Jongensdromen

Hij koos voor het artiestenbestaan in een tijd dat het nog geen respectabele keus was. Hij was openlijk homo toen dat nog als een afwijking gold. En tijdens de oorlog speelde hij door. Wim Ibo heeft niet altijd de makkelijkste keuzen gemaakt en ook niet steeds de beste. Maar hij is een gelukkig mens: ‘Non, je ne regrette rien.’
HIJ LARDEERT ZIJN teksten met krachttermen. ‘En als ik nou godverdomme zeg dat…’ En dan komt er weer een afgemeten claus die zo in de uitzending zou kunnen. Hij lacht vaak en luid. Jets te veel om spontaan te zijn. Maar neem het hem eens kwalijk. jarenlang heeft hij als cabaretier op de bühne gestaan. Hij heeft een beetje last van beroepsdeformatie. ,

Johan Willem Ibo is twee weken geleden 77 geworden. Hij heeft een hartinfarct achter de rug, hij staat een tikje voorovergebogen, zijn gehoor is niet meer helemaal perfect. Maar vele keren deze middag zal hij roepen dat hij een geluksvogel was en is. Voor we gaan praten, moet ik via de slaapkamer mee naar het balkon. De Muiderstraat. Hij zegt: ‘Lou. vind je dit nu niet krankzinnig? (Lou, geen Louis. Hij heeft iets met voornamen, gebruikt ze veelvuldig.) Dit is op de centimeter af, precies boven de plek waar we elkaar voor het eerst ontmoetten, 1937. Weet je nog?’
Ja, natuurlijk. De enige kantoorbediende van Technisch Handelsbureau E. Zanten - ik kon bij de naaimachinefirma Lewenstein twintig procent meer salaris krijgen. Dertig gulden per maand in plaats van 25. Wim Ibo, vers van de Handelsschool en gestuurd door het Arbeidsbureau, zou me gaan opvolgen en moest derhalve worden ingewerkt. We raakten bevriend. En Wim raaskalde over een carrière in het cabaret. Hij maakte daartoe reeds gedichten, neuriede er een melodietje bij, kon dat melodietje niet opschrijven, want hij kon en kan nog steeds geen noot lezen. Hij luisterde beleefd naar mijn fantasieën over journalistiek.
Ibo: 'Jongensdromen. Maar is het verdomme nou niet geweldig dat ze zijn uitgekomen! Kom jij mij hier interviewen, op deze plek, dat is gek, Lou.’ Even later, in de klassiek gemeubileerde woonkamer, somt hij nog eens de factoren op die zijn geluk hebben bepaald. De hulp die hij had van zijn ouders. ,Geweldige mensen. Ze hebben me gesteund toen ik zei dat ik artiest wilde worden. Als ik ergens moest optreden in die beginperiode, dan gingen mijn ouders en ook mijn broer en zus meestal mee om te helpen. Toen ik mijn ouders vertelde dat ik homoseksueel was, hebben ze dat zonder morren aanvaard. Wat homoseksualiteit precies betekende wist ik toen niet, ik was zo groen als gras. Mijn vader had een boek in zijn bibliotheekje over seks en zo en daar las ik in dat homoseksualiteit een ernstige afwijking was en dat je er mee moest leren leven. Ja, Lou! ’.
Hij verklaart voorts uitermate gelukkig te zijn in de liefde. Met de Amerikaan Jim Dunlap woont hij nu al dertig jaar in deze flat. 'Verdomme, ik ben toch een geluksvogel. Andere mensen gaan met tegenzin naar hun werk. En ik heb zo'n halve eeuw mijn hobby mogen uitleven.’
