Philip Roth

Joodse liefde

‘JODEN ZIJN voor geschiedenis wat eskimo’s zijn voor sneeuw’, schreef Philip Roth eens.

Het monumentale oeuvre dat hij sinds 1959 - het jaar waarin zijn debuut Goodbye, Columbus verscheen - met ijzeren discipline bij elkaar schreef, tussen de bedrijven door van slopende ziekten, bijna-doodervaringen, een catastrofaal huwelijk en nog catastrofalere echtscheidingen, een driedubbele bypass-operatie en farmaceutisch aangestuurde psychosen, is bijna exclusief gewijd aan de bestudering van de joodse identiteit, en dan vooral die van hemzelf, uitgesmeerd in alle mogelijke variaties, gebruik makend van een serie alter ego’s die meestal net als de schrijver in 1933 zijn geboren in Newark, New Jersey, opgegroeid in een bijkans geheel joodse omgeving, worstelend met overprotectieve joodse moeders, en zich van de weeromstuit vervolgens obsessief verwikkelend met zo neurotisch mogelijke niet-joodse vrouwen.

Als geen andere schrijver voor of na hem heeft Philip Roth zijn eigen geschiedenis geëxploiteerd, van de hilarische karikatuur ervan in Portnoy’s Complaint uit 1969, tot het onverhuld autobiografische The Facts uit 1988. Maar het zou zeer unfair zijn om hem op grond daarvan te duwen in het hokje van een schrijver die vanwege een tekortschietende verbeelding telkens maar weer al dan niet verkapte egodocumenten afscheidt, zoals sommige kwaadwillende critici hebben beweerd. Integendeel, Roths boeken behoren tot de meest geestrijke van de naoorlogse literatuur, in Amerika en daarbuiten.

Roth heeft zich aan uiteenlopende genres gewaagd, van Henry James-achtige psychologische romans (Letting Go en When She was Good) tot de exuberante satire van The Great American Novel - over honkbal - en de pre-Watergate-farce Our Gang, gewijd aan Richard Nixon en zijn hofhouding. Roth experimenteerde met variaties op Kafka en Gogol in The Breast, het relaas van een man die op een dag wakker wordt om te ontdekken dat hij is veranderd in een gigantische, 75 kilo wegende vrouwenborst, ontpopte zich in Sabbath’s Theatre als een pornograaf bij wie vergeleken de schrijfsels van Henry Miller padvinderachtig aandoen. Als hij er zin in heeft schrijft Roth als een Amerikaanse Rabelais, stort hij zich in een orgie van alliteraties en adjectieven, maar hij is even goed in staat tot een onopgesmukt en indringend portret, zoals dat van zijn eigen vader, verzekeringsagent Herman Roth, in Patrimony.

Keer op keer bespeelt hij alle registers van de menselijke emotie, terwijl zijn met duivels plezier uitgevoerde spel met de dubbele bodems van literaire verhullingstechnieken tot in een zodanige graad van ambachtelijke perfectie worden uitgevoerd - met als hoogtepunt de hallucinante estafette aan Doppelgänger-effecten en andere vormen van persoonsverwisseling in Operation Shylock (1993) - dat je er als lezer bijna zeeziek van wordt en begint te smeken om genade. Dat de jury voor de Nobelprijs voor de literatuur het telkens weer klaarspeelt om Roth te negeren, is een culturele schanddaad van de eerste orde.

BIJ ROTHS EERSTE wankele schreden op het literaire pad was de problematisering van de joodse identiteit in het geheel niet aan de orde. De eerste verhalen die hij als student in de Engelse letteren bijdroeg aan universiteitsblaadjes waren dan ook geen succes, zoals hij zelf oordeelde in The Facts: ‘De verhalen waren bedoeld om voelig" te zijn; zonder het zelf helemaal te beseffen, wilde ik via mijn fictie “verfijnd” worden, om omhoog te komen in sferen die onbekend waren bij de lagere middenklasse joden van Leslie Street. (…) Om in mijn vroegste verhalen als aankomend student te bewijzen dat ik een aardige joodse jongen was zou al erg genoeg zijn; maar dit was erger - ik wilde alleen maar bewijzen dat ik een aardige jongen was, punt uit. De jood was nergens te bekennen; er waren geen joden in de verhalen, geen Newark, en geen teken van komedie - het laatste wat ik wilde was iemand een lach in de literatuur te bezorgen. Ik wilde laten zien dat het leven een delicate en moeizame aangelegenheid was, al ervoer ik het zelf juist als zeer heftig en verkwikkend; ik wilde laten zien dat ik in staat was tot medeleven, een totaal ongevaarlijk persoon.’

