Jongetjesjutten

Walvisbotten, schoenen, kunstgebitten. Kees ‘t Hart stroopt het strand van Egmond af naar de geschenken van de zee en vindt er zijn jeugd.

DONDERDAGAVOND 8 JULI. Op Internet zoek ik onder ‘strandjutten’, ik wil niet onbeslagen ten ijs komen. Lycos geeft geen vermeldingen, Jeeves weet het ook niet. Dan tik ik beachcombing in. Raak. Michael J.(Banfield en Michael Noonan schreven een boek over strandjutten: The Gentle Art of Beachcombing. Ik neem me voor het ooit te lezen. Ontroerend mooi is de Worldwide Flotsam Checklist for Beachcombers (http://www.beachcombers.org/flotsam.htm). Hierop vraagt dr.(Curtis C. Ebbesmeyer, 63606 21st Ave. Seattle WA USA 98115 alles wat je op het strand vindt op een bijgevoegde checklist in te vullen en naar hem op te sturen. Je moet de gevonden voorwerpen beschrijven, wegen en fotograferen. Toegevoegd een lijst van drie pagina’s met mogelijke vondsten; hij laat niets aan het toeval over. Je treft op zijn lijst alle denkbare juttersgoederen aan: delen van in zee gestorte satellieten, botten van walvissen, vogels en mensen, flessen met boodschappen erin, schoenen, speelgoed, kano’s, reddingvesten, dooie vogels, kokosnoten, Lego-stukjes (het staat er echt), visnetten, mijnen, torpedo’s, vliegtuigvleugels, schoenen, dolfijnen, kunstgebitten, verlaten jachten, sandalen, tassen, juwelen, neonlampen, tampons, hout, balen ruwe tabak. Ik heb visioenen van vrachtwagens waarop ik een reusachtige buit laad. Mijn vrouw deelt alles op het strand systema tisch in: flessen bij flessen, kunstgebitten bij kunstgebitten, kokosnoten bij kokosnoten, de plaatselijke bevolking heeft het nakijken, de heer Ebbesmeyer stuurt me een bedankbrief. Ik ga naar zee en ben nu alweer jongen. Later op de avond discussiëren we in het café over de juiste tijd van strandjutten. Als het water op z'n hoogst is, beweer ik. Met vloed komt alles mee en dan kun je alles zo langs de vloedlijn oprapen. Bij laagwater natuurlijk, zegt mijn vrouw, dan blijft alles op het strand achter. Ze weet het zeker omdat ze in Kijkduin heeft gewoond. Onze cafévrienden weten het niet zeker; je kunt het beste naar Terschelling gaan, beweren ze, daar spoelt het meeste aan. Iemand vertelt dat hij een vriend had die daar eens een kist met sigaren op het strand vond, een ander beweert dat je op Terschelling officiële jutters hebt; anderen mogen niet eens jutten. Maar we gaan niet naar Terschelling, we gaan naar Egmond aan Zee. Ik ga in Egmond strandjutten. Ik ga niet alleen strandjutten, besef ik, maar ook mijn eigen jeugd, ik ga jongetjesjutten. Toen ik een jaar of acht was heb ik een herfst en een winter in Egmond gewoond, in Hotel Bellevue aan de boulevard. We waren 'gerepatrieerd’ zoals dat toen heette. Mijn vader zat in het leger, we kwamen uit Curaçao en werden tijdelijk in Egmond ondergebracht. Bellevue bestaat nog, ik heb er voor twee nachten een kamer gereserveerd. Ik raak in een opgewonden zeestemming die niet meer overgaat. VRIJDAG 9 JULI. We kiezen een binnendoorroute, vanaf de Afsluitdijk direct langs de kust, via St.(Maartensdijk, Petten, Schoorl, dan midden door Bergen, de weg op naar Egmond aan Zee. Ik beweer dat ik hier vaak met mijn ouders gefietst heb, dat ik de weg herken, maar onwaarschijnlijk is het wel. Gingen we in november fietsen in de omgeving van Egmond? Terwijl de stormen langs het strand joegen? Of was het in april heel mooi weer en waren we toen nog in Egmond? Ik weet Hotel Bellevue gemakkelijk te vinden. We zijn de afgelopen jaren nog wel eens in Egmond geweest, even het strand op met de hond, meestal niet in de zomer, en daarna weer weg. Maar zo lang als we nu gaan, ben ik er niet meer geweest. We boeken in, er is niets wat ik me van vroeger herinner. Hotel Bellevue is al jaren compleet verbouwd. Het is uitgebreid: achter de merkwaardig strakke façade liggen bijna honderd kamers. Vanaf de boulevard lijkt het een uitvergrote bunker. Aan de balie vraag ik naar een lijst van de tijden van eb en vloed, of ze dat hebben, de lijst van hoog en laag water, zeg ik. Waarom ik niet helemaal uit mijn woorden kom, weet ik niet. Zo'n lijst hebben ze niet, wel gehad, maar hij is nu uitverkocht. De jonge vrouw achter de balie is geleerd dat een vraag de voorbode is van oeverloze problemen. Het begint met een vraag en het eindigt met klachten over het pleepapier en het toiletgeruis. Ik begin te vertellen dat ik ooit, meer dan 40 jaar geleden, 48 jaar zegt mijn vrouw, in dit hotel gelogeerd heb. We kwamen uit Curaçao terug - de jonge vrouw weet nu zeker dat ik een berucht querulant ben en zet haar querulantengezicht op - en of er misschien nog foto’s van het oude hotel zijn, ook van het interieur. Ik was toen een jongetje, zeg ik. Dat hebben we niet, zegt ze. Een soort archief van het hotel, zeg ik. Misschien weet meneer Steenbeek het wel, zegt nu een andere jonge vrouw die bliksemsnel is aangeschoven. Maar meneer Steenbeek is er niet, die is op reis, wanneer hij terugkomt weten ze niet. Ik vraag het nog wel eens, zeg ik, maar ik weet zeker dat ik niks zal vragen. Mensen lastig vallen met je eigen herinneringen, het is smakeloos en opdringerig. Ze hebben gelijk, herinneringen zijn zwijgzame verlangens. Ik herinner me ineens een oude Amerikaan, stokoud, die in Leeuwarden bij ons aanbelde en me vroeg of de heer Talsma (mister Talsma) hier nog woonde. Die ken ik niet, zei ik. I don’t know him. Plotseling begon hij statig Fries tegen me te praten, heel langzaam, bijna vergeten. Dat hij in deze straat als jongetje had gewoond, meer dan zestig jaar geleden. Dat hij altijd met de kinderen van de fami lie Talsma speelde. En die familie woonde hier, en hij had daar gewoond. Wijzen, wijzen naar de overkant. Don’t you know them? Nu praatte hij toch weer Engels. I live in Florida, zei hij, that’s my wife. Op de hoek stond een oude mevrouw, ze keek naar ons. Ik wist het niet, ik weet niks van de familie Talsma, zei ik, we wonen hier al jaren. Ik was net de jonge vrouw die nu van mij af probeert te komen. In de Voorstraat tikken we een lijst Hoogwater 1999 op de kop. We hoeven niks te betalen, het is de laatste, zegt de boekverkoper. Het is hoogwater om 00.16 uur. Jezus, opblijven tot twaalf uur vannacht in dit gat, zeg ik. Wat moeten we hier doen, met al die toeristen? Er is geen behoorlijk café te vinden, al die jonge echtparen met hun eerste worp, die gelukzalige grijns op hun koppen, en dan die bejaarden met hun optieproblemen, en heb je de plaatselijke oudere jongeren hier gezien? Ze hebben matjes, rijden in verouderde legerwagens en lachen ons volkomen gefundeerd uit. We lopen het strand op, mijn wanhoop neemt onmiddellijk af, de zee, de zee, waarom liep ik me net nog op te winden en ben ik nu gelukkig? Het is mooi weer, scherp wit licht, Rohmer-licht, ik kan een strand niet bekijken zonder aan Rohmer te denken. Mensen liggen heel rustig om ons heen, als dieren die na een lange zwerftocht hun eindbestemming hebben gevonden. Straks gaan ze gezamenlijk een lied zingen. Waarom maak ik niet een lijst van alle ontblote borsten die ik tegenkom? Dan heb ik in ieder geval aan de opdracht voldaan. Ik heb borsten gejut, zeg ik tegen De Groene, dat vinden jullie vast ook wel goed. Dat strandjutten werd niks, veel te lang opblijven en van Egmond herinnerde ik me ook niks, volgens mij heb ik er nooit gewoond. Ik ben gelukkig een zeer geroutineerd onopvallend naar borsten kijkende man. Kleine tietjes, dikke fladders, erwtjes op een plank, peertjes met ogen erop, abrikozen, bungelaars, verwaarlozers, joekels, uitprintertjes van jonge meiden, hoogdenkers, ongelukkige bloters, memmen, hulpeloze zwabberaars, staarders, glazenieren, proefballonnen, huppelaars, rondzoemers, halfgaren, ik ben ineens een beroemd borstenjutter. Ik doe schoenen en sokken uit, en loop de golven in, het is ongelooflijk koud. Het is niet koud, zeg ik tegen mijn vrouw, ik denk dat ik straks of morgen wél ga zwemmen hoor. Heb ik mijn zwembroek wel bij me? We staan rustig te kijken, er is niet veel branding. Achter ons is de boulevard met Hotel Bellevue er middenop. Op het strand duizenden mensen, hun stemmen zijn hier niet te horen, hier is het geruis van de zee. Ik wil hun stemmen beluisteren, flarden opvangen, kreten, liefdesverklaringen, stiltes beluisteren tussen het geschreeuw in. Aan die kant lag een stel bunkers, zeg ik - ik wijs naar rechts - daar speelden we in, dit weet ik nog zeker. Dan lopen we langs de kustlijn richting Bergen. Er zijn strandstoelen, eerst strandhuisjes zoals aan de kusten van Normandië, later ook vakantiehuisjes. Voor het strand ligt de hele tijd een kleine vrachtboot. Wat doet die daar? Strand opzuigen, zand spuiten? Op het strand zelf ligt niks wat niet op een strand hoort te zijn. De heer Ebbesmeyer zou zich schamen. De bekende doodsresten van zeedieren; stranden zijn de grafvelden van de zee: schelpgruis, schelpen, scheermessen, niet eens veel wier, een paar kwallen. Meeuwen krijsen alsof ze op de geluidsband staan van een toneelstuk over Peer Gynt. We lopen door tot het rustig is. Hier zijn geen huisjes meer, er staat een tractor op het strand, geen mensen erbij, zal ik dit doorgeven aan Ebbesmeyer? Tractor on the beach in Egmond aan Zee, ik krijg direct een vermelding in het Guiness Book of Beachcombing 1999. We overleggen wat we zullen doen. Mijn vrouw overtuigt me ervan dat we juist met laagwater op het strand moeten zijn. Het is nu ook laag water, maar het is nu veel te druk, dan dus bij het volgende laagwater. We rekenen uit wanneer dat is, zo ongeveer tussen de hoogwaterstanden in, we besluiten zaterdagochtend om kwart over vijf op te staan. ZATERDAG 10 JULI. We zijn om half zes op het strand. Het is onwaarachtig stil. Ik heb een tas bij me waarin ik alles ga verzamelen. Zo stil was het nog nooit. In een strandstoel slapen twee jongens. In de verte klinkt motorgeluid, een tractor rijdt over het strand, vanuit zee komt een kleine vissersboot dichterbij. We zijn volkomen gelukkig en wandelen langs het strand alsof we voor de eerste keer met elkaar langs een strand lopen. Perplex, de zon hangt nog wat achter de duinen, we lopen weer in de richting van Bergen omdat we daar het meest verwachten. Heb ik echt gedacht dat ik iets zou vinden wat de moeite waard was? Ik denk het wel, zo ben ik wel. We vinden vijf schoenen, twee kinderschoentjes en drie van volwassenen, een zandzeefje, een soort antenne, een sliert plastic met wat touw erbij en ten slotte zien we in de verte op het strand een groot donker voorwerp. Hoe vaak heb ik als jongetje op het strand in Egmond in de verte een groot donker voorwerp zien liggen? Een duikbootkapitein. Een marsbewoner. Een piratenschat. Grote, grote verwachtingen. Altijd. Zonnestralen strijken over onze hoofden wanneer we erheen lopen. Het is een