Commentaar

Jongeren als breekijzer

JONGEREN VERDIENEN te weinig, oudere werknemers te veel in verhouding tot hun arbeidsproductiviteit. Tel daar hun vele vakantie- en verlofdagen bij op, aldus minister Donner (CDA, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) deze week in een notitie, en het is duidelijk dat de grijzende generatie zichzelf uit de markt prijst. De minister sluit zich aan bij de economen die al langer pleiten voor ‘demotie’ van oudere werknemers, loonverlaging dus. Het ophogen van de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 jaar maakt dat meer dan ooit nodig. Zonder loonverlaging zouden straks de goedverdienende doorwerkers ‘gesubsidieerd’ worden door productievere, jonge werknemers.
Daarmee neemt het debat over de AOW een opvallende wending. Eerst moest Nederland langer doorwerken vanwege de vergrijzing en de daarmee gepaard gaande schreeuwende personeelstekorten. Dat blijkt mee te vallen. Sterker nog, er is voorlopig onvoldoende vraag naar doorwerkende werknemers. Maar in plaats van dat de maatregel wordt teruggedraaid, geldt het pensioen met 67 jaar nu ineens als argument voor bescheidener looneisen. Toch zit er iets in het voorstel van Donner. Welke jonge uitzendkracht kent ze niet: de met hun bureaustoel vergroeide dinosaurussen die drie keer meer verdienen door drie keer minder werk te verzetten?
Er is een andere reden om Donners pleidooi te wantrouwen. Het is niet voor het eerst dat jongeren worden ingezet als breekijzer voor hervormingen. De verkorting van de WW-duur, de (voorzichtige) versoepeling van het ontslagrecht, het pensioen vanaf 67 jaar: telkens voeren politici en economen de minder geprivilegieerde jonge werknemer op als argument voor sociaal-economische versoberingen. Uit solidariteit met hen moet iedereen een beetje meer outsider worden op de arbeidsmarkt.
Dat is verdacht. De politiek bekommert zich doorgaans niet om jongeren, tenzij ze crimineel, lui of egoïstisch zijn en ouderen overlast bezorgen. Logisch: jongere kiezers doen er door de vergrijzing nauwelijks meer toe in electoraal opzicht. En ook als voetvolk om folders en ballonnen uit te delen hebben de partijen hen in een mediademocratie steeds minder nodig.
Het sociaal-economische jongerenargument is dan ook instrumenteel. Er is voor jonge werknemers de afgelopen jaren niets verbeterd. Integendeel: de politiek heeft het recht op bijstand voor burgers onder de 27 jaar afgeschaft. Jongeren moeten tot hun 67ste doorwerken. Misschien wel tot hun 69ste, als er tegen die tijd nog iets van een collectief pensioen is, wat velen niet geloven. En uitgerekend minister Donner heeft deze zomer het flexwerken uitgebreid. Werkgevers mogen jongeren niet drie, maar vier keer achter elkaar een tijdelijk contract aanbieden. Ook deze maatregel werd gepresenteerd als in het belang van jongeren. De iets ouderen onder hen weten wel beter. Een huis kopen is onmogelijk zonder vast contract. Jarenlang flexwerk betekent chronische onzekerheid en dwarsboomt iedere levensplanning. De arbeidsmarkt voor jongeren lijkt zo steeds meer op een weinig glamoureuze versie van Idols of Hollands Next Top Model. Carrière als een aaneenschakeling van castings, sollicitaties en targets, met elke week opnieuw het gevaar weggestuurd te worden.
Het gevolg van alle hervormingen in naam van de jonge werknemer is niet dat deze het beter krijgt. Het pleidooi van Donner voor lagere lonen voor ouderen zal niet leiden tot meer salaris voor jongeren. Het resultaat van de generatiestrijd is hoogstens dat ook de rest van de werkvloer het slechter krijgt. De jongere generatie is gek dat ze zich daarvoor leent.