Ernest Hemingway, een van Roths grote voorbeelden (de ode die Roth aan het begin van The Great American Novel brengt aan 'Papa Hem’ spreekt enige boekdelen over die bewondering), hield beginnende schrijvers voor dat de meeste kans op succes bestaat wanneer het onderwerp zo dicht mogelijk bij huis wordt gezocht, direct geput uit de eigen zintuiglijke waarneming. Roth hield zich bij zijn debuut aan dat advies. Neil Klugman, de held van het titelverhaal Goodbye, Columbus, is de eerste in een reeks van romanhelden wier biografie zo goed als dubbelt met die van de auteur. Aan de hand van de 'onmogelijke liefde’ tussen Newarker Klugman en Brenda Patimkin, dochter van een geslaagde joodse handelaar in gootstenen, schilderde Roth op onnadrukkelijke wijze de schizofrenie van het joods-Amerikaanse bevolkingsdeel in de jaren vijftig, met één been in het getto en het andere in de lommerrijke omgeving van Suburbia. Het hele scala aan neurosen dat Roth in kaart bracht onder de oppervlakte van het maatschappelijke succes van de familie Patimkin, trof zijn joodse lezers op een gevoelige plek.

Naast het titelverhaal waren er nog meer stenen des aanstoots in de bundel. Zoals het verhaal 'De bekering van de joden’, over de scholier Ozzie Freedman, die, nadat hij door een rabbi is geslagen, het dak van de synagoge op klimt en onder dreiging met zelfmoord de rabbi dwingt tot het beamen van het katholieke dogma over de onbevlekte ontvangenis van Maria. Joods Amerika was nog niet klaar voor dat soort geluiden, zo schrijft Alan Cooper, hoogleraar Engels aan de Universiteit van New York, in zijn in 1995 verschenen studie Philip Roth and the Jews. Joods Amerika was nog te zeer verwikkeld in de nasleep van de holocaust. Leon Uris beleefde gouden tijden met Exodus, vol stereotypen over joodse heiligen. In de theaters werd de ene na de andere Anne Frank opgevoerd. Het was allemaal verwerking van de holocaust wat de klok sloeg. Het geluid van Roth paste daar niet in.

Cooper laat zien hoe fel Roth na het verschijnen van zijn succesvolle debuut werd geattaqueerd door critici uit joodse hoek die hem van verraad betichtten. Recensent Harold Ribalow omschreef Goodbye, Columbus als een antisemitisch boek. 'Roth schrijft vaker uit haat dan niet, zijn personages zijn zo onsympathiek dat je je als lezer niet om hen kunt bekommeren, noch om hun problemen en de wijze waarop ze die proberen op te lossen.’ Criticus Oscar Janowsky kwam tot dezelfde conclusie: 'Roths rebellie tegen de joodse wereld waaruit hij stamt is zo extreem dat de karakters die hij beschrijft vaak niet overtuigend en weerzinwekkend zijn.’

De toon was gezet. Een hele rits rabbi’s stortte zich op het vermeende verraad van de 26-jarige auteur. Roth toonde er later, in zijn essaybundel Reading Myself and Others, begrip voor. 'Slechts vijfduizend dagen na Buchenwald en Auschwitz was het wat veel gevraagd van een publiek dat nog grotendeels was versteend in afschuw over de nazi-slachtpartij op het Europese jodendom, om vanuit een ironisch gezichtspunt of met komische effecten de interne politiek van het joodse leven te observeren. In sommige gevallen was het begrijpelijkerwijze het onmogelijke vragen.’

DE KRITIEK OP Goodbye, Columbus was nog maar een voorbode van de storm die tien jaar later zou woeden bij het verschijnen van Portnoy’s Complaint. Gelukkig voor hem had Roth vanaf het prille begin van zijn schrijverschap invloedrijke verdedigers. Zoals collega-schrijver Saul Bellow, die de druk op Roth om de vuile was niet buiten te hangen vergeleek met de ijzeren wetten van het socialistisch realisme in de Sovjetunie: 'Niet alle joodse lezers hebben zich verheugd getoond over Roths verhalen’, schreef Bellow na het verschijnen van Goodbye, Columbus. 'Hier en daar treft men mensen die vinden dat het de taak is van een joodse schrijver in Amerika om een soort public relations-verhalen te schrijven, om te publiceren over alles dat goed is in de joodse gemeenschap en de rest loyaal te verzwijgen. Mijn advies aan de heer Roth is om alle bezwaren te negeren en door te gaan op de huidige koers.’

