooral vanaf 1620 begint te ontstaan. ‘In Amsterdam lijkt te gelden dat iedereen die in de stad is officieel in vrijheid leeft.’
Maar de regels zijn niet helemaal duidelijk en niet iedereen houdt zich eraan. Er komen in die tijd vanuit Portugal en de zuidelijke Nederlanden veel handelaren, voornamelijk gevluchte Sefardische joden, naar Amsterdam die nauw betrokken zijn bij koloniale handel en slavernij. Ponte: ‘Op de joodse begraafsplaats van de Portugese gemeenschap wordt in 1614 een aparte plek ingericht voor joodse dienstmeisjes, knechten en slaven.’ En in 1615 laat schrijver Bredero de hoofdpersoon in zijn blijspel Moortje fulmineren tegen de ‘onmenselijke’ slavernij, ‘Godloose schelmery!’, waarbij sommige Amsterdammers in Brazilië zijn betrokken. ‘Hier zynder oock in de stadt, die sulcken handel dryven.’
Die morele verontwaardiging was evenwel niet besteed aan veel handelaren overzees en hun geldschieters in patria. ‘Er was duidelijk discussie over in de samenleving’, zegt historicus Pepijn Brandon. ‘Maar die tegenstand was er niet bij de mensen die koloniale expansie aan het bewerkstelligen waren. Het was meer voor de dominees thuis en het brede publiek.’
Lourens en Madagascar waren geen gekochte slaven, maar werden eigenhandig tot slaaf gemaakt, en later op de reis gebeurt dat nogmaals met twee Javanen. Dat is opmerkelijk, zegt Fatah-Black, want in latere debatten zou slavernij vaak verdedigd worden door te stellen dat de compagnieën vooral handelden in mensen die door anderen reeds tot slaaf waren gemaakt.
Het past wat hem betreft in een patroon dat toen al is ontstaan en eigenlijk tot vandaag nooit goed is aangevochten door historici. Het idee dat slavernij wezensvreemd zou zijn aan de westerse beschaving. ‘Je kon er schande van spreken dat het overzees wel gebeurde, maar ja, zo werkte de wereld nou eenmaal, was de redenering.’
‘Tot dienst’ van de Hollandia
Bij Lourens en Madagascar zijn de boeien vermoedelijk in februari 1596 afgegaan. Dan verlaat de vloot de kust van Madagaskar, op weg naar Java, en is het ontsnappingsgevaar geweken. Maar vrij waren ze geenszins. Ze zijn dan op volle zee.
Als de Nederlanders en de twee Malagassen vier maanden later uitgeput de ankers uitgooien voor de Javaanse havenstad Bantam, treffen ze een internationaal handelscentrum aan. In de haven en straten wordt gehandeld door Portugezen, Arabieren, Chinezen en Bengalen. Slavernij is overal. ‘De arme slaven moeten al het werck doen’, schrijft een van de opvarenden. De vrouwen doen de hele dag niets en ‘hebbende met haer slavinnen die op instrumenten spelen’. Veel slaafgemaakten komen uit India, van Bali, van eilanden uit de buurt en ook uit Oost-Afrika.
Op dat moment is onder de Nederlanders minder dan de helft van de 248 bemanningsleden die uit Texel vertrokken nog in leven. Echt lekker verloopt de eerste kennismaking met Azië niet. Er spelen tal van intriges en spanningen, zowel met de lokale vorsten en Portugezen als onderling – Cornelis de Houtman wordt beschuldigd van het vergiftigen van zijn vijand Van Beuningen en wordt enkele dagen geboeid.
Aan boord van de vier schepen is het in die maanden een komen en gaan van slaafgemaakten. Het is maar de vraag of de schepen ooit waren thuisgekomen zonder hun kennis en arbeid. Zo is daar Antonio Sylveira, geboren in Goa, India, die slaaf was van een Portugese koopman. De Portugees dreef handel met de Hollanders en werd waarschijnlijk daarom vermoord. Als De Houtman kort daarop gevangen wordt genomen door de regent van Bantam en de Hollanders de stad beginnen te beschieten, biedt Antonio zijn diensten aan op de Nederlandse schepen.
Hij spreekt Portugees, Maleisisch en Javaans en fungeert als loods. Ook onderhoudt hij dag en nacht een verbinding tussen de gevangenen en de schepen, in een kano met zijn hemd als zeil. Hij weigert loon en zegt volgens de reisverslagen: ‘Ik ben uw dienaar en begeer naast God geen andere meester.’
