Jongetje

Mijn moeder was een jongetje, vroeger. Ze zag er weliswaar uit als een moeder, maar mijn broers en ik wisten wel beter. Zodra ze ergens een goede boom tegenkwam, klom ze erin. Sneeuwbalgevechten werden consequent door haar gewonnen en als we frietjes aten, was zij de eerste die er twee in haar neus stak. Mijn moeder was de enige van ons die het hele alfabet kon boeren en van een stukje gras wist ze in een seconde een volmaakt fluitje te maken. In onze straat was ze beroemd. Op zomeravonden kwamen er dikwijls kinderen aan de deur die vroegen: ‘Komt je moeder voetballen?’ Dan liet ze de afwas aan ons over en ging naar buiten. Ik herinner me dat ik ooit een wandeling met haar maakte toen zij ineens bij een voordeur stopte, op de bel drukte en wegholde. Ze verstopte zich in het plantsoen, achter de struiken. Er deed een oude mevrouw met krulspelden open die mij achterdochtig aankeek, aangezien ik domweg was blijven staan. ‘Ja?’ zei ze. ‘Eh’, zei ik, met een heel rood hoofd. ‘Weet u misschien hoe laat het is?’ Vanuit het plantsoen klonk toen, heel goed hoorbaar, de schaterlach van mijn moeder. ‘Ga iemand anders in de maling nemen’, zei de oude mevrouw, en smeet de deur dicht.

Pas toen mijn broers en ik het huis uit waren veranderde mijn moeder in een ogenschijnlijk normale, volwassen vrouw. Het leek alsof ze samen met ons was opgegroeid. Toen ik zelf moeder werd, kocht ze sokjes, zong ze liedjes en wiegde mijn zoon rustig in haar armen, alsof ze nooit anders gedaan had. Als ik haar zo zag, kon ik me bijna niet voorstellen dat ze ons ooit met een indianentooi op haar hoofd van school was komen halen. Toch is het jongetje dat mijn moeder was niet helemaal verdwenen. Laatst kreeg ik de groepsfoto’s van haar personeelsuitje onder ogen en herkende haar direct tussen een dertigtal mij onbekende collega’s. Ze stond helemaal achteraan en hield twee vingers omhoog, achter het hoofd van haar baas. Ze keek er heel volwassen bij.