Roth kiest er echter niet voor om door te gaan op de ingeslagen weg. Net voor de publicatie van Goodbye, Columbus trouwt hij met Margaret Martinson Williams, serveerster en weduwe met twee kleine kinderen, en bovenal: niet-joods. Het huwelijk neemt al snel de apocalyptische vormen aan die Roth-lezers bekend zal voorkomen. De onbekommerde en vrolijke inslag van Goodbye, Columbus maakt plaats voor een veel ernstiger stemming. Roth begint les te geven aan de Universiteit van Iowa en schrijft aan zijn eerste grote roman, Letting Go, gepubliceerd in 1962, tevens het jaar dat hij met Margaret breekt.

Letting Go is een monumentaal werkstuk, rijkelijk bevolkt met prachtig getypeerde personages, maar het is bovenal een deprimerend boek over het menselijke onvermogen tot geluk. Roths alter ego heet hier Gabe Wallach, een universitair medewerker van joodsen huize, die, gedreven door een existentiële drang om andere mensen te helpen, stelselmatig zorgt voor een verslechtering van de situatie, inclusief die van zichzelf. Voor echtgenote Margaret (aan wie het boek is opgedragen) was er ook een plaats ingeruimd. Zij is herkenbaar in de figuur van de alleenstaande werkende moeder Martha Reganhart, het enige personage in de roman dat sympathiek kan worden genoemd, alhoewel zij aan het eind van de vertelling verschrikkelijk wordt gestraft wanneer haar zoontje door het iets oudere zusje van een stapelbed wordt geduwd en overlijdt.

NA LETTING GO volgt de nog triester getoonzette roman When She Was Good, die de geschiedenis inging als 'het boek zonder joden’. De roman gaat over het trieste leven van Lucy Nelson, een jonge vrouw uit het midwesten van de Verenigde Staten, die opgroeit met een alcoholistische vader. De figuur van Lucy was wederom grotendeels geïnspireerd op de biografie van Margaret, die inmiddels een ware vendetta was begonnen tegen haar om echtscheiding smekende echtgenoot. In 1974 zou Roth Margaret weer opvoeren, dit keer als de neurotische vrouw Maureen van schrijver Peter Tarnopol in My Life as a Man. Het publiek, onkundig gehouden van de ontwikkelingen in het privéleven van de inmiddels tot ster uitgegroeide Roth, kon niet vermoeden hoezeer de schrijver had geput uit eigen ervaringen in deze krankzinnige kroniek van een rampzalig huwelijk.

Die kennis werd pas gegeven in 1988, toen Roth zijn autobiografie The Facts publiceerde en duidelijk werd dat de trucs van Maureen om Tarnopol het huwelijk in te laveren, precies overeenkwamen met die van de echte mevrouw Roth: door in Harlem de urine te kopen van een zwangere zwarte vrouw en die bij de dokter als de hare in te leveren, overtuigde Margaret/ Maureen haar partner ervan dat er een kind van hem op komst was, om later te zeggen dat ze het had laten aborteren. Margaret kwam in 1974 om het leven bij een auto-ongeluk in Central Park, maar in My Life as a Man leefde ze voort als Maureen Tarnopol, onvermoeibare kwelgeest van een man van wie ze hartstochtelijk graag de muze wil zijn. 'Als ik er niet geweest was zou hij zich nog steeds verbergen achter zijn Flaubert en zou hij het echte leven niet eens nen als hij er over viel’, schrijft Maureen in haar dagboek in My Life as a Man. 'Waar had hij gedacht over te gaan schrijven, niets wetend of gelovend behalve wat hij in boeken had gelezen.’
Margaret Roth ging in het echte leven nog een stukje verder, zo blijkt uit The Facts. Terwijl het echtpaar Roth voor de rechtbank een slepende rechtszaak over financiële compensatie uitvocht, was ze actief geworden in het uitgeefwezen en verkondigde overal dat zij het ware brein was achter het literaire werk van Roth. Toen Roth enkele hoofdstukken uit Portnoy’s Complaint liet voorpubliceren in diverse tijdschriften, en al snel duidelijk werd wat voor kassakraker hier in aantocht was, zette de wraakzuchtige echtgenote alles op alles om financieel het onderste uit de kan te halen. Als gevolg van een verwaarloosde blindedarmontsteking bungelde Roth twee maanden op het randje van de dood, om daarna als Lazarus te herrijzen en zich te zetten aan de voltooiing van Portnoy’s Complaint, de literaire sensatie van 1969.