Als uitvoerend kleinkunstenaar is zijn faam enigszins beperkt gebleven. Hij dankt zijn bekendheid vooral aan zijn werk als producer en regisseur, als de schepper van de onvergetelijke radioserie De familie Doorsnee, waar meer dan half Nederland voor thuis bleef. En verder aan een zondagmorgenprogramma als Triange (Vara), aan Artistencafé en aan baanbrekende televisieseries als Pension Hommeles. Maar zijn magnum opus is zijn 'cabaretbijbel’, in de tweede versie (1981) bijna vijf honderd bladzijden. De geschiedenis van het Nederlands cabaret onder de fraaie titel En nu de moraal…, opgesplitst in twee delen, 1895-1936 en 1936-1981, onder de bijnamen Nieuwe testament’ en 'Oude testament’. Een (populair-)wetenschappelijk neuvre, al onmiddellijk na verschijning een klassieker. Ibo daarover: 'Annie Schmidt had gelijk toen ze me waarschuwde: “Wim, hierna zal je een autoriteit in het cabaret zijn ” Nu ja.’

  1. HET NEDERLANDSE cabaret betaat dus honderd jaar. Het is de afgelopen weken links en rechts gevierd, het vieren zal nog weken doorgaan. Ibo zucht: 'Ja. En dan halen ze je natuurlijk weer voor één keer uit de ijskast. Leuk, maar af en toe iets te veel. En dan is er zo'n knul bij de NPS-radio en die zegt dat ik op Heintje Davids lijk. Doorgaan met afscheid nemen. Wel verdomme. Daar geef ik mijn tijd aan zo'n knul, hij vraagt om een interview en dan mij vergelijken met Heintje Davids!’ Hij barst los over de roddeljournalistiek en etaleert daarbij een professioneel onder controle gehouden boosheid. 'Er zijn natuurlijk de goede uitzonderingen in deze sector van het vak, maar wat moet ik nou met een mens dat me vraagt hoe Wim Sonneveld in bed was. En dan zijn er de lieden die hebben gemeld dat ik een rijk man ben. Maar ik leef van de AOW en van een spaarcentje. Zo burgerlijk ben ik opgevoed, ik heb altijd gespaard, als het kon. En ik heb dit huis ooit gekocht, lang geleden, voor dertigduizend gulden. Wat het nu waard is? Geen idee, interesseert me ook niet. Ik kan met Jim rondkomen. We kunnen ons af en toe een reis permitteren. Jim heeft een auto, ik kan niet eens autorijden. Simon Carmiggelt en ik waren de enige Nederlanders zonder auto.’ Zijn voor een gepensioneerde docent in de cabaretgeschiedenis de dagen toch niet wat lang en saai? Het blijkt een domme gedachte. De telefoon gaat met gepaste regelmaat. Ibo: 'Ik doe nog wat ik kan doen. Een lezing hier of daar. Iets uitzoeken voor mensen die me opbellen. Was er laatst een mevrouw die me vroeg wie het liedje 'Als moeder jarig is’ had gezongen. Toen ik haar kon vertellen dat het Sophie Stein was, riep ze dat ze de weddenschap gewonnen had want het kwam immers uit de tv-serie Ja moeder, nee moeder. Ik heb het maar zo gelaten.’ (Ja zuster, nee zuster was een schepping van Annie M. G. Schmidt.) Hij haalt Kan, volgens hem Nederlands grootste cabaretier, ook voor zijn voetlicht om wat naar zijn mening hèt Nederlandse probleem is, te etaleren: de middelmatigheid in de jaren negentig. Hij declameert: Wij zingen het lied van deze tijd Het lied der middelmatigheid Dat middelmatig liedje Van Jantje en Marietje Maar Jantje en Marietje zijn Dictators over stijlen lijn Orkesten spelen liedjes En schlagermelodietjes Van onze middelmatigheid Bazars verkopen prulligheid Voor onze onbenulligheid In vele landen zelfs Regeert de middelmatigheid De massaman wordt koning dan De enkeling wordt drenkeling Want onze middelmatigheid Komt steeds meer in de meerderheid.’ Hij kijkt op: 'Lou, hoe vind je dat? En weet (schaterende lach), hij schreef dit in 1939.’ Maar als hij nog leefde, Wim Kan, zou hij dan net als Youp van ’t Hek volle zalen trekken? Er valt een ongewone stilte. Dan zegt Ibo: 'Ouwe lullen, zoals jij en ik, die zouden nog naar hem toe gaan.’ Het is een claus die loodzwaar is van nostalgie. Hij schijnt er zelf van te schrikken. 'Je moet niet denken dat ik me wentel in nostalgie. Ook het cabaret kent zijn bergen en dalen. En het is onwezenlijk te denken dat een klein land als Nederland in elke generatie mannen kan leveren als Wim Kan of Wim Sonneveld. Of Simon Carmiggelt. Het is ook niet zo dat na de oorlog het cabaret vijftig jaar dood is geweest. De jaren zestig waren enorm, veel ensemble-werk. Dat is wat ik op het ogenblik volkomen mis. We leven in het tijdperk van de avondvullende monologen. Meer variété dan cabaret. De Scheveningse cabaretprijs hebben ze toegekend aan Mini en Maxi, godbeterhet. Daarover schreef Henk van Gelder: “Waarom noemen jullie het niet gewoon de amusementsprijs, dan ben je van alles af.” Wat is cabaret precies? Ibo kan nauwelijks zijn sarcastisch medelijden om deze vraag verbergen. Dan volgt een lange reeks definities, toegeschreven aan diverse cabaretiers. Zoals: 'Cabaret heeft tot taak alles te signaleren wat in een samenleving aan de gang is ’ (Eric Herfst). Of: 'De doorsnee cabaretier is te veel wijsneus en te weinig feestneus ’ (Toon Hermans). Of: ,Cabaret staat in een boek dat voor mij niet in de handel is’ (Wim Kan). Ze staan allemaal in zijn bijbel. Speciaal voor mij formuleert hij nog eens een van zijn eigen negatieve omschrijvingen: 'Cabaret is niet iets wat je in een grote zaal kunt doen, in Carré bijvoorbeeld.’ Hetgeen weer leidt tot een ontboezeming over Youp, een ontboezeming die hij in vrijwel elk recent interview de wereld niet heeft willen onthouden: 'Hoe kan je spreken over cabaret als de meeste mensen in een theater als Carré niet eens de smoel van de man op het toneel kunnen zien, zijn gelaatsuitdrukking?’ HIJ WIL ME OOK nog wel een positieve eigen definitie meegeven over aard en wezen van cabaret. Hij heeft de tekst bij de hand van een lezing die hij zal houden voor een select universitair gezelschap in de Agnietenkapel: 'Professionele, literair-muzikale theater-amusementskunst waarvan de realistische en/of romantische inhoud het best tot zijn recht komt in een intieme omgeving voor een intelligent publiek. ’ Je kunt een hele week bij Ibo bivakkeren en doordrenkt worden met feiten, cijfers, anekdoten en de rest over niet alleen het Nederlandse, maar ook over het Duitse en Franse cabaret. De manier waarop hij over Le Chat Noir, Montmartre en Aristide Bruant praat, laat er geen twijfel over bestaan dat hij er de rest van zijn aardse leven voor over zou hebben een paar dagen in dat voorbije verleden te mogen vertoeven. -Zo'n Bruant! Dan riep hij tegen een Rus die zo half dronken binnen kwam: ’ 'Hé ouwe rotkozak, kom jij ook weer eens kijken? ’ ’ Heerlijk vind ik dat ! ’ Paul de Leeuw, is dat cabaret? `Ja, in principe wel. Hij choqueert, zoals Bruant choqueerde. Die schold zijn publiek uit voor cochons; varkens. Maar