Jongensslipjes als handreiking aan mijn schoonmoeder

Ik was jong en onschuldig, wat homo’s waren wist ik niet of nauwelijks en dat de stad mijner geboorte, Amsterdam, veertig jaar later tot ‘s(werelds gay city zou promoveren kon geen mens vermoeden.

Mijn brood verdiende ik in het vergelegen Leeuwarden, waar ik als kersverse verslaggever van Het Vrije Volk op socialistische wijze de lokale schoorsteenbranden versloeg. Mijn vrije tijd verdroomde ik in het café, boven een glas en een boek, want reeds toen was ik een kleine slaaf van poëzie en taal. De indruk die de pas verschenen zendbrieven van Gerard Kornelis van het Reve op mij maakten was regelrecht verpletterend. Ik ervoer de beide bundels, Op weg naar het einde en Nader tot u als superieur geschreven grappenmakerij, geschreven op een basis van diepe ernst, met een apodictische manier van formuleren die ik tot dusverre nog bij geen andere schrijver had aangetroffen. Lees hoe hij Henry Miller de oren waste: ‘Hoe iemand ooit de geschriften van deze zwetsende zelfverheerlijker ernstig heeft kunnen nemen is mij een raadsel, gezien de vervelende opendeurintrapperij en het losgeslagen kleinburgerdom die er de grondslag van vormen, alles vermengd met theosofie uit West-Friesland van 1910, en dan nog onverteerbaar slecht geschreven; zou ik het overjarig vitalisme van deze oude bosneuker willen omschrijven, die in zijn kruistocht tegen de bekrompenheid zelve de vleesgeworden bekrompenheid is.’ Tussen de bedrijven door bedreef Van het Reve de 'herenliefde’, waarin met veel wellust en weemoed aan jongensslipjes werd gesnoven in een wereld die de mijne niet was en nooit zal worden, maar die mij wel de ogen opende voor het feit dat er blijkbaar ook nog een andere wijze is waarop men iemand lief kan hebben. Ik liep met mijn nieuwe literaire vondst naar mijn collega’s op onze zesmansredactie waarvan iedereen, door mijn geestdrift aangestoken, driftig aan het lezen sloeg, behalve de wat oubollige provincieredacteur, want die las alleen maar de jaarverslagen van de gemeente Utingeradeel. TANTE BOUKJE Met mijn aanstaande schoonmoeder, die in haar warhoofderij elke avond de soep liet aanbranden, had ik een gespannen verhouding. Zij was gepokt en gemazeld in de diepste provincie waar zij een leven lang met overluide stem de kindertjes het ABC had bijgebracht. Op mijn beurt was ik in haar ogen een geïmporteerde, aan de drank en waarschijnlijk ook aan de drugs verslaafde zonderling, opgegroeid in een stad waarin bedreigende elementen als negers en joden woonden. Niettemin kocht ik voor haar, na mijn laatste socialistische centjes te hebben bijeengeschraapt, die beide Van het Reve-bundels. Het was een naïeve poging tot handreiking, een hulpeloze vorm van messianisme, in de hoop de vrouw met wie ik een half mensenleven lang te maken zou krijgen ervan te overtuigen dat joden, negers en homoseksuelen óók mensen zijn. In de daarop volgende weken vroeg ik af en toe of het geschrevene (fl. 5,90 per gebrocheerd exemplaar) haar was bevallen. Het antwoord was ontwijkend. Er moest nog een kleedje voor de buurvrouw worden gestikt en bovendien was tante Boukje over een paar dagen jarig. Zij, mijn aanstaande schoonmoeder, was geen kwaaie vrouw, betoogde mijn aanstaande echtgenote. Dat zou er nog bij moe ten komen ook, antwoordde ik, vermoeid door de schoonmoederlijke verwijten als dat mens op haar inspectietochten een half geledigd glas jenever op het nachtkastje had aangetroffen. NAAR IJSLAND Even later vertrokken wij, haar dochter en ik, pasgetrouwd naar Amsterdam, op tweeëneenhalf uur sporen van Leeuwarden gelegen. Dat was helaas geen bezwaar. Mijn schoonmoeder stond met een tas vol nuttige geschenken op de stoep en onderwierp onmiddellijk de gordijnen aan een reinheidsinspectie. Bij dit soort gelegenheden was ik nét om journalistieke redenen naar IJsland vertrokken. Even later verhuisde zij tot mijn schrik naar Den Haag, een gemeente die op slechts drie kwartier afstand van ’s(lands hoofdstad lag. Gelukkig had ik mij inmiddels ontwikkeld tot een specialist in zaken het Oostblok betreffende, zodat ik zelden thuis werd aangetroffen. 'Woont die man hier eigenlijk wel?’ vroeg mijn schoonmoeder argwanend. Een enkele keer was zij met de slechtste wil ter wereld niet uit de weg te gaan. Op Sinterklaas bijvoorbeeld, dieptepunten in het bestaan, avonden waarop zij de gunst van haar kind en kleinkinderen probeerde te kopen door een krankzinnige overdaad aan cadeautjes, waaraan altijd per ongeluk het prijsje was blijven steken. ’s(Anderendaags moesten wij in ruil voor haar goedgeefsheid een autotochtje met haar maken. 'Bukken, Beppe, een Surinamer!’ sprak ik wraakzuchtig bij het stoplicht. RECHT VAN RUG Inderdaad, het was geen kwaaie vrouw. Het was alleen geen twintig minuten met haar uit te houden. De dood van haar dochter, haar enig kind, was ook voor haar een tragedie, die ons verzoende. Veertien dagen lang, toen zij op haar beurt overleed. Met mijn twee zonen ging ik naar haar Haagse flatje om te kijken of er nog wat te erven viel. 'Wilt u de gestorvene nog even zien?’ vroeg de mevrouw die met onze nazorg was belast. Mijn jongste zoon vertolkte resoluut het familiestandpunt: 'Nou, nee.’ De woning was, zoals in al die bejaardengetto’s, drie vierkante meter in omvang. Niettemin zetten wij 48 bloemenvazen bij het oud vuil. De boekenkast was typisch die van een oudere dame uit de provincie. Veel Godfried Bomans en populair-wetenschappelijke studiën over de waterbouwkundige werken in het oude Assyrië. En natuurlijk, omdat zij ook anderszins niets weg kon gooien, hoe graag zij ook had gewild, die twee bundels zendbrieven van Gerard Kornelis van het Reve, recht van rug, maagdelijk, ongeschonden en ongelezen.