Joodse clichés

Na lezing van de eerste verhalen uit Nathan Englanders debuutbundel Verlost van vleselijke verlangens dacht ik af te stevenen op een onverdeeld enthousiast eindoordeel. Hij komt sterk binnen, deze New Yorker die inmiddels in Jeruzalem woont, met een vernuftig verhaal over een handvol dissident geachte joodse schrijvers die onder Stalin wordt opgepakt. In hun eilandsituatie, oog in oog met de dood, bepalen ze ethisch of onethisch hun standpunt over wat ertoe doet. Het heeft iets van Borges’ Deutsches Requiem maar dan met meer personages. Lezen ambitieuze jongelingen in New York soms verplicht Borges voor ze debute ren? Ook over Paul Austers City of Glass lag de slagschaduw van de Argentijn.

Het tweede verhaal is het indrukwekkendst vanwege het hartbrekend mooie gegeven. Een groep Poolse joden belandt te midden van razzia’s in een reguliere trein en hoopt na veel lichamelijke oefening te kunnen versmelten met een groep acrobaten die zal optreden voor nazi’s, onder wie Hitler zelf. De gedachte aan La vita è bella ligt voor de hand. Film en verhaal hebben beide dat hilarische waardoor lach en traan elkaar verdringen. Het zijn gewaagde maar geslaagde grotesken; een kostbaar genre.
Ook het titelverhaal, ‘Verlost van vleselijke verlangens’, het een na laatste in de bundel, is goed, zij het beperkter en stammend uit de folkloristische hoek, als dat niet oneerbiedig klinkt. Het is de geschiedenis van een afgewezen echtgenoot die een door de rabbi geautoriseerd slippertje bekoopt met een druiper zodat zijn inmiddels gewillige vrouw onbereikbaarder dan ooit voor hem is. Bij zo'n verhaal lijk je aangesloten op een schier onuitputtelijk arsenaal tragikomische vertellingen uit het joodse erfgoed, met inbegrip van de door de eeuwen gepolijste clichés. Max Tailleur, zogezegd. Op zichzelf heeft die couleur locale geen meerwaarde; het is joods dus het is goed: nee. Dat zou koketteren met welbekend leed zijn.
Op het titelverhaal is wat dat betreft niets aan te merken, maar er zitten wel degelijk ook slappe, tamelijk goedkope verhalen in de bundel. Al met al blijkt deze eerste Englander wisselend van kwaliteit te zijn. Vooral het slotverhaal is teleurstellend. Eigenlijk is het geen verhaal maar een autobiografisch aandoend verslag van de naweeën van een bomaanslag in Jeruzalem. De schrijver gaat voor de gelegenheid over op amechtige, korte zinnen, met een gooi naar het poëtische effect. Op mij werkt dat averechts. Zie de beginzinnen van het eerste fragment: 'Drie zware dreunen. Als vogels.’ Of van het tweede fragment: 'Borden in helften en driehoeken op de vloer. Een stel aardewerken bekers, stevig en gebarsten, als overrijp fruit.’ Of van het derde fragment: 'Jeruzalemmers zijn niet schichtig als paarden. Ze vliegen niet als motten de vlammen in.’ Wat ik hier proef is kitsch. De clichés zijn gimmicks geworden. Het is een goede gewoonte bundels op hun beste bijdragen te beoordelen, zeker debuutbundels. Voor de toekomst is dat beste immers van belang. Welnu, de goede verhalen in deze debuutbundel zijn voortreffelijk. Ze zijn stante pede klassiek. Englander is van 1970. Als hij ambitieus blijft en zoveel mogelijk allergie tegen de mooie buitenkant ontwikkelt, wordt hij een belangrijk auteur.