Op 27 oktober 1596 wordt Antonio ontvoerd. Javaanse slaven waren bereid hem voor een paar muntstukken te bevrijden, maar de inmiddels weer vrije Cornelis de Houtman weigert dat, tot onbegrip van de bemanning, die gehecht was geraakt aan de Indiër.
Een paar dagen later zeilen de Hollanders naar de stad en kapen twee schepen, met aan boord ‘wel 30 slaven’ waarvan er ‘vier of vijf’ worden doodgeschoten, de rest sprong overboord. Eerder al werden vijf ‘slaven der Portugesen’ uit Malabar aan boord genomen. Zij waren ‘zeer gewillig’ om mee te gaan, om van de ‘slavernye der Portugesen ontslaghen te zijn’. Of zij daarna als Nederlandse slaven worden gezien, is niet duidelijk. Een van hen, Joao of ‘Juan de Portughies’, zou uiteindelijk mee terugvaren naar Nederland, net als Lourens en Madagascar.
Dat geldt ook voor Abdoel, die oorspronkelijk uit Guzerat in India komt. Hij gaat aan boord wanneer de Nederlanders Bantam verlaten om naar Soerabaja op Oost-Java te varen. Abdoel is al wat ouder en zou ook in slavernij leven. Hij helpt de Nederlanders bij het navigeren en tolken.
Wat er vervolgens gebeurt, moet Lourens en Madagascar bekend zijn voorgekomen. Door een misverstand komt het in december 1596 tot een treffen met de Javanen. Onder de Hollanders vallen twaalf doden, bij de Javanen ongeveer 150. Ook worden er ongeveer twintig Javanen gevangengenomen. De meesten worden later weer vrijgelaten, op twee jonge ventjes na, zij worden ‘tot dienst’ van het schip de Hollandia gemaakt.
Zoals Lourens en Madagascar naar hun eiland zijn vernoemd, zo krijgen deze twee jonge tot slaaf gemaakten de namen Arosbaja en Madoera, naar respectievelijk het koninkrijk en het eiland waar ze gevangen werden genomen. En net als de Malagassen wagen ook deze twee een ontsnappingspoging. Die van Arosbaja en Madoera slaagt, ze weten een maand later naar Lombok te zwemmen.
Als de eerste reis naar Azië die met 248 mannen begon, in augustus 1597 weer eindigt in de Republiek, zijn er nog 87 levenden aan boord. Onder hen acht vreemdelingen: Lourens en Madagascar, Abdoel, Joao, een Chinees met de naam Lak-Moy, Antonio en nog iemand uit Malabar in India. Ook is er op de terugweg een jongen van ‘omtrent 8 oft 9 jaar oud’ uit Java aan boord, maar mogelijk overlijdt hij voordat Texel wordt bereikt. Kort na aankomst sterven nog acht bemanningsleden. Daarmee is meer dan twee derde van de oorspronkelijke opvarenden overleden.
Ook financieel is de expeditie verliesgevend. Cornelis de Houtman brengt maar weinig van de felbegeerde peper, nootmuskaat en foelie thuis. Maar wat wel mee terugkomt, is kennis. Er zijn woordenlijsten aangelegd in het Maleisisch en Malagassisch, zonder twijfel met hulp van Lourens en Madagascar. De sterrenhemel van het zuidelijk halfrond is voor het eerst getekend, waarmee cartograaf Plancius meteen aan de slag gaat om zijn kaarten te verbeteren. Maar vooral zijn er handelscontacten gelegd.
In het voorjaar van 1598 zal dan ook direct de ‘Tweede Schipvaart’ vertrekken, met drie oud-gedienden aan boord: Lourens, Madagascar en Abdoel.
Een imperium gebouwd op slavernij
Waren ze vrij in de koude wintermaanden in de Republiek? Mogelijk. Abdoel vertelt later op de Tweede Schipvaart aan de Bantamezen dat Holland een vrij land is, ‘waar iedereen zijn eigen persoon is, en geen slaaf of lijfeigene’. Ook verwonderde hij zich over het bevroren water waar mensen, paarden en sleeën overheen gingen. De kerken zouden zo groot zijn dat een hele stad erin kon wonen.
