Menno Hurenkamp

Joods-christelijk-islamitische doping

Net als iedereen doet u deze zomer niets belangrijks op kantoor. U doet dus minder belangrijke dingen, drie om precies te zijn. Eén: u kijkt achter uw bureau naar de Tour de France. Twéé: u vraagt zich af of u wel een mening heeft over de joods-christelijk-islamitische cultuur. Die staat sinds Ella Vogelaars uitspraken zeer in de belangstelling en u moet voorkomen dat u bij uw schoonfamilie de hele zondag naar uw vingers kijkt. Drie: u bedenkt of er een verband is tussen één en twéé.

Eerst één. U constateert: de Tour de France gaat over doping en nationalisme. U hoort het gejeremieer over epo en testosteron en wat niet al en dat het een schande is, al die fietsers tot hun oren volgespoten. Het is oneerlijk, sport is geen sport meer! Je kunt er ook nog dood aan gaan! Et cetera, samengevat in de stelling dat leugens en risico’s verboden moeten. En terwijl u deze tralala voor de zoveelste keer beluistert voelt u al een vaag verlangen naar het leggen van verbanden opkomen. U vraagt zich af: waar vergelijken dit soort mensen de topsport toch mee? Toch niet met de politiek, de liefde, de school of het kantoor waarop ik in de baas zijn tijd de Tour kijk? Al dat moois zou tot stilstand komen wanneer die zeurkousen hun zin krijgen en we niet meer liegen of geen onverantwoorde dingen ondernemen.

Dan het nationalisme. Van het NOS-televisiecommentaar leert u dat ‘we’ hier in Nederland individualistisch zijn en daarom niet geïnteresseerd in het zogenaamde ‘ploegenklassement’, de opgetelde score van de verschillende leden van één team. Maar in het collectivistisch ingestelde Spanje vliegt men elkaar daarover in de haren. En ook de cultuur binnen de Rabobankploeg heet ‘typisch Nederlands’ te zijn. U leest in Trouw dat volgens directeur Theo de Rooij ‘persoonlijke vrijheid’ en ‘recht op privacy’ elementaire waarden zijn in die wielerploeg. Bij de Rabobank zelf is de bedrijfscultuur immers ook gebaseerd op vertrouwen. Vandaar dat men, ondanks de eisen die het internationale wielrennen stelt, niet altijd weet waar de spichtige Rasmussen uithangt. Is-ie braaf aan het trainen of propt-ie zich in een achterafstraatje vol met wondermiddelen? Geen idee, persoonlijke vrijheid.

U leert meer dat dit beeld bevestigt. Luister naar Juan Antonio Flecha, Spanjaard die voor de ‘Nederlandse’ Rabobankploeg rijdt. Hij laat, nog altijd in Trouw, optekenen dat die ploeg hem goed bevalt, juist vanwege de ongedwongenheid. Zijn analyse van de Nederlandse vrijheid verdient de volle aandacht. ‘Er is een systeem, maar niemand houdt zich eraan. Als we om negen uur moeten gaan eten, komt niemand op tijd. Iedereen laat elkaar in zijn waarde.’ Daar wordt u stil van. Een Spanjaard (‘mañana, mañana’) die vaststelt dat Nederlanders zich niet aan de afspraken houden. Verrassend, maar het wordt mooier: hij constateert dat dit juist betekent dat iedereen elkaar respecteert. U denkt: wat een Nederlanderschap, kom daar in Den Haag om. Als Rita Verdonk ’m niet in de boeien slaat en in een brandende cel gooit, stelt André Rouvoet wel een avondklok in voor de onverlaat die dit soort wilde uitspraken doet.

Verdorie, al die tijd over de Tour gepeinsd (minder belangrijk ding één), geen tijd meer voor die mening over de joods-christelijk-islamitische cultuur (m.b.d. twéé). Opportunistisch denkt u: meningen hebben we genoeg, verbanden hebben we nodig! Dat verband (m.b.d. drie) daagt namelijk al lang. Die joods-christelijk-islamitische cultuur ís als doping: jonge mensen gebruiken het en oude mannen zeuren erover.