Jood of Duitser

VICTOR KLEMPERER
CURRICULUM VITAE: HERINNERINGEN 1881-1918
Atlas, 1136 blz., € 49,50

35 jaar na zijn dood verwierf de Duitse romanist en literatuurhistoricus Victor Klemperer (1881-1960) alsnog de roem waarnaar hij zijn leven lang gestreefd had. Nadat hij tot de conclusie was gekomen dat hij geen dichter of romancier was, had hij als wetenschapper weliswaar een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven, maar bij zijn academische carrière werd hij gehinderd door het feit dat hij jood was, terwijl hij na 1933 uiteraard geheel werd buitengesloten. Dat hij na de oorlog voor de DDR koos, en daar erkenning kreeg, zorgde ervoor dat zijn kansen op roem in West-Duitsland verkeken waren.
Maar toen verschenen in 1995 de uitgebreide dagboeken die hij in de jaren 1933-1945 had bijgehouden: Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten (vertaald als Tot het bittere einde). Dit boek, waarin hij met uiterste precisie weergeeft hoe hij en andere joden stapje voor stapje werden geïsoleerd, buitengesloten en vervolgd, maakte Klemperer op slag wereldberoemd. Daarna verschenen nog even volumineuze delen over de periodes 1918-1932 en 1945-1959 (waarvan alleen het laatste in het Nederlands is vertaald).
Omdat Klemperer, zoon van een zeer vrijzinnige rabbijn, op zeventienjarige leeftijd begon met het dagelijks noteren van wat hij dacht en meemaakte, zijn er ook dagboeken geweest die de periode 1898-1917 beslaan. Deze heeft hij echter vernietigd nadat hij ze had gebruikt voor wat hij steeds meer was gaan zien als zijn levenswerk, een zeer gedetailleerde autobiografie. Omdat hij in de loop van de oorlog niet meer kon beschikken over die dagboeken, en hij het na de oorlog te druk had met andere werkzaamheden, zijn deze memoires onvoltooid gebleven. Zijn eerste 37 levensjaren hebben niettemin een kolossaal boekwerk opgeleverd.
In Curriculum vitae beschrijft Klemperer niet alleen zijn jeugd, familie, school- en studiejaren plus het begin van zijn carrière, maar schetst hij tevens een portret van het wilhelminische Duitsland, met zijn standenmaatschappij, zijn tot Pruisische dril verworden Bildungs-idealen, zijn nationalisme en antisemitisme. Dit klinkt negatief, maar zo ervoer Klemperer het in zijn jeugd beslist niet. Hij was trots op Duitsland, op de Duitse cultuur, en wilde daar dolgraag bijhoren. Toen Victor tien jaar was werd zijn vader voorganger van de Reformgemeinde in Berlijn, een uiterst liberale joodse gemeente die van het geloof alleen de ‘religieuze kern’ had overgenomen en alle religieuze voorschriften die afweken van de christelijke zeden had afgezworen. Evenals zijn oudere broers liet Klemperer zich protestants dopen.
Veel maakte het niet uit, want voor antisemieten bleef hij toch een jood. Zo accepteerden de studentencorpora, waar in die tijd nog geduelleerd werd en het in de strijd opgelopen litteken (der Schmiss) gold als belangrijk maatschappelijk onderscheidingsteken, geen joodse leden. Toen Klemperer werd uitgenodigd door de enige joodse studentenvereniging waar ook geduelleerd werd, weigerde hij omdat hij principieel tegen dat stompzinnige schermen was. Toen de medestudent die hem gevraagd had zei dat hij het als jood verplicht was om mee te doen, om zo de antisemieten te laten zien dat joden niet laf waren, verklaarde Klemperer dat hij niet geloofde in een ‘specifiek joods eergevoel’. Het enige eergevoel dat hij erkende was dat ‘als mens en als Duitser’.
Achteraf moest Klemperer toegeven dat het corpslid in ieder geval gelijk had toen hij stelde dat Klemperer ‘om de feiten heen’ wilde lopen, aangezien hij joods wás en altijd in de eerste plaats als jood zou worden gezien, en dat hij telkens weer zou moeten bewijzen dat hij Duitser was.
Hoe nationalistisch Klemperer ook was toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, hoezeer hij ervan overtuigd was dat der Kaiser er alles aan had gedaan om de vrede te bewaren en dat de oorlog de schuld was van de Engelsen, en ondanks het feit dat hij zijn felbegeerde academische betrekking opzegde om zich als oorlogsvrijwilliger te melden, uiteindelijk moest hij constateren dat het niets had geholpen.
Wat deze autobiografie, die af en toe wel erg wijdlopig is, vooral indrukwekkend maakt, is de rigoureuze eerlijkheid van Klemperer. Omdat hij zich heeft gebaseerd op zijn dagboeken kan hij een goed onderscheid maken tussen wat hij toen dacht en hoe hij er later, tijdens zijn gedwongen werkloosheid ten tijde van het Derde Rijk, tegenaan keek. Als jongen vond hij zijn vader vaak een opportunist, een onoprechte poseur die niet echt geloofde wat hij predikte, maar als man van middelbare leeftijd dacht hij daar veel milder over. Wat moest zijn vader anders? Hij had een groot gezin te onderhouden en was voor geen enkele andere betrekking geschikt dan voor het rabbinaat. Bovendien had Klemperer zelf in 1933 de eed op Hitler afgelegd en zich, schreef hij, ‘vastgeklampt aan mijn verachtelijk geworden functie tot ik eruit gegooid werd’.
De discrepantie tussen de oudere Klemperer en de hoofdpersoon van deze jeugdherinneringen komt het sterkst tot uiting in het hoofdstuk over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Daar beperkt hij zich aanvankelijk zelfs tot het kopiëren van zijn dagboekaantekeningen, omdat het voor hem in de herfst van 1940 niet mogelijk is eerlijk te beschrijven hoe nationalistisch en oorlogsenthousiast hij in augustus 1914 was. De dagboeken waren voor hem inmiddels een ‘vreemde tekst’ geworden, die door samenvatting of interpretatie onherroepelijk ‘vervalst’ zou worden.