Een bezienswaardigheid zijn de twee jonge Malagassen en andere vreemdelingen ongetwijfeld, want er waren toen nog nauwelijks Afrikanen of Aziaten in de noordelijke Nederlanden. De eerste zwarte Amsterdammer die Mark Ponte in het archief kan vinden is Bastiaan Pieters die in januari 1593 trouwt met een Amsterdamse weduwe. Waarschijnlijk kwam hij via Antwerpen naar de stad. Hij is vrij en werkt in de textielindustrie.
Maar er zijn ook voorbeelden van onvrije Amsterdammers en dat zullen er vanuit Azië snel meer worden. Zoveel zelfs dat de Heren Zeventien in 1636 nadrukkelijk boetes opleggen aan wie slaafgemaakten mee terugbrengt naar het vaderland, constateert onderzoeker Reggie Baay in zijn boek Daar werd iets gruwelijks verricht uit 2015. Het is het eerste boek met slavernij in Nederlands-Indië als onderwerp. Het verbod werkte overigens niet echt, het moest in de jaren daarna meermaals herhaald worden.
De Republiek zou halverwege de zeventiende eeuw in korte tijd uitgroeien tot het machtigste land van Europa. De basis daarvoor werd gelegd met de oprichting van de voc in 1602, die voortkwam uit onder andere de Compagnie van Verre. Hoewel ze in geschiedenisboeken vooral als handelscompagnie staat aangeschreven, was de voc ook een oorlogvoerend en in slaven handelend bedrijf.
De omvang van de slavenhandel in voc-gebied is moeilijk te staven. In tegenstelling tot de trans-Atlantische slavernij (slavevoyages.org) bestaat er nog geen database waarin de Aziatische slavernij wordt gekwantificeerd. Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam wordt daar sinds kort een begin mee gemaakt. Dat project, Exploring Slave Trade in Asia, is monnikenwerk, vertelt historicus Matthias van Rossum. De trans-Atlantische database heeft ervoor gezorgd dat we nu weten dat er ongeveer twaalf miljoen Afrikanen naar de Amerika’s zijn vervoerd en dat Nederland verantwoordelijk was voor ongeveer zeshonderdduizend van hen.
Van Rossum: ‘Aan die database is sinds de jaren zeventig gewerkt. Als je het internationaal bekijkt is het begrijpelijk dat de focus daarop heeft gelegen. Maar voor Nederland is het eigenlijk heel vreemd dat het niet de Aziatisch kant meeneemt, of zelfs daar begint.’
De schattingen zijn nog zeer ruw, maar duidelijk is dat het voor Nederland in Azië om een groter aandeel gaat dan het trans-Atlantische. Vooralsnog wordt er gewerkt met de estimated guess dat er in voc-gebieden tussen 660.000 en 1,1 miljoen mensen zijn verhandeld. In Azië ontstonden vele vormen van onvrije arbeid, maar lang niet alle bronnen zijn in beeld, met name van begin zeventiende eeuw.
Volgens Baay was juist in die beginperiode slavernij ‘ongelooflijk belangrijk, echt noodzakelijk vanuit het oogpunt van de voc’. De slaafgemaakten werden gebruikt om forten te bouwen, als huisslaven, maar ook om te werken op plantages en soms zelfs voor het bevolken van gebieden. Zo wordt de bevolking van het eiland Siau in 1615 gedeporteerd naar een ander veroverd eiland.
In 1621 vond onder leiding van J.P. Coen de volkerenmoord op de Banda-eilanden plaats. Van de vijftienduizend Bandanezen wisten er slechts duizend te overleven, vaak eindigden ze in voc-slavernij. De ontvolkte eilanden werden door de Nederlanders verdeeld in ‘perken’, plantages voor Europese handelaren. Er waren niet genoeg Bandanezen over, dus werden ‘perkslaven’ vanuit de wijde regio geïmporteerd. Vanaf dat moment gaat de voc echt grootschalig in de slavernij, zegt Van Rossum. ‘Er is bijvoorbeeld een verdrag uit 1623 met de vorst van Arakan om alleen al daar een paar duizend slaafgemaakten per jaar te garanderen.’
Op basis van de beschikbare cijfers uit latere periodes maakt Reggie Baay een voorzichtige schatting van tussen honderd- en tweehonderdduizend in de eerste vijftig jaar na de Eerste Schipvaart. Dat betreft grotendeels de periode waarvan in geschiedenisboeken staat dat Nederland nog niet echt betrokken was bij slavernij.
