TONEEL

Joodse strafexpeditie

The Jew

De Turkse MP is een ‘islamistische aap’, maar dan wel eentje die 'uit de mouw komt’ - met de gewilde parafrasering van een staande uitdrukking pieste de geperoxydeerde volksmenner náást en niet ín de pot, een ondertussen veelbesproken staaltje van hadjememaar-retorica op het niveau van een Venlose tonneprater die iets aan zijn timing moet doen. Leuk geprobeerd overigens. Dat het erger en vooral platter kan bewees onlangs Silvio Berlusconi, door een ander 'bevriend staatshoofd’, Angela Merkel, in een telefoongesprek te bestempelen als culona inchiavabile, een belediging die er in beleefde vertaling op neerkomt dat zij voor Silvio seksueel niet interessant is.
De referenties aan dit gescheld schoten spontaan door mijn kop tijdens een toneelvoorstelling die één lange scheldkanonnade leek, gebaseerd op een antisemitische, antichristelijke en eigenlijk anti-álles partituur van de hand van Christopher Marlowe (1564-1593). Het betreft hier zijn stuk The Jew of Malta, ook wel vertaald als 'de rijke jood van Malta’, door Dood Paard gespeeld onder de titel The Jew. Het stuk wordt uitgevoerd in een soort steenkolen-Engels waarin je Nederlandse toneelspelers liever níet ziet uitblinken in 'internationale excellentie’, maar dat kan aan mij liggen. The Jew is overigens gemaakt in Portugal, twee van de toneelspelers zijn Portugees, daar zal het allemaal wel door komen. Barabas heet Marlowe’s jood en voor hij in de slotscène zijn laatste haatgeluiden uitwasemt op de brandstapel die de christenen voor hem hebben opgericht, doet hij vijf bedrijven lang zijn stinkende best om een heel erg antisemitisch stereotype te verpersoonlijken. Hij haat zijn christelijke omgeving tot in de naden van zijn kaftan en wel op strikt materiële gronden: de Maltezer autoriteiten hebben zijn complete vermogen in beslag genomen om de staatsschuld te vereffenen. Het is de omkering van Shakespeare’s plot voor het zeven jaar later geschreven The Merchant of Venice - daar was de onteigening van het fortuin van Shylock een gevolg van zijn psychopathologische christenhaat, hier is de gelegitimeerde kluisroof de aanleiding voor een joodse strafexpeditie die zijn weerga in bloederigheid niet kent. Het moet zelfs de censor van het Londense uitgeversregister, die aan het eind van de zestiende eeuw meestal niet te beroerd was om een antisemitisch oogje dicht te knijpen, te gortig zijn geweest: The Jew of Malta werd pas in 1633, veertig jaar na de eerste opvoering, in het register bijgeschreven en gepubliceerd.
De bij mijn weten enige keer dat we het stuk in Nederland hebben gezien was in 1984, toen de Griekse regisseur Apostolos Panagopoulos het (in de vertaling van Hugo Claus) bij zijn Pro-theater uitvoerde met uitsluitend vrouwen. Een weinig verheffende vertoning. De toneelspelers van Dood Paard zetten nu hun tanden in het stuk met een gretigheid die doet vermoeden dat ze menen hier een bijzondere repertoire-goudader te hebben aangeboord. Quod non. Hun opgewonden 'speelstijl’ voedt slechts de vrees dat ze vergeefs naar een sleutel tot het over het voetlicht tillen van The Jew of Malta hebben gezocht, waarna is besloten het stuk dan maar over hun zelfgebouwde schuttingen het publiek in te smijten, een testimonium paupertatis waarvoor ik ofwel te teergebouwd ben, ofwel gewoon te onverschillig waar het ordinair gooi- en smijtwerk betreft. De laatste minuten van de voorstelling misten we, omdat Kuno Bakker, die Barabas roeptoeterde, die avond door iets heen zakte, waarna een dokter moest aantreden. De joodse aap was uit zijn mouw gescheurd. Ook geen echt fijne grap. Maar het was dan ook geen echt fijne toneelavond.