DE HILARISCHE lotgevallen van Alexander Portnoy, de 33-jarige assistent-commissaris voor de Mogelijkheden van de Mens in New York, wiens grootste verlangen het is om een 'slecht mens’ te worden, maakten Roth in enkele weken tot miljonair. Jarenlang had hij aan het boek gesleuteld. In 1964 had hij op basis van hetzelfde gegeven een toneelstuk geschreven, The Nice Jewish Boy, dat het slechts tot een enkele 'reading’ bracht, uitgevoerd door de toen volslagen onbekende acteur Dustin Hoffman. Portnoy’s Complaint, een lange furieuze monoloog uitgesproken aan het adres van psychiater dr. Spielvogel, leek in niets op de toch vooral tobberige toestanden in Letting Go en When She Was Good. Het was een revolutionair boek dat verscheen in een revolutionair jaar.

Terwijl in Newark en andere delen van grootstedelijk Amerika de vlammen woedden van de opstand van de zwarte bevolking, zorgde Roth met zijn plastische beschrijvingen van masturbatiescènes en andere pornografische situaties voor een literaire bom in het eigen milieu. Portnoy’s Complaint was een tirade tegen de verstikkende eisen die aan jonge joodse mannen werden gesteld om maatschappelijk hogerop te komen. Die verplichte wellevendheid werd wellicht het best beschreven aan de hand van het lot van Portnoy’s buurjongen Ronald Nimkin, die zich op vijftienjarige leeftijd verhangt in de badkamer van het ouderlijk huis met een briefje aan zijn overhemd: 'Mevrouw Blumthal belde, neem alstublieft de spelregels van mah-jong mee voor vanavond.’
De mentale ineenstorting van Portnoy in Israel zorgde ervoor dat ook in de joodse heilstaat schande werd gesproken van het boek. Het Israelische blad Ha'arets behoorde tot de zwaarste critici door Portnoy’s Complaint te vergelijken met het antisemitische pamflet De protocollen van de wijzen van Zion. Portnoy’s Complaint was nog schadelijker dan het antisemitische propagandawerk, want deze keer kwamen de aantijgingen uit eigen kring, zo meende het blad. Criticus Gershom Scholem hoorde de stemmen van de nazi-propagandachefs Streicher en Goebbels doorklinken in de hartekreet van Portnoy en omschreef het als 'het boek waar alle antisemieten voor hebben gebeden’.

DE ECHO VAN Portnoy’s Complaint bleef Roth altijd achtervolgen. Zijn trouwste alter ego Nathan Zuckerman, die voor het eerst opdook in het in 1979 verschenen The Ghost Writer en ook weer een rol speelt in Roths laatste werk American Pastoral, schreef een vergelijkbaar boek, Carnovski, en wordt daar vrijwel dagelijks aan herinnerd, ook twintig jaar na dato. Het succès fou van Portnoy overschaduwde al het volgende werk van Roth, en in feite komt de lezer in bijna ieder Roth-boek wel een verwijzing naar die grote controverse tegen.

Toch schreef Roth later wel boeken die nog heel wat dieper groeven in de joods-Amerikaanse ziel en de band met Israel. Roths centrale these dat de grote zionistische droom eigenlijk veel beter werd gerealiseerd in de Verenigde Staten dan in het Beloofde Land, kreeg onnavolgbaar gestalte in The Counterlife - waarin Nathan Zuckerman naar Israel gaat om zijn broer, een tandarts, los te praten uit de kring van extreme nationalisten rond rabbijn Kahane - en vooral Operation Shylock, waarin één der bijfiguren in Israel onder het pseudoniem Philip Roth een vurige campagne voert ten bate van het 'Diasporisme’, de terugkeer van de Israelische joden naar Polen, Duitsland en andere Europese landen, een onderneming waar Lech Walesa zijn zegen aan zou hebben gegeven.

Het is een boek geschreven vanuit de diepste afgronden van de wanhoop, het terrein waar Philip Roth als geen andere schrijver mee vertrouwd is. De - weinige - critici die nog volhouden dat Roth lijdt aan zelfhaat, zijn ziende blind en horende doof. Het is geen haat die de inmiddels 64-jarige auteur onvermoeibaar voortdrijft, maar diepe liefde. Dat werd al duidelijk bij de publicatie van The Facts, een sobere poging tot autobiografische reconstructie, die Roth schreef nadat hij door gebruik van het slaapmiddel Halcion begon te lijden aan aanvallen van schizofrene paranoia en nauwelijks nog wist wie hij was. In Patrimony, het eerbetoon aan het leven van zijn ploeterende vader, was het een en al liefde en respect wat de klok sloeg. Volgens veel trouwe Roth-fans is het zijn beste boek.