‘Er zijn brieven van gouverneurs-generaal die echt smeken om meer slaven te mogen kopen’, vertelt Baay. ‘Anders was het imperium nooit van de grond gekomen.’ Het ging al snel om duizenden mensen tegelijk. In 1622 kwam een schip in Batavia aan met ‘omtrent duysent ingecochte slaeven ende slavinnen’ uit Coromandel, de oostkust van huidig India. Koopman Jacob Dedel had in 1624 opdracht om op diezelfde kust tweeduizend slaven te kopen, maar wist er zevenhonderd te bemachtigen. De schepen waren vaak niet toegerust voor zulke aantallen. In 1625 kwam een schip in voc-gebied ‘medebrengende tezamen hondert en dertigh slaven zijnde het restant van vijffhondertvierenveertigh stuks’.
In zijn boek laat Baay zien dat de slaven op allerlei plekken langs de Indische Oceaan werden gehaald. Zo stuurde gouverneur-generaal Gerard Reynst in 1614 en 1615 meerdere schepen naar de St. Augustijnbaai op Madagaskar, de thuishaven van Lourens en Madagascar, om slaven te halen voor de bouw van voc-fortificaties.
Acht schepen sterk
De twee jongens zelf zagen hun geboorte-eiland nog minstens eenmaal terug. Vanuit de verte. Gedwongen of vrijwillig, op 1 mei 1598 staan Lourens en Madagascar en Abdoel opnieuw op de rede van Texel klaar om aan boord te gaan. De Tweede Schipvaart naar Azië wordt uitgereed door de Oude Compagnie, een voortzetting van de Compagnie van Verre, die later ook nog een derde, vierde en vijfde ‘schipvaart’ zou organiseren en in 1602 zou opgaan in devoc.
Het nieuws van handel in de Oost ontketent een wedloop tussen compagnieën uit verschillende delen van het land. Vanuit Zeeland vertrekken de gebroeders De Houtman zelfs al eerder naar Indië namens de Veersche Compagnie. Blijkbaar is Lourens dan niet meer de ‘cnaep’ van Cornelis de Houtman, maar blijven de jongens in dienst of eigendom van de Oude Compagnie. Mogelijk moeten we ze dus zien als de eerste compagnieslaven.
De Tweede Schipvaart is acht schepen sterk, wordt bemand door 560 zeelui, geestelijken, trompetters, chirurgijnen en koopmannen en staat onder leiding van Jacob van Neck, Wybrand van Warwijck en Jacob van Heemskerck. Die laatste krijgt een bijzondere relatie tot Lourens. Hij wordt diens peetvader.
Lourens moet eind september 1598 de baai van zijn dorp hebben zien liggen. Maar een wederzien met zijn vrouw en dorpsgenoten is hem niet gegund. De Amsterdam waarop hij vaart, het grootste schip van de vloot, gaat Madagaskar voorbij en legt een paar dagen later aan bij het ‘loffelijke’ eiland Mauritius. Daar treffen ze reuzenschildpadden waar de Nederlanders wel met z’n tweeën tegelijk op kunnen zitten, en zien ze voor het eerst dodo’s, oftewel ‘Walghvogels’, die boven het vuur maar niet gaar wilden worden en dus ‘half gaer gegeten’ worden.
Er zijn tekeningen van. Op een ervan luisteren de scheepsmaats aandachtig naar een prediker die ‘Sondaechs tweemael op dit Eylandt predicatie ghedaen’ heeft. Lourens moet ertussen gezeten hebben. Hij verstaat goed Nederlands, hij is immers van ‘goede begrijpe’. Mogelijk heeft hij dus ook begrepen dat hij daar zijn onvrijwillige toekomst in zijn nieuwe vaderland kon veiligstellen.
Op Mauritius, onder de palmbomen en tussen dodo’s en reuzenschildpadden, heeft op 27 september 1598, ‘Louwerens de Swart van ’teylandt Madagascar door sijn begeert de heilige doop ontfangen’. Niet alleen heeft hij nu een achternaam, ook nemen Jacob van Heemskerck en schipper Jan Cornelisz. hem ‘tot peten’.
Lourens zal het niet geweten hebben, maar opnieuw was hij onderwerp van een novum in de Nederlandse geschiedenis, het begin van een bedenkelijke eeuwenlange traditie. De twee ziekentroosters die op Mauritius predikten moesten zich daarover namelijk verantwoorden voor de Amsterdamse Kerkenraad. Met hulp van Mark Ponte is in de archieven terug te vinden wat daarover gezegd werd.
