Jood wordt vent

Op 14 juli 1827 bezocht Heinrich Heine, vlak voordat hij de oversteek naar Holland zou maken, het Drury Lane Theatre in Londen. Op het programma stond De koopman van Venetië, Shakespeares blijspel waarover bitter weinig te lachen valt, een constatering die in het bijzonder geldt ten aanzien van het lot van de negatieve held van het stuk, de jood Shylock. Er was in elk geval één toeschouwster die begrip voor de ongelukkige woekeraar had. Zij barstte tegen het einde van het vierde bedrijf in tranen uit en verzuchtte, meermalen: ‘The poor man is wronged!’

Ikzelf maakte, enige jaren geleden, kennis met De koopman van Venetië via zo'n antiek deeltje van de Wereldbibliotheek, een uitgave van ‘de maatschappij voor goede en goedkoope literatuur’. De stichter was L. Simons. Zijn opvolger, als directeur, was Nico van Suchtelen. Zo'n Wereldbibliotheek was een heel gemak voor iemand die nog niet in staat was Shaw, Ibsen, Shakespeare, Strindberg of Heinrich Heine in de originele taal te lezen.
Mijn eerste uitgave van het Buch le Grand was de vertaling (1937) die Van Suchtelen hoogstpersoonlijk had gemaakt. Hij was - redigerend, schrijvend, vertalend - een uitgesproken beschaver, die tot op heden in de naslagwerken de hemel in wordt geprezen. Garmt Stuiveling, in een literair lexicon, noemt Van Suchtelen 'een der zuiverste en nobelste vertegenwoordigers van een generatie die kort voor de Eerste Wereldoorlog aan het woord kwam, een generatie die diep geloofde in een menswaardige wereld van zuivere cultuur, eerlijke democratie, kritisch humanisme, sociale gerechtigheid, kosmopolitisme en duurzame vrede.’
Helaas schreef diezelfde Van Suchtelen in 1913, kort voor diezelfde Eerste Wereldoorlog, het toneelstuk De Tuin der Droomen, comedie der liefde in vijf bedrijven. Daarin komt, tegen het einde van het laatste bedrijf 'een joodsch antiquaar’ ten tonele, een regelrechte achterneef van Shylock, zo'n gladgetongde slijmbal, die de schilder Hans een Delfsche tabakspot afhandig maakt voor de jodenfooi van vijfentwintig gulden. Hij geeft de schilder zijn geld, ondertussen mompelend: “t Is te veel… waarachtig, ’t is te veel… Da’s een bankroetje voor me… ik wil der net zoo lief nog van af voor 'n gulde rouwgeld. Nou, bij gelegenheid meneer… bij gelegenheid…’ Hij pakt zijn biezen. 'Verdomde jood!’ zegt de schilder Hans.
Want in Van Suchtelens menswaardige wereld van zuivere cultuur, eerlijke democratie, kritisch humanisme en sociale gerechtigheid was men van joden eigenlijk niet gediend.
Geen mens meer die zo'n man meer leest, al is na de Tweede Wereldoorlog nog zijn Verzameld Werk bij de Wereldbibliotheek verschenen. Ik heb eens deel twee, uit 1955, ingekeken, benieuwd hoe in de Tuin der Droomen viereneenhalf miljoen dode joden later, over de soort zou worden gedacht. 'Een joodsch antiquaar’ bleek te zijn veranderd in 'een kleerekoop’ en de verwensing 'Verdomde jood!’ was tot 'Verdomde vent!’ gekuist.
Van Suchtelen moet een routine-antisemiet zijn geweest, als menig vooroorlogs intellectueel, anders had hij niet, vlak voor de oorlog, Heines Buch le Grand vertaald. Het werd, zoals de meeste deeltjes uit de Wereldbibliotheek, druk gelezen, totdat de nazi’s kwamen en het boek - in 1942, eigenlijk tamelijk laat - 'uit den handel’ werd genomen.