bij Paul is het wel van dik hout zaag je planken. Hij heeft ongetwijfeld talent, maar er moet met dat talent nog van alles gebeuren. Zoals hij nu werkt, spreekt het me niet aan. Je weet misschien dat ik volgens Paul de Leeuw intellectuele prietpraat verkondig…’ Er is een klein beetje causale stuurmanskunst voor nodig Wim los te weken van wat kennlijk nog steeds zijn leven bijna volledig vult. ('Leuk hoor, ik ben een nationale cabaret- en tekstvraagbaak geworden. Of ik het voor geld doe? Ben je nou gek? Alles uit liefde..) Hoe is het nou om als homoseksuele bekende Nederlander door het leven te gaan? ’ Ach ja. Lou. lk ben blij met dit Nederland. Als ik zie wat elders gebeurt, in Engeland, in de Verenigde Staten, dan is het hier een paradijs. Maar toch.’ Het is lang geleden, maar vergeten kan hij enkele traumatische incidenten niet. Eerst Jan Broeksz en de Vara-radio en televisie. Hèt moment voor Ibo om als een ziedende vulkaan zijn walging uit te storten over het omroepbestel. Hij heeft Wim Kan er weer bij nodig - in zijn bijbel komt die op 76 bladzijden van de 488 aan de orde. 'Wim Kan heeft gezegd: “Wij zijn geen volk van de revolutie. ” Maar er zou toch een opstand moeten komen van alle mensen die kijk- en luistergeld betalen. Weg met dit verdomde. verkeerde, fossiele systeem, infantiel als de pest. Ik zie met groot leedvermaak hoe ze bezig zijn hun eigen graf te graven. Mijn eerste vriend, dat was Larry Taylor, een Canadese bevrijder die in Nederland was blijven hangen. Ik ontdekte hem bij Wim Sonneveld. Een mooie zangstem. Ik had toen mijn Triangel-programma bij de Vara en ik vroeg Larry om de Engelstalige liedjes voor zijn rekening te nemen. Dat ging een tijdje goed. Totdat ik bij Jan Broeksz werd geroepen, de omroepsecretaris. Die Taylor, zei Broeksz, die moet er uit. Ik vroeg toen trillend wat mijn positie was. Lou, ik heb geen getuigen, maar ik weet dat jij me gelooft. Broeksz antwoordde letterlijk, ik kan het nog steeds woord voor woord herhalen: “Meneer Ibo, de Vara is een ruimdenkende omroep. Maar de Vara kan na- tuurlijk geen toevluchtsoord worden voor joden en homoseksuelen. ” ’ De Ibo-boycot kwam over hem in 1960. Hij noemt het zijn 'rampjaar’. Het ging om het Piaff-chanson Milord. Dat was, vond de Vara, literatuur van de goot. De ruzie leidde se omroep, die bijna een jaar duurde en die pas eindigde toen de VPRO uit het kartel losbrak. Ibo: ,In dat jaar heb ik het financieel wel eens moeilijk gehad.’ Ze hebben je een keer in elkaar geslagen. Ze dachten dat je homo was. Ibo, met een ontroerende eerlijkheid die - het blijkt uit het hele gesprek - een overheersende rol speelt in zijn karakter: 'Lou, ze dachten het niet, ze zágen het. Het was in de Kalverstraat. Ik kwam daar een oude vriend tegen en bij het afscheid omhelsden we elkaar even. Niets abnormaals, niets klefferigs of zo. Een normaal dag zeggen. Ze zijn kennelijk achter me aan gekomen, want aan de Amstel namen ze me te pakken en sloegen ze me in elkaar. Dat me dit moest gebeuren, in mijn eigen Amsterdam. Achteraf denk ik: er was nog een groot geluk bij. Het waren geen Surinamers die het deden of zo. Het waren echte oer-Hollandse jongens van Jan de Wit.’ De vrolijke Wim Ibo is even zoek. Hij heeft dit verhaal vaker aan journalisten verteld. Maar telkens weer kan hij de echte tristesse niet onderdrukken. Veel joden hebben van de holocaust iets overgehouden: ze duiken niet onder, maar wel weg. Ze proberen zo min mogelijk op te vallen. Bang dat de mensen weer 'vuile jood’ of 'Jude ’ zullen roepen, of 'hebben ze vergeten je te vergassen? ’ Heb jij als homo ook niet zoiets? Weer die stilte, iets pregnanter nog. Dan duikt hij met zijn hoofd in zijn twee handen. Even denk je dat hij huilt. Maar als dat zo is heeft hij snel zijn tranen onder bedwang. 'Verdomme, je hebt gelijk. je hebt verdomme gelijk. Als ik in een openbare gelegenheid, een café of zo, afscheid moet nemen van een goeie vriend, dan omhels ik hem soms niet meer. Dat is zo. Verdomme. Dat heb je uit me gekregen…’ MET ENIGE SCHROOM roer ik een ander brokje trauma aan: de bezetting. Je hebt in de oorlog doorgewerkt, tot de laatste dag. 'Er komt een heel televisieprogramma over op 10 mei. Guus van Waveren heeft iedereen geïnterviewd die er nog iets over kon vertellen. Amusement tijdens de bezetting. Het was domweg een kwestie van overleven. Net zoals de mensen die naar ons kwamen kijken wilden overleven. Stel je voor, ze zaten in een donkere, bijna onverlichte- niet verwarmde zaal, met winterjassen aan en dassen om. En elke voorstelling was uitverkocht. Wat wil je? Het meest schrijnende voorbeeld vond je godverdomme in Westerbork waar joodse artiesten zich bezig hielden met amusementsprogramma’s! Dat kun je moeilijk met elkaar vergelijken. 'Nee, natuurlijk niet. Maar het zegt toch wel iets van die drang van mensen om te willen overleven! Luister. Alle Nederlanders hadden een persoonsbewijs nodig, alle Nederlanders hadden een stamkaart nodig, alle ambtenaren moesten een Ariërverklaring ondertekenen en alle artiesten moesten zich melden bij de kultuurkamer. Je was geen lid, alleen NSB'ers en zo, die werden lid. Als je je meldde, kreeg je een klein kaartje en dat moest je dan laten zien als ze kwamen controleren. Maar ik geef toe… terwijl miljoenen mensen werden vermoord, maar dat wisten we niet, deden wij aan amusement. Jim en ik zijn twee keer Schindler’s List gaan zien, om er achter te komen hoe het was. Verschrikkelijk, Lou…’ Hij bedekt weer zijn gezicht met zijn handen. 'Ik heb het niet alleen over mezelf. Ik spreek namens alle amusementskunstenaars. Achteraf bezien natuurlijk. De vraag: had je het wel moeten doen, dat is achteraf. Jk vind het heel erg goed dat koningin Beatrix het duidelijk en moedig heeft gezegd in Israel. Een meerderheid van de Nederlanders was bezig met overleven. Een minderheid zat in het verzet, zo was het. Het is goed dat het eens duidelijk is gezegd.’ Het brengt hem op die andere koningin: 'Wilhelmina stuurde Adolf Hitler op zijn verjaardag godverdomme een gelukstelegram! ’ Op een muurtje in de tochtsluis van zijn flat staat een moeilijk te schatten hoeveelheid handtekeningen van nationale en internationale beroemdheden. Lucienne Boyer is er ook bij. Ze zijn allemaal hier bij hem thuis geweest. Een rijkgevuld kleinkunstleven, dat van Wim Ibo. Van Muiderstraat tot Muiderstraat. Is er eigenlijk iets dat je anders had gewild, anders had moeten doen? Het antwoord zou versleten klinken als het kwam uit de mond van een leek. Bij Wim Ibo lijkt het echt uit zijn artiestenziel te komen: 'Non, rien de rien, non, je ne regrette rien. ’