De geestelijken waren eigenlijk niet bevoegd tot dopen, zeker niet waar het heidenen betrof. Maar men streek met de hand over het hart. Omdat ziekentrooster Jacob Mattheus spoedig opnieuw naar Oost-Indië zou uitvaren gaf men hem de bevoegdheid om ‘mensen aldaar in duisternisse zittende in de ware Christelijke religie te onderrichten’. Zo werd Mattheus de eerste gereformeerde zendeling en Lourens de eerste Afrikaan aldaar bekeerd door een Nederlander.
Madagascar krijgt zelfs de mogelijkheid om vrij te worden. Althans, zo wordt het hem gepresenteerd. Als hij, varend op een ander schip, is aangekomen aan de noordpunt van het eiland waarnaar hij vernoemd is, mag hij van boord. Maar de ‘indiaan’ vertelt volgens verschillende beschrijvingen dat hij liever ‘gekleed aan boord blijft, dan naakt te gaan om zwaar werk te verzetten’.
Slechts één verslaglegger gaat dieper op de kwestie in en noteert dat ‘ons cnaep’ vertelt over de verschillende kleine koninkrijkjes op het eiland, die vaak vijandig tegenover elkaar staan. Zodanig ‘datter veel doot blyven, ja somwylen een hele contraye door in ruine geraect’. De vijandige plek waar Madagascar van boord mag gaan bevindt zich grofweg duizend kilometer ten noorden van zijn geboortedorp, er wonen mensen ‘wiens taal zij soms niet verstaan’.
Tegenover de doop en het peetvaderschap staat de onverschilligheid ten opzichte van de vreemdelingen. Meermaals worden Lourens en Madagascar door elkaar gehaald en men lijkt zich niet te kunnen herinneren waar ze de twee oorspronkelijk hebben geroofd. Ook Frederik de Houtman vergist zich wanneer hij in 1603 een woordenboek publiceert met Malagassische woorden die door een van de twee jongens moeten zijn vertaald. Hij schrijft dat hij die kennis van een ‘ingezetene van de Antongilbaai’ heeft, terwijl die aan de andere kant van het immense eiland ligt.
301 jaar na Lourens en Madagascar
De Tweede Schipvaart bracht enorme ladingen peper, kruidnagel en nootmuskaat terug naar de Republiek. De winst voor de aandeelhouders bedroeg 265 procent. De reis was een stuk beter verlopen dan de eerste expeditie. Het contact met de plaatselijke bevolking was ook vriendelijker, maar niet zonder vijandigheden.
Abdoel overleefde het niet. Het lijkt erop dat hij wel zijn thuis heeft teruggezien. Over hem schrijft een van de opvarenden dat hij slaaf was, maar vrijgemaakt door de Nederlanders. ‘Wij hebben zijn vrouw en kinderen in grote armoede gezien, wonend in een hut. Hij is met onze hulp vrijgemaakt.’
In Bantam heeft Abdoel opnieuw geholpen met vertalen, loodsen en zelfs onderhandelen over de prijs van de peper. Ook treffen ze daar een oude bekende, Antonio, die twee jaar eerder was ontvoerd. Hij bleek dus nog te leven, maar op goed moment moeten de Nederlanders constateren dat ‘onsen Abdol ende Antonie sijn doot gestecken’.
Het lijkt erop dat met de vloot van Van Neck, op 17 juli 1599 ingehaald met klokgelui en ‘groot geclanck van acht Trompetten’, ook Louwerens de Swart en zijn dorpsgenoot Madagascar terugkeren in de Republiek. De eerste twee Afrikanen die door Nederlanders tot slaaf werden gemaakt zijn dan ongeveer zestien en twintig jaar oud. Jongvolwassen kerels, geharde zeemannen inmiddels, met kennis die maar al te waardevol is voor de jonge republiek. Het is goed mogelijk dat ze kort daarna opnieuw uitvoeren en misschien wel hun eiland opnieuw passeerden.
In de zeventiende en achttiende eeuw kochten Nederlanders nog tienduizenden tot slaaf gemaakten op Madagaskar. De St. Augustijnbaai werd een populaire slavenhaven. De Malagassen kwamen vooral in Nederlands-Indië en Zuid-Afrika terecht. Op het eiland werd de slavernij pas in 1896 door de Fransen officieel afgeschaft, 301 jaar nadat Lourens en Madagascar daar tot slaaf werden gemaakt.
