Buitenland

Jongensboek

Een prins, een prinses en juichende mannen in ballenknijpers: de beelden uit Japan gingen dit weekend viral, net als een episch verhaal over armoede, overwinning en het verenigen van een natie. Plaats van handeling was Tokio, de gebeurtenis het WK rugby voor mannen, en het jongensboekverhaal ging over Zuid-Afrika. Nadat de Zuid-Afrikaanse Springboks de finale wonnen van Engeland, stroomden de verhalen de wereld over. Over dat Zuid-Afrika veel meer had om voor te spelen dan Engeland, dat de Boks liever wilden winnen, het meer verdienden. Over de bijzondere aanvoerder die vanuit diepe armoede in de sloppenwijken naar de top rees van een sport die decennialang de belichaming was van het apartheidsregime.

‘Op zulke dagen begrijpen we dat als we samen staan, de hemel onze limiet is’, zei aartsbisschop Tutu. Maar die verhalen en woorden beginnen een naargeestige echo te krijgen. Als sport echt zo’n helende en toekomstvormende werking had, zou dat niet keer op keer in Zuid-Afrika hoeven worden gezegd, in een periode waarin het land Brazilië inhaalde als land met de hoogste inkomensongelijkheid ter wereld en waarin de democratie de verwachtingen niet waarmaakt.

Een generatie geleden was er ook zo’n iconisch rugbymoment. In Johannesburg won Zuid-Afrika voor het eerst een WK, na decennialange uitsluiting omdat onder apartheid alleen witte Zuid-Afrikanen mochten meedoen aan rugbywedstrijden. Nelson Mandela trok het groene shirt aan en overhandigde de trofee aan aanvoerder Francois Pienaar, die vertelde dat de Boks de cup niet alleen hadden gewonnen voor de rugbyfans, maar voor alle 43 miljoen Zuid-Afrikanen. Het moment wordt gemythologiseerd tot het werkelijke einde van de apartheid, bijvoorbeeld in de film Invictus.

Zuid-Afrika moet weer over tot de orde van de dag

In 2010 was er weer een trots moment. Zuid-Afrika organiseerde een prima WK voetbal dat veel Zuid-Afrikanen trots maakte. ‘Er zijn talloze niet te kwantificeren winsten die zullen worden geïnd door toekomstige generaties’, zei de regering vooraf. Dat was mooi, want de kwantificeerbare winsten, een half miljard euro, werden door de criminele organisatie Fifa meegenomen naar Genève, terwijl Zuid-Afrika achterbleef met lege stadions en een rekening van ruim twee miljard euro. ‘Dit gaat niet om geld; het gaat om erkenning’, reageerde de Zuid-Afrikaanse minister van Sport in 2013. ‘Sport levert de grootste bijdrage aan natievorming en sociale cohesie.’

Door naar 2019. Nu is er het mooie verhaal van Siya Kolisi, de eerste zwarte aanvoerder van de Boks. ‘We hebben zoveel problemen in ons land’, zei hij na de wedstrijd, ‘maar met verschillende achtergronden, verschillende rassen, kwamen we samen met één doel.’ Ook de coach had indrukwekkende woorden: ‘We begonnen in de kleedkamer over stress te spreken. In Zuid-Afrika is stress geen baan hebben. Stress is als een van je nabije familieleden wordt vermoord.’ Maar rugby geeft hoop, zei hij, ‘ongeacht de verschillen is iedereen het tachtig minuten met elkaar eens’.

Na die tachtig minuten moet Zuid-Afrika helaas weer over tot de orde van de dag. Twee weken geleden nog kondigde de minister van Financiën zware bezuinigingen en een stijgende staatsschuld aan. Zijn collega van Sport oogstte woede met een plan voor rassenquota in sportteams. De werkloosheid is hoog, net als de criminaliteit, de corruptie en het geweld; de economische groei, het vertrouwen tussen bevolkingsgroepen en het niveau van diensten zijn laag. ‘De inspirerende boodschap (van Siya Kolisi’s leven) is dat excellentie en bloei mogelijk zijn voor iedereen, ongeacht de omstandigheden bij geboorte. En dat is een verleidelijke leugen’, schreef een Zuid-Afrikaanse columnist. Een ander schreef dat Zuid-Afrika ‘zo verdeeld en cynisch’ is dat elke verlichting alleen tijdelijk kan zijn.

Het zure is dat dit allemaal al uitgeplozen is. Dat een sportoverwinning of een succesvol toernooi positieve langetermijneffecten heeft op een land is een idee dat al even verleidelijk is als het verhaal ‘van de sloppenwijk naar de top’. Die effecten bestaan niet, rekenden economen al uit sinds Montreal failliet ging aan zijn Olympische Spelen van 1976, terwijl grote sportevenementen al een hele reeks steden en landen opzadelden met decennia aan schulden en nul groei in werkgelegenheid. Sport levert prachtige verhalen, maar die kunnen zelfs liegen als ze waar zijn. En hoe mooi ook, ze kunnen nooit op tegen eerlijk bestuur. Een saaie waarheid.