Roger McGough, Said and Done

Jongleur met woorden

Roger McGough

Said and Done

Century, 332 blz., e 35,08

Het stofomslag van de memoires van Roger McGough laat het portret zien van een kaalhoofdige man, type hoofdboekhouder, die echter een bril met groen montuur heeft opgezet. Waarom draagt de dichter een groene bril? Het antwoord staat op bladzijde 304: «Omdat ik bijziend ben.» Maar zo gemakkelijk laat de aard van McGoughs licht afwijkende kijk op de werkelijkheid zich niet kenschetsen. ’s Mans levensherinneringen bevestigen ten overvloede wat de lectuur van zijn poëzie al liet vermoeden: de positie van McGough in de Engelse literaire wereld is die van een amusante en authentieke excentriekeling. Hij mag dan een flinke stapel dichtbundels en kinderboeken op zijn naam hebben gebracht, met literaire prijzen bekroond zijn en door de vorstin behangen zijn met de lintjes van achtereenvolgens obe en cbe (Officer en Commander in de Orde van het Britse Imperium), McGough heeft veel weten vast te houden van het kind dat hij op een aantal van de boeiendste bladzijden van Said and Done reconstrueert. Dat kind speelde niet met autootjes (daarvan werd-ie wagenziek), of met de Meccanodoos die hem «minutenlang» geboeid had gehouden, maar veel liever met de collectie boordeknoopjes van zijn vader. Vandaar – het is McGoughs redenering – dat de dichter thans boeken en radio verkiest boven film en tv.
McGough (1937) is de zoon van een havenarbeider. Als rechtgeaarde «scouser», dat wil zeggen: geboren en getogen in Liverpool, had hij bijna automatisch deel aan het tumult waarmee The Beatles en The Mersey Sound het Groot-Brittannië van de vroege jaren zestig overspoelden. Philip Larkin, die aanmoedigend reageerde nadat de jonge Roger hem enige poëtische probeersels had toegezonden, zette het tijdperk voor eens en altijd neer in zijn gedicht Annus Mirabilis: «Sexual intercourse began/ In nineteen sixty-three/ …/ Between the end of the Chatterley ban/ And the Beatles’ first LP».

In het kielzog van The Beatles scoorde McGough met een anarchistisch-komische muziekgroep genaamd The Scaffold zowaar een paar hits in de toptien. Een ander lid van The Scaffold was Michael McCartney, jongere broer van een van de Beatles. Paul McCartney zelf vertrouwde McGough ooit toe dat hij dan wel eens heimelijk de verzen van W.H. Auden en Louis MacNeice had ingekeken, maar dat hij het vooral eens was met John Lennon: artistiek zijn was leuk, maar poëzie ging toch echt te ver.

McGough is gauw klaar met zijn opsomming van kunstuitingen die de Britse arbeidersjeugd van die dagen kon pruimen: Hollywood-films, beeldende kunst uit New York, popmuziek. Voor poëzie gold, net als voor opera, ballet, films uit andere landen dan Engeland of de VS, klassieke muziek en theater: sorry, niks voor ons. Als aankomend dichter/performer sloot hij een verbond met zijn stadgenoten en kunstbroeders Adrian Henri (overleden in 2000) en Brian Patten (enkele malen te horen in Rotterdam bij Poetry International). Als trio gaven ze poetry readings. Hun gezamenlijke bundel The Mersey Sound is sinds de publicatie in 1967 een van de populairste bloemlezingen uit de Engelse poëzie. Ze moesten hun reputatie veroveren op een publiek dat gevoeligheid als een zwakte beschouwde en intelligentie als een manier om aandacht te vragen. Om deze barrières te doorbreken namen ze hun toevlucht tot strategische middelen als (in Henri’s geval) besmeurde spijkerbroeken en dergelijke, maar vooral, en dat geldt voor alledrie: directheid, toegankelijkheid, humor.

McGough deelt onbekommerd mee dat de door hem ontwikkelde neiging om veel van zijn gedichten te voorzien van een pointe vooral een geruststellende bedoeling heeft: «Don’t worry. I’m not trying to be clever, I’m really just one of the lads.»

Even zo goed is het resultaat vaak juist buitengewoon «clever». Een voorbeeld is zijn gedicht 40 – Love. Het beschrijft een partijtje tennis en bestaat uit 22 woorden dan wel onderdelen van woorden, afgedrukt in twee kolommen van elf, die over twee naast elkaar gelegen bladzijden zo ver mogelijk van elkaar zijn afgedrukt. Doordat de lezer gedwongen is zijn hoofd heen en weer te bewegen, produceert hij zelf een contrapunt tegenover de toestand van verstarring in het huwelijk van de tennisspelende middelbare echtelieden.

Een even behendige jongleur met woorden toont McGough zich als hij vertelt hoe zijn moeder hun door vader voorbereide emigratie naar Nieuw-Zeeland afwendde («Mum had cried off at the last minute»), of hoe hij een eerste kalverliefde ondervond bij de aanblik van de kuiten («calves») van een vriendinnetje, of als hij meedeelt over een niet zo aardige tenorsaxofonist («What Stan wantz, Stan Getz») bij wie er nooit eens een groet af kon: «Mind you, he couldn’t half play the trombone.»

Als dichter blijkt McGough zelfs typografische middelen te kunnen inzetten als hij reflecteert op zijn lotgevallen halverwege de jaren zeventig, toen zijn huwelijk op de klippen liep en de dadaeske exuberantie van The Scaffold niet langer aansloeg:

ONCE I LIVED IN CAPITALS

MY LIFE INTENSELY PHALLIC

but now I’m sadly lowercase

with the occasional italic

In Said and Done zijn de heerlijke sixties pas op bladzijde 234 voorbij. De dichter voelt zich in «de late lunchtijd» van zijn leven. Je verneemt van hem niet dat er nog wel eens een feestje aan zou kunnen komen wegens een benoeming tot poet laureate, een functie waarvoor hij steeds vaker wordt genoemd. Wel stelt de auteur van deze memoires zich aan het einde van zijn boek de vraag of het schrijven ervan niet vooral ten doel had «het zich opdringende duister» op afstand te houden. Mij dunkt dat, als het doel inderdaad daarin gelegen was, het wat zijn lezers betreft bereikt mag heten.