Het Slavernijmuseum en de VOC
‘Slavernij was vooral in de eerste decennia essentieel voor de VOC’, zegt schrijver en onderzoeker Reggie Baay. ‘Toen werd dat omvangrijke netwerk van fortificaties en handelsposten in Azië aangelegd. Daarna werd het economisch minder belangrijk, omdat er, anders dan in de West, geen sprake was van een grote plantagesamenleving.’ Toch hield de slavernij daarmee allerminst op te bestaan.
‘Slaafgemaakten werden ook een soort luxe-product, onderdeel van de huishouding. Daar is het cliché ontstaan dat het minder erg was, bijna een gemoedelijke djongos- en baboesfeer onder het huishoudelijk personeel. Maar qua behandeling was er geen verschil tussen Oost en West. Ook in Azië werden mensen beschouwd als bezit verhandeld, mishandeld en verminkt.’
De structurele Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij begon in Azië en daar was de praktijk omvangrijker dan in het Atlantisch gebied, maar dat verhaal krijgt weinig aandacht. ‘Dat er geen pressure group
is die aandacht vraag voor dat verleden, komt ook doordat weinig mensen in Nederland en Indonesië weten dat ze nazaten zijn van slaafgemaakten’, zegt Baay. De geschiedenis is weinig zichtbaar en wordt niet overgedragen.
In de plannen voor het Nationaal Slavernijmuseum in Amsterdam komt Azië nauwelijks voor. ‘De opdracht van de gemeente is geweest om de focus te leggen op het trans-Atlantisch slavernijverleden’, zegt Urwin Vyent van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee). Het rapport uit mei 2021 spreekt van een ‘Nationaal Trans-Atlantisch Slavernijmuseum’, maar in de algemene communicatie vanuit de gemeente Amsterdam, het rijk en andere organisaties wordt simpelweg over het Nationaal Slavernijmuseum gesproken.
‘Nazaten van slaafgemaakten uit Suriname en Caribisch Nederland vragen daar al decennia heel nadrukkelijk aandacht voor’, zegt Vyent. ‘Het museum zal dus ook gaan over de cultuur- en identiteitsvorming van die groepen. Natuurlijk was er slavernij in Zuidoost-Azië en die zal aan bod komen, maar voor die nazaten ligt de nadruk meer op herdenking van het recente koloniale verleden.’
Activiste Rochelle van Maanen herkent het. Ze heeft zich vanuit het Dekolonisatie Netwerk voormalig Nederlands-Indië ingezet om het Aziatische verhaal prominenter in het museum te krijgen. Maar tot haar teleurstelling was er weinig steun vanuit de eigen gemeenschap. ‘In plaats van te vechten om dezelfde plek zou de Indische gemeenschap deze meer moeten gaan dragen zodat we bewustwording krijgen. Zwarte mensen hebben al vanaf de jaren tachtig gestreden voor een museum. Laat het over hen gaan.’
Cultuurhistoricus Nancy Jouwe, die in een adviescommissie rond het museum zat, merkt ook het gebrek aan kennis bij nazaten in de Indische gemeenschap. ‘Dat hou je in stand als je het weglaat uit een nationaal museum. Ik snap dat de mensen die ervoor streden nu het idee hebben dat anderen makkelijk meeliften op hun strijd. Maar wat mij betreft moet de slavernijgeschiedenis van de VOC evenveel aandacht krijgen als die van de WIC. Tot nu toe is de retoriek, ook van de Amsterdamse wethouder Groot-Wassink, dat het trans-Atlantisch moet blijven.’
In een raadsinformatiebrief van 26 januari 2022 laat de gemeente Amsterdam weten ‘de trans-Atlantische slavernijgeschiedenis als vertrekpunt en kernverhaal van het museum te handhaven, en tegelijkertijd te bezien hoe vanaf de start het brede verhaal van het Nederlandse slavernijverleden verteld kan worden’.
Lees ook:
Met medewerking van Isa Pihlajamaa. Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het verhaal is deel van een tweeluik over de vroegste sporen van slavernij in Nederland. Deel II verschijnt volgende week in De Groene Amsterdammer. Voor het onderzoek werd veel literatuur gebruikt en verschillende historici verleenden hun medewerking.