hoofdkussen, doorweekt, het komt echt uit zee, iemand heeft er op een schip met zijn hoofd op gelegen. Om half acht begint het ontbijt in Hotel Bellevue, daarna gaan we weer naar het strand. Het is nog steeds rustig, de zon is wat verborgen achter wolken, we hebben handdoeken bij ons en gaan op het strand zitten. Warm is het nog niet, we houden onze truien aan, dan gaan we liggen en we vallen in slaap, echte strandjutters slapen op het strand. Om half tien word ik even wakker, ik heb gesnurkt, we lachen een beetje naar elkaar, daarna slapen we weer in als zwervers die de nacht buiten hebben doorgebracht. Om half twaalf schrikken we echt wakker, zweet loopt over mijn lichaam. Jezus, we hebben als een stelletje gekken op het strand liggen slapen. Snel doe ik alles uit. Om ons heen is het volgelopen met badgasten die net doen alsof het volkomen normaal is dat op het strand van Egmond op het heetst van de dag mensen met al hun kleren aan liggen te slapen. Er lagen weer een paar strandjutters te slapen, zeggen ze later hoogstens tegen elkaar. Dromerig lig ik voor me uit te kijken, mijn hoofd in de richting van de zee, dan hoor ik de strandgeluiden, de stemmen, flarden van letters en klanken, beweegredenen en bewijzen van presentie. 'Nu hoor ik geen’, hoor ik zeggen, 'wel later pas, hier ben ik, koffie, mullebakken hier, is waar daar, aan papa te geven, dichte lekker hè, waar pijp is beter, sonst ja nichts, daar niet meer.’ Ik kan er niet mee ophouden, ik ben woordverslaafde, woordjutter, ik neem me voor alles te onthouden. 'Krijgt papa lekker ijsje, ik en jij en ik, op mijn rug blijven hoor, touwtje moet binnenwaarts, want ik dacht met dieren niet, ik ben straks een garnaal, als je wind vangt.’ Hoor ik alles goed? Ben ik woordpatiënt? De zee is verdwenen, ik luister. 'Op de handdoek blijven, marmeladen hondje, dreiunddreissig keine Ahnung, Amalia is onder ons, wil ik vaak niet, vul jij ermee, talam talam talam, beekje verder weg, meisjes zijn van bom, papa van tevoren, op een houten stuur, de hele dag gaat om, ben jij een meisje, water schenken, hoi billy willeke, hoi magda, zijn met vakantie, nee eh, nee eh.’ Dit is de strandtaal waar iedereen naar verlangt, onduidelijke woorden zeggen, iets onduidelijks terugzeggen, het onluisteren en onzeggen is tot taal verheven. Taal is hier alleen bevestiging van aanwezigheid, verwaaiende woorden en zinnen, glashelder. ’s Middags huren we fietsen en we rijden door de duinen in de omgeving van Egmond, ik weet niet of ik nog iets durf te herkennen. Ik ben moe van invallen en herinneringen. Niets is nog geloofwaardig. Vlak bij het fietsenverhuurbedrijf ligt mijn oude school. Hij heet Trompschool en ligt aan de Trompstraat. Ik herinner me de route van school naar het hotel en wil er eerst niemand meer mee lastig vallen. Een smalle straat langs smalle huizen, in de Voorstraat was een bioscoop met plaatjes van vrouwen. Ava Gardner? Wanneer we de fietsen terugbrengen, zeg ik tegen de man van het verhuurbedrijf dat ik heel vroeger op de Trompschool heb gezeten, ik ben nog steeds niet bereid mijn herinneringen voor mezelf te houden. School met de Bijbel, zeg ik. Hij gaat zijn huis in en komt terug met een paar oude foto’s van de school. Zo zag het er zestig jaar geleden uit, zegt hij. Aan het einde van de middag ga ik nog eens naar het strand. Het is druk maar ik hoor en zie niets. Ik loop naar de waterlijn, ik leg de handdoek neer, doe mijn broek uit, daaronder draag ik een zwembroek, ik leg mijn T-shirt naast de broek op de handdoek. Ik voldoe aan alle rituelen en loop het water in. Even